Categorie archief: tentoonstelling

Hoe Plantin en zijn Garamond de wereld via Antwerpen, Nice en Middelburg rond maken


In 1546 stierf Maarten Luther, in 1555 drukte Christoffel Plantin zijn eerste boek en 462 jaar later stond ik vorige maand december even te wachten op een aantal kleurkopieën die een machine in hoog tempo uitspuugde. Cryptisch? Jazekers. Maar daarom niet minder associatief logisch.

portret van Christoffel Plantin

Want een paar weken geleden schreef ik over de Luther-expositie in het Museum Catharijneconvent. Daar leerde ik dat hij vijf jaar na publicatie van zijn 95 stellingen al de meest gelezen auteur in Duitsland was geworden. Mee natuurlijk dankzij zijn voor het eerst in het Duits vertaalde bijbel. Een bijbel die dan weer dankzij de boekdrukkunst wijd en zijd verspreid kon worden. Stel je eens voor dat dit nog had moeten gebeuren met handgeschreven exemplaren, de enige manier in de eeuwen daarvoor. Zou de Reformatie dan zo snel de Europese geloofswereld op zijn kop hebben kunnen zetten? Vast niet. De boekdrukkunst was voor Luther dus cruciaal, hoe arbeidsintensief dat drukproces toen ook nog verliep. En tegenwoordig? Nu stond ik op m’n gemakkie bij die machine te wachten op een stapeltje kleurkopieën van mijn nieuwjaarswens. Vanzelfsprekend gedrukt via een bestandje op een USB-stick. Over moderne zegeningen gesproken!

Museum Plantin-Moretus in Antwerpen

Dat besefte ik onlangs in Museum Plantin-Moretus in Antwerpen. De stad waar de hierboven al genoemde Fransman Christoffel Plantin (1520-1589) neerstreek, een drukkerij begon en in 1555 zijn eerste uitgave de wereld in stuurde. In dat prachtige drukkersmuseum ga je figuurlijk en letterlijk ver terug in de tijd. Omdat je er rondloopt in de oorspronkelijke woonruimten en drukkerswerkplaatsen van vele generaties  Plantin en Moretus, de aangetrouwde tak.

Steeds rijker wordend kochten ze uiteindelijk een carré van aaneengesloten eeuwenoude woningen bij elkaar rond een grote binnentuin. Nu is dat een grandioos monument uit de Gouden Eeuw van Antwerpen. Een toen van de handelslui vergeven kosmopolitisch  Antwerpen dat in die 16de eeuw bruiste aan alle kanten en een van de belangrijkste Europese havensteden was.

de binnentuin van het complex

Een vrijzinnig Antwerpen ook waar de humanistisch ingestelde Plantin zich goed thuis voelde en al snel zijn drukkerij opstootte in de vaart der volkeren en zelfs uitbouwde tot de grootste ter wereld. Met 22 persen en meer dan 80 werknemers. Met boeken op zowel religieus, humanistisch, taalkundig, kartografisch als wetenschappelijk gebied. Gedrukt in vele talen. Van o.a. Latijn, Grieks en Nederlands  tot zelfs Oud-Syrisch en Armeens. Echt ongelooflijk. Hoeveel verschillende soorten loden lettertekens moeten ze daar wel niet hebben gehad?

opslagruimte met de letterbakken

Daarnaast zette Plantin zelf nog een filiaal op in Leiden en werd hij zelfs officiële drukker van onze Staten Generaal werd. Achteraf gezien heel belangrijk omdat Leiden zich daardoor, na de oprichting in 1575 van de universiteit door Willem van Oranje,  tijdens de Tachtigjarige Oorlog tot een belangrijke en vrije drukkersstad  kon ontwikkelen.

Dat in tegenstelling tot Antwerpen. In 1585 was de stad weer in Spaanse handen gevallen. Veel protestantse kooplui verlieten de stad richting Noordelijke Nederlanden. Achteraf gezien betekende dat stuivertje wisselen van Gouden Eeuw. Amsterdam nam het havenstokje van Antwerpen over. Ook omdat die vervelende protestantse Zeeuwen en Hollanders nu tol eisten voor de toegang tot de Westerschelde. Een heffing die officieel pas in1863 werd afgeschaft. Maar om nou te zeggen dat ’t tegenwoordig helemaal pais en vree is tussen Vlaanderen en Nederland rond die Westerschelde? Niet echt toch? Nog steeds animositeit genoeg.

gravure over de bezigheden in een drukkerij destijds
schilderij van een proeflezer die de teksten controleert

Hoewel Antwerpen dus economisch wegzakte, wist die drukkerij van de Plantijnen en Moretussen zich goed te handhaven. De Officina Plantaniana had namelijk het recht kregen van de Spaanse regering alle religieuze geschriften voor hun rijk te drukken. Best een leuk contract als je beseft dat ook al die veroverde gebieden in Midden en Zuid-Amerika er onder vielen. Zodoende stond in Antwerpen de grootste drukkerij van de Contrareformatie. Maar aan alle moois komt ooit een eind. Meer dan drie eeuwen na de oprichting verkocht nazaat Edward Moretus drukkerij en gebouwen aan de stad Antwerpen. Nu dat stijlvolle en heel interessante Museum Plantin-Moretus.

de oudste nog bestaande drukpersen ter wereld
de privé-bibliotheek van de familie

Zo leerde ik er dat Christoffel Plantin ook de Garamond had ontworpen. Een lettertype dat nog steeds in zwang is. Toen ik dat las, had ik direct mijn Niçoise galerist/uitgever Jean-Paul Aureglia in zijn werkplaats voor ogen. De man met wie ik samenwerkte aan nieuwe uitgaven van onder andere de Divina Commedia en de werken van Homerus.

Griekstalige uitgave van Homerus, gedrukt in de Officina Plantiniana

De man die de teksten van zijn uitgaven nog ouderwets handmatig zet met loden lettertjes. Letters in van die letterbakken die ooit heel populair waren als wandversiering. En weet je welk lettertype hij daarin heeft zitten? De Garamond! Thuis in Middelburg staat dus een hele reeks livres d’art met daarin illustraties van mij en Franse teksten uit Nice in de Garamond, de letter die Plantin in Antwerpen ontwierp. Prachtig toch?

deel van galerie/werkplaats van Jean-Paul in Nice met ook nog een schilderij van mij

Tot volgende week.

TOOS

Advertenties

Kerstaflevering: Maarten Luther en de Transaviaanse aflaten


Als ik een vliegticket boek naar Nice om weer eens lekker ongestoord te kunnen werken in mijn atelier daar doe ik dat bij Transavia. As ’t effe kan voor het laagste tarief, te weten € 29 enkele reis. Best te doen toch als je dat vergelijkt met een retourtje Middelburg-Groningen per trein van € 53? Maar dan moet je natuurlijk niet ingaan op blijkbaar onmisbare zaken als het aanbod van een parkeerplaats, een gereserveerde zitplaats, meer beenruimte, ruimbagage of reis en annuleringsverzekering. En ook niet op het aanbod om je CO2 uitstoot tijdens de vlucht af te kopen. Want naast Transavia moet ook het klimaat worden gered. Niet dat ze dan minder van die koolstofdioxide uitstoten, dat gaat natuurlijk niet lukken. Nee, dat geld wordt dan ergens in een heel ander deel van de wereld op een of andere vage manier gebruikt om daar die uitstoot te verminderen.

voorbeeld van middeleeuwse aflaat

Een soort Roomse aflaat dus waarmee je in de middeleeuwen de boetedoening voor je zonden kon afkopen. Bij Paus Transavia kun je nu dus op dezelfde manier je CO2-schuldgevoel weg poetsen. Die gedachte kwam plots op toen ik vorige week de expositie bezocht over Maarten Luther  in het Utrechtse Museum Catharijneconvent. Een tentoonstelling ter ere van het feit dat hij op 31 oktober, nu 500 jaar geleden, in het Duitse Wittenberg zijn beroemde en beruchte 95 stellingen op de deur van de kapel spijkerde. Althans, zo luid het aan enige twijfel onderhevige verhaal. Maar of dat getimmer nu wel of niet heeft plaats gevonden, één ding is zeker: het heeft heel wat gevolgen gehad.

introductievideo bij begin van de expositie
vroegste afbeelding van Luther

In zijn stellingen sprak de monnik Luther zich sterk uit tegen dat kerkgedoe met die aflaten. Als biechtvader maakte hij ’t regelmatig mee dat hij na de biecht geen boetedoening meer kon opleggen vanwege de door de gelovige gekochte aflaat die deze voor zijn neus heen en weer zwaaide . Van de opbrengst werd bijvoorbeeld de bouw van de nieuwe Sint Pieter kathedraal in Rome bekostigd. Een win-win situatie voor zowel zondaar als clerus. Maar niet voor al die Duitse keurvorsten die veel geld naar Rome zagen wegstromen. Dat was natuurlijk niet eerlijk, zij minder en de paus meer. Dit en nog heel veel andersoortige ongenoegens over de kerk zorgde ervoor dat Luthers stellingen in vruchtbare aarde vielen.

detail van 17de eeuws schilderij waarop Luther niet hamert maar schrijft op de kerkdeur

Over die achtergronden had ik graag nog wat meer willen zien en lezen, daar in het prachtige Catharijneconvent. Maar ik voelde me niet echt ‘opgetild’ door de kwaliteit van de getoonde kunst in samenhang met het grote aantal getoonde vlugschriften,boeken en bijbels. Wel geschriften die vaak gedrukt werden met gevaar voor eigen leven. Want de inquisitie zat ook niet stil. Maar de branding van het merk Luther door zijn gebruik van kunst en de moderne social media destijds, zoals die nieuwe boekdrukkunst, bracht een niet meer te stoppen proces op gang. Binnen vijf jaar was hij de meest gelezen auteur in Duitsland. Mee ook dankzij zijn designer Lucas Cranach, zowel een bekend kunstenaar als ook plaatsgenoot. Die Cranach heeft niet alleen tientallen schilderijen van Luther gemaakt maar ook veel prenten in grote oplage. Naast, ook niet te vergeten, prachtige houtsneden als titelblad bij Luthers geschriften en de door hem uit het Latijn in het Duits vertaalde bijbel. Daardoor kon eindelijk iedereen die het lezen machtig was het Oude en Nieuwe Testament bestuderen.  En kon je ook nog een 16de eeuwse poster van je grote held aan de muur hangen.

laatste portret dat Cranach maakte van Luther in 1546, het sterfjaar van Luther
door Luther in het Duits vertaalde bijbel met houtsnede van Cranach
rechts ets van de heilige Hiëronymus (naar Dürer) die bijbel in het Latijn vertaalt, links Luther in dezelfde setting als de heilige terwijl hij de bijbel in het Duits vertaalt
verbranding van de eerste vrouwelijke Lutherse martelaar, Wendelmoet Claesdochter in Den Haag 1527
beeldenstorm

Dat alles wordt op de expositie goed uitgelegd, maar een aantal andere onderwerpen komt er toch wat karig af. Want hoeveel oorlogen zijn er niet ontstaan door de Reformatie die Luther op gang bracht en hoeveel slachtoffers zijn er wel niet gevallen in de naam van God?  En wat te denken van al die verbrandingen van ketters en van de beeldenstormen waarbij gigantisch veel kunst is vernield? Hoe zit dat nou met die uit de geloofsstrijd ontstane Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden waar we uiteindelijk meer zagen in de op Luther voortbordurende Zwitser Calvijn? Waarom werd Nederland calvinistisch en is de kerk in Duitsland en Scandinavië vooral Lutheraans ? Kijk maar eens op de interessante kaart hieronder die op de expositie hing.

jaar 1575: lichtblauw calvinistisch, blauw Lutheraans, beige Rooms, wit rechtsonder islamitisch

Ziet Europa er qua geloofsbeleving niet nog vrijwel hetzelfde uit als toen in 1575? Frappant toch! Voor mij dus een expositie met plussen en minnen. Maar zeker interessant. En in ieder geval ook nog nuttig voor de bezoekers die daar rondliepen en die, zo hoorde ik, dachten dat de Jodenvervolging pas was ontstaan in de tijd van Luther, mede vanwege zijn negatieve houding tegenover hen.

Calvijn links en Luther rechts op spiegelgravures
Christus als goede herder voor de kinderen en de gewone mens, de paus uit het dakraam die met goud en zilver de priester op het dak lokt
Luther en Calvijn rechts winnen het met hun bijbel van de kerkschatten van de paus links

Dan nog iets ander wonderbaarlijks. Over die moderne CO2-aflaten bij Transavia. Die zijn namelijk inclusief BTW terwijl over vliegtickets die belasting nog steeds niet wordt geheven. Net zo min als over vliegtuigbrandstof belasting wordt betaald. Valt dat nou ook onder moderne klimaataflaten? Best interessant om daar over na te denken als je bij de benzinepomp staat te tanken. Tot volgende week.

TOOS

Een icoon voor vrouwen in de kunst: Camille Claudel


Musée Camille Claudel in Nogent-sur-Seine

Een paar weken geleden noemde ik het Franse provinciestadje Nogent-sur-Seine al eens vanwege enkele Sint Nicolaas overpeinzingen. Nu is ’t al weer aan de beurt. Maar dan om de echte reden dat ik daar was. Camille Claudel (1864-1943).Juist ja, die. En natuurlijk omdat in Nogent-sur-Seine in april van dit jaar een geheel aan haar gewijd museum is geopend. Dat wilde ik zien. Want Camille Claudel is langzaam aan uitgegroeid tot een icoon voor de vrouw in de kunst. Dat werd ook dit jaar nog eens in de bioscoop benadrukt door de speelfilm ‘Rodin’.

Een absolute must dus voor mij om na het zien van die film ook dat museum te bezoeken. In het stadje waar ze een deel van haar jeugd doorbracht. ’t Bleek de omweg, op weg naar Nice, dubbel en dwars waard.

Camille Claudel aan het werk in haar atelier

Sommigen zullen bij haar naam een zacht of misschien zelfs wat harder belletje horen rinkelen, bij anderen zal  ’t heel stil blijven. Maar zeker weten dat bij de naam Rodin heel veel bellen luid en duidelijk opklinken. Nou, die Camille Claudel  was dus vanaf 1883 een kleine tien jaar lang de maîtresse van die 24 jaar oudere, al getrouwde en steeds beroemder wordende beeldhouwer. In wat je kunt noemen een stormachtige en gepassioneerde liefdesrelatie. Maar daarnaast was ze ook nog eens een zeer getalenteerd kunstenaar. In diezelfde tak van sport, het beeldhouwen. Gaat dat dan goed, zo’n minnaarskoppel van twee grandioze talenten die te gelijkertijd eigenlijk ook elkaars concurrenten zijn? In een tijd dat de vrouw heel veel meer haar positie moest bevechten dan tegenwoordig? Op zich is dat mogelijk, maar hier dus beslist niet. En dat heeft mee het tragische leven van Camille veroorzaakt. Ga maar na. Geboren worden in een welgesteld gezin en na je dood terechtkomen in een anoniem graf van een krankzinnigengesticht.

Rodin door Camille Claudel
Camille door Auguste Rodin

Volop tragiek dus voor een vrouw die tijdens haar leven door sommige mannen zelfs werd betiteld als een genie. Echt een ongelooflijk compliment in die tijd! Want hadden de beroemde 18de eeuwse Verlichtings-filosofen Rousseau en Kant niet bij hoog en laag beweerd dat vrouwen nooit en te nimmer een genie konden zijn? Gezien hun psyche was dat volstrekt onmogelijk. Mannen, ja, dat was andere koek natuurlijk! In de 19de eeuw stond dat vrouwbeeld nog stevig overeind in conservatievere kringen. Leuke tijden dus voor de vrouw van toen. Zo werd Camille ook niet toegelaten tot de officiële kunstacademie in Parijs, de École des Beaux Arts. Tja, jammer mademoiselle  Claudel, we laten nu eenmaal geen vrouwen toe. Regels zijn regels.

In het atelier van Rodin gold die regel niet. Hij onderkende niet alleen haar beeldhouwtalent maar ook haar vrouwelijke aantrekkingskracht. Hartstochtelijke liefde, wederzijdse inspiratie en gezamenlijk werken aan projecten was het gevolg. Toch weigerde Rodin te scheiden van de vrouw met wie hij al vele jaren getrouwd was en bij wie hij een zoon had. Ook kwam hij zijn belofte niet na om Camille in contact te brengen met zijn steeds groter wordende klantenkring. Uiteindelijk breekt haar dat allemaal op en maakt ze, na een abortus, in 1892 een eind aan hun verhouding.

links een beeld van Rodin, rechts van Claudel

Door allerlei oorzaken, naast ook familiale wantoestanden,  gaat ’t daarna zowel financieel als mentaal steeds slechter met haar. In 1905 vernielt ze in een geestelijke depressie ineens veel van de beelden in haar atelier. Volgens de toen heersende psychiatrische inzichten zou ze zelfs tekenen van schizofrenie hebben getoond. Maar afgaand op die ouderwetse inzichten en de erbij beschreven uitingsvormen zou tegenwoordig een substantieel deel van onze Westerse bevolking gedwongen opgesloten moeten worden. Zo heb ik mij dat eens laten vertellen door iemand met de nodige kennis op dat gebied. Interessante gedachte, nietwaar?

in gedachten verzonken bij een bekend beeld van Camille Claudel
Camille Claudel, L’Âge mûr, nog zo’n bekend beeld
Camille Claudel, La Valse, diverse uitvoeringen

Voor wat die diagnose ook waard mag zijn geweest, in 1913 werd Camille Claudel door toedoen van haar moeder en haar jongere broer Paul ook echt opgenomen in een gesticht. Dat kwam ze uitermate goed uit want zo hoefden ze na de dood van hun welgestelde man/vader zijn erfenis niet met haar te delen. Ze hebben er zelfs voor gezorgd dat Camille nooit meer dat gesticht heeft kunnen verlaten ondanks herhaalde doktersrapporten die aangaven dat ze genezen was en naar huis kon. Leuk, zo’n familie. Dertig jaar had ze er gezeten tot ze in 1943 in alle eenzaamheid stierf en haar lichaam  in een soort massagraf voor gestorven patiënten terecht kwam. Niet dus in het familiepraalgraf dat broerlief intussen had laten maken. Broerlief die zichzelf ooit eens het werkelijke genie van de familie had genoemd. Je kunt je dus afvragen wie eigenlijk in dat gesticht had moeten zitten.

Tot slot nog even twee frapperende beelden. Een van Rodin en een van Claudel.

Rodin, L’Eternel Printemps
Camille Claudel, links L’Abandon, rechts het beroemde Sakoentara

Hoe gelijk en ook hoe verschillend! Voor de masculiene Rodin was het natuurlijk logisch dat de man uitstak boven de vrouw. En bij Camille? Oordeel zelf. Tot volgende week.

TOOS

De venetianisering van Venetië


Je leest er tegenwoordig regelmatig over, Amsterdam is aan het venetianiseren. Maar wat betekent dat eigenlijk? Een paar maanden geleden was ik voor de tigste keer weer eens een week in dat Venetië, het grootste en mooiste openlucht museum ter wereld. Dus een beetje ervaringsdeskundige mag ik mijzelf wel noemen.

Het is beslist een feit dat steeds grotere massa’s toeristen de Amsterdamse binnenstad als een soort tsunami overstromen. Met, naar verluid, de bijbehorende geluidstsunami  van dag en nacht voort denderende rolkoffers en brallende, niet meer zo sobere toeristen. Met een toenemend aantal Airbnb kamers en appartementen die de eigenaar menige euro doen toevloeien. Met plaatselijke stanktsunami’s  in de openbare ruimte van soms minder en soms meer verteerde vloeistof en voedselresten die juist van toeristen afvloeien. En met, niet te vergeten, de fietstsunami  van grote groepen die hun leenfiets als een oneigenlijk voorwerp onder hun achterste ervaren en al zwalkend moeten anticiperen op het nogal gehaaste, agressieve fietsgedrag van de autochtonen. Gevolg? Fietsfiles, menige fietsbotsing en bijbehorende Babylonische taal en vloekverwarringen.

Hoe zit dat dan in La Serenissima Repubblica Venezia, de allerdoorluchtigste Republiek Venetië, zoals de naam ooit luidde?  Maar even een paar  foto’s.

bij het Dogenpaleis
‘rustige’ vaporetto, ’t kan veel en veel voller
fotootje maken op de Rialtobrug
om de hoek bij het San Marcoplein

Één ding ontbreekt in ieder geval op die plaatjes. Fietsers. Want in Venetië zult gij lopen of varen. Alleen kindertjes mogen op hun fietsjes over de pleinen heen en weer scheuren. Meestal onder het toeziend oog van moeder. Als die ten minste dat oog niet even heeft afgewend vanwege de niet te versmaden gesprekken met andere toeziende moeders. Met natuurlijk de laatste Venetiaanse roddels. Want in dat opzicht is Venetië echt een dorp. Al lopend komt iedereen altijd iedereen tegen. Maar ‘iedereen’ wordt snel kleiner. Het aantal inwoners is al gezakt tot ergens rond de 50.000. Terwijl het aantal toeristen exponentieel is gestegen. Zo’n 30 miljoen nu per jaar.  Gemiddeld dus meer dan 80.000 per dag. Let wel, gemiddeld! Er zijn dus dagen met een veel groter aantal. En die persen zich dan met z’n allen op de vaporetto’s, de waterbussen, en door de smalle straten. Maar godzijdank vooral door de Kalverstraat die zich vanaf het station langs de Rialtobrug naar het San Marcoplein wringt. Want juist die plekken, daar moeten we als lemmingen heen met z’n allen. Die Kalverstraat overigens is meer een netwerk van zich aaneenrijgende, vaak haaks op elkaar staande straten met allerlei vernauwingen, verbredingen en heel veel bruggetjes.

de rolkofferbrigade op stap

filevorming op het water

Daar moet je dus ook niet willen zijn. Mijd de diersoort die zich daar in kudden voortbeweegt: de dagjesmens. Een asociale diersoort die het blokkeren van straten voor anderen als vanzelfsprekend beschouwt. Militaire wegblokkades zijn er niets bij is. Als het dan ook nog gaat regenen en de paraplu’s te voorschijn komen, moet je, al maaiend met armen en handen, echt een gevecht leveren voor het behoud van je ogen. Je ziet dan ook gelijk wie de echte Venetianen zijn. Die hebben een superieur paraplugebruik ontwikkeld waardoor ze vrijwel niemand tot last zijn. Maar goed, dat is dus  in die Kalverstraat. Als ’t ook maar even kan, mijd ik die dus.

het Canal Grande kent ook rustige tijden

Sla zoveel mogelijk de zijstraatjes in, neem gewoon het risico dat je doodloopt tegen een kanaal of toch de kaart erbij moet pakken om te zien hoe je verdwaald bent. Hoewel? Echt verdwalen kun je nooit. Je zit ten slotte op een stelsel van eilandjes met maar één verbindingsweg naar de kust. Dan ervaar je wat La Serenissma echt is en hoe rustig grote delen zijn. Dan snap je dat geboren Venetianen niets liever willen dan in hun prachtige stad blijven wonen. Maar ja, als je moet huren, is dat nauwelijks meer op te brengen. Veel te duur. Huiseigenaren verhuren liever aan toeristen, dan vangen ze heel veel meer.

Toen wij ‘ons’ appartementje, midden tussen Rialtobrug en San Marcoplein in, jaren geleden ontdekten, waren er volgens de eigenaar zo’n tweehonderd van dat soort verhuurappartementen. Nu, met de vlucht die Airbnb heeft genomen, zo’n tweeduizend. Afgezien nog van de groei van het aantal hotels.

ergens daar achteraan zit ik op een heerlijk terras

Dus is Venetië gevenetianiseerd? Ja en nee! Lallende, bezopen toeristen? Nauwelijks. Prachtige plekken waar de dagtoeristen niet komen? Vele. Terrassen waar je in alle rust kunt zitten met een koele spritz in de hand? Zoekt en gij zult vinden. Als je daar dan zit met een zonnetje erbij kan Venetië niet kapot. Nooit niet! Loop je in de schemering door de stad als de lemmingen zijn verdwenen? Een ervaring die je nooit vergeet. En doe je dat ’s avonds laat? Één grote museale ervaring. Venetië is voor mij altijd een feest.

Venetië ’s nachts

Maar één ding moet absoluut gebeuren. Die joekels van cruiseschepen moeten uit de stad worden verbannen. Een absolute schande dat die ooit zijn toegestaan. Dat vinden de bewoners ook. Maar ja, overheid, geld en corruptie? De doorsnee Venetiaan kan daar heel veel over verhalen.

een absolute schande, die cruiseschepen in Venetië

Tot volgende week.

TOOS

Sint Nicolaas en zijn Nederlandse mafkezen


Église Saint Laurent in Nogent-sur-Seine

Recent liep ik rond in de Église Saint Laurent in Nogent-sur-Seine en bedacht me ineens dat we in Nederland met z’n allen toch eigenlijk wel een uitzonderlijk en heerlijk stelletje mafkezen zijn. Dat ik in Nogent-sur-Seine was, een stadje in het champagnegebied, heeft een reden die hier nog wel eens ter sprake zal komen. Om bij voorbaat alcoholisch getinte misverstanden te voorkomen, ’t heeft niks te maken met dat bruisende spulletje.

De mafkezengedachte daar in Nogent hangt echter direct samen met de foto hieronder. Met daarop een schilderij dat al een paar honderd jaar in die Église Saint-Laurent hangt en waarop Sinterklaas staat afgebeeld. Twee keer zelfs.

schilderij met Sint Nicolaas, eind 18de eeuw

In het katholieke Frankrijk zie je die Saint Nicolas schilderijen veel meer dan in ons calvinistische landje. Net ook als in Italië. Maar ja, daar liggen dan ook zijn nog steeds ruim aanbeden, in de 12de eeuw uit Turkije weggeroofde oude knoken. Opgeslagen in een tombe van de basiliek van Bari. Ten minste, dat nemen we aan. Want van Turkse kant werd kort geleden ineens beweerd dat hij mogelijk nog steeds daar ligt. Heimelijk verborgen in een ondergrondse ruimte van de oude Sint Nicolaas kerk in het vroegere Myra. De plaats waar hij in de 4de eeuw bisschop was. In alle haast zouden de knokenrovers het verkeerde gebeente hebben meegenomen. Zie je dat al voor je? Erdogan die onze Nederlandse nationale heilige gaat uitbuiten!

archeologisch onderzoek in Demre (Turkije) aan de kerk van Sint Nicolaas

Maar waarom zijn wij eigenlijk een lekker stel mafkezen? Nadat Maarten Luther begin 16de eeuw allerlei godsdienstoorlogen op gang had gebracht met de verkondiging van zijn 95 stellingen, zijn we hier in Nederland een protestante natie geworden. Bij de beeldenstormen is op heel wat heiligenafbeeldingen de geloofswoede uitgeoefend. Weg ermee! Heiligen gaan we niet meer aanbidden. Duivelsgedoe! En wat zien we dit jaar? Komt er in Dokkum met een stoomboot zo’n heilige aan met een mijter met kruis op zijn hoofd en een kardinaalrode mantel om. Hoe katholiek wil je ’t hebben? Daarbij wordt hij ook nog eens door het stadsbestuur hartelijk welkom geheten en door duizenden ouders met hun kinderen uitbundig toegejuicht.

Toos van Holstein, steendruk St. Nicolas

Zouden ze dat destijds in datzelfde Dokkum met Sint Bonifatius ook zo hebben gedaan? Nou, zeker niet! Die werd door de ongelovige Friezen op gewelddadige wijze naar de hemelpoort van Sint Petrus verwezen. En nu? Nu staan al die protestanten en niet-meer-zo-erg-protestanten, ja, zelfs horden ongelovigen, een duidelijk katholieke heilige volop toe te juichen en te zingen. Hoe maf kun je zijn!

Oké, nu even serieus. Want eigenlijk heeft Sinterklaas zoiets best wel verdiend. Op dat schilderij staat hij op de achtergrond in vol kerkelijk ornaat bij een haven. Maar op de voorgrond geeft hij, anoniem gekleed, heel stiekem een geldbuidel aan een vader van drie dochters. Die kon zo zijn dochters redden van de prostitutie omdat hij voor geen van hen ook maar een losse duit als bruidschat te vergeven had. Tja, die goeie ouwe, romantische tijden. Zie hier gelijk ook de link naar die buideltjes met chocolademunten die de afgelopen tijd de Sinterklaasvakken in de supermarkt vulden.

Onze Sint verrichtte trouwens nog heel veel andere heldendaden. In stukken gesneden kinderen weer ongeschonden uit een pekelvat toveren. Of een kind redden dat per ongeluk door de moeder in een pan kokend water terecht was gekomen. Noem dat maar eens geen kindervriend. Of stoere zeemannen redden van een schip dat in een storm dreigt onder te gaan. En een hongersnood voorkomen door graan wonderbaarlijk te vermenigvuldigen. Zeg nou zelf, zo’n held verdient ’t toch om te worden toegejuicht?

reliëf in kerk in Nogent met de Sint die zeelieden redt van een heftige storm

Toch is dat toejuichen ooit wel kantje boord geweest. Want in onze 17de eeuwse Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden waren er behoorlijk wat van die stijf hervormde dominees die het klaarzetten van een klomp of schoen geloofsschennerij vonden. Profane afgoderij! Daar moest van hen zelfs een geldelijke boete op komen te staan. Maar gelukkig kwam ’t niet zover. We waren dan wel protestants maar er heerste officieel ook godsdienstvrijheid. Je mocht best katholiek zijn als je ’t maar niet al te uitbundig vierde. Zo was schilder Jan Steen (1626-1679) gewoon rooms. Maar hij moest wel kunnen leven. Daarom is ’t interessant dat hij zowel een katholiek als een protestants getint Sinterklaas- schilderij heeft gemaakt. At hij van twee geloofswalletjes? Waarschijnlijk wel. Hoe Nederlands wil je ’t hebben? Hieronder het katholieke schilderij.

Het meisje op de voorgrond heeft duidelijk een heiligenpop in handen. En het kleine kind rechtsboven houdt een soort speculaaspop van Sint vast. Nou niet direct reformatorisch. Maar op de protestante versie is al die roomsigheid plots verdwenen. Mooi toch? Die echte VOC-mentaliteit?

De vroegere geloofstweedeling speelt nu bij Sinterklaas geen enkele rol meer. Hoe kronkelig kan dus het historisch pad zijn. Wel schijnen er tegenwoordig wat probleempjes te zijn met Zwarte Piet. Maar dat is een ander verhaal. Tot volgende week.

TOOS

Damien Hirst, Venetië, de kunstduvel en de grote kunsthoop


beeld bij de ingang van de Punta della Dogana

Als je snel bent, kun je nog net de, terecht, wereldwijd meest besproken tentoonstelling van dit jaar bezoeken. Maar daarvoor moet je dan wel even naar Venetië. Voor ‘Treasures from the Wreck of the Unbelievable‘ van Damien Hirst. Ik was er al, zo’n twee maanden geleden. Toch kwam ’t er steeds niet van om er over te schrijven. Nu eindelijk wel. Hieronder al vast een filmpje om voor te proeven.

Die Damien Hirst (1965) is een apart mannetje wiens kunst ik nooit zo heb zien zitten. Tegen 1990 brak hij door toen de beroemde kunstverzamelaar en public relations goeroe Charles Saatchi zijn ‘The Physical Impossibility Of Death In The Mind Of Someone Living‘ kocht. Een volstrekt belachelijke titel voor alleen maar een haai op sterk water.

Na Saatchi, die de haai later met een gigantische winst doorverkocht, moesten heel veel anderen natuurlijk ook zoiets hebben. De start dus van een kunstcarrière die Hirst tot de rijkste levende kunstenaar maakte met een, enkele jaren geleden, geschat vermogen van rond de 300 miljoen Engelse ponden. Of euro’s. Dat weet ik niet zo goed meer. Maar ach,al staat de euro dan wat lager dan het pond, er van leven lukt ook dan nog wel. Met die haai heb ik niet zoveel. Net zo min als met het platina doodshoofd vol geplakt met diamanten dat onder de titel ‘For the love of God‘  in 2008 een wereld tournee maakte die begon in het Rijksmuseum.

Stel je voor, lange rijen in Amsterdam voor een doodshoofd. Want in publiciteit genereren is Hirst een meester. Dat ding moest, dacht ik, 90 miljoen dollar opbrengen. Of ’t verkocht is? Wat dacht je! Net zoals trouwens honderden, zoniet duizenden van zijn pillenschilderijen.

Allemaal gefabriekt door zijn ateliertroepen die bij het inkleuren natuurlijk wel binnen de vooraf door de meester vastgestelde lijntjes moesten blijven. Ik heb echt bewondering voor de manier waarop hij dat allemaal flikt. Maar al zijn conceptueel  kunstgedoe met bijbehorende kunstklets en vele kubieke meters gebakken lucht? Laat maar.

Toch heeft ie me nu in Venetië echt prettig verrast. Met twee grote exposities in het monumentale Palazzo Grassi aan het Canal Grande en het prachtig gerenoveerde pakhuis van de Punta della Dogana aan het begin daarvan. Allebei in bezit van Hirst’s gigantisch rijke Franse kunstvriend François Pinault. Denk bij die laatste maar aan Gucci, Samsonite en veilinghuis Christie’s. Dan weet je gelijk waar zijn miljarden vandaan komen. Samen hebben Damien en François die  ‘Treasures from the Wreck of the Unbelievable‘ bekostigd. Een project van vele jaren en vele miljoenen op basis van een prachtig, volstrekt uit de duim gezogen verhaal. Fantasievol fake news zogezegd. Zogezegd helemaal in de trant van deze tijd. Lees maar.

met Venetiaanse vriend Roberto in Palazzo Grassi
het gigantisch grote beeld van kunststof in het palazzo

In 2008 wordt in de Indische Oceaan een groot wrak ontdekt van een vrachtschip dat daar zo’n 2000 jaar geleden was gezonken. Aan boord: een ongelooflijke schat met vooral veel beelden. Van klein tot gigantisch groot, in brons, marmer, graniet, goud en zilver. Van over de hele antieke wereld bij elkaar gebracht door een onder de Romeinen vrijgemaakte slaaf die daarna een groot fortuin vergaarde. De bedoeling: dit alles onderbrengen in een nog te bouwen tempel. Maar helaas dus. De inhoud van dit schip wordt nu, na gedeeltelijke restauratie, getoond op de twee exposities.

Als bezoeker van de expositie wordt je gelijk geconfronteerd met een volstrekt realistische documentaire waarin je kunt zien hoe duikers alles opdelven uit de zeebodem en naar boven laten takelen. Inclusief het aan de beelden vastgegroeide, prachtig gekleurde koraal. Maar als je van te voren je erin hebt verdiept, weet je ook dat al die voorwerpen eerst vanaf het schip op de bodem zijn neergelaten om ze daarna weer snel op te hijsen. En dat het zogenaamde koraal van beschilderd brons is. Fake koraal en ook een fake documentaire dus. Toch liepen er in Palazzo Grassi mensen rond die er in eerste instantie helemaal instonken.  We waren namelijk in gezelschap van onze Venetiaanse vriend Roberto die rondlopende Italianen een ietsiepietsie beter verstond dan wij. Wat bleek af en toe? Pure verbazing over al dit duizenden jaren oude, prachtige antiek. Net zoiets als volwassenen die nog geloven in Sinterklaas.

Want als je nou een beeld van Mickey Mouse met beschilderde koraal  tegenkomt of zelfs Goofy, dan moet er toch wel een hele grote lamp gaan branden?

het beeld van Mickey Mouse wordt opgedolven uit het wrak
Mickey Mouse zoals die nu op de expositie staat
aan welk verhaal doet dit ‘duizenden jaren oude’ beeld denken?

Wat zal het Hirst-team, dat jarenlang aan dit project heeft gewerkt, een lol hebben gehad. Wat zullen we nu weer eens voor geks bedenken? Hoe gaan we in de begeleidende teksten nu weer eens allerlei klassieke mythologische verhalen gebruiken en verdraaien? Allemaal absoluut prachtig en vakkundig uitgedacht en gemaakt.

Logisch dat allerlei moderne kunstgoeroes dit alles volledig hebben afgebrand. Schande, pure schande, met pek insmeren die Hirst, kitsch, allemaal kitsch!  Maar voor mij dan als totaal wel magistrale superkitsch waar massa’s enthousiaste bezoekers op af kwamen. En waar ook diverse miljonairs tevreden op terug kijken die, afgaande op de Panama en Paradise papers, nog iets leuks konden doen met hun overgebleven belastingcentjes.

het hoofd van Medusa in brons
idem in goud

 Want ja, nu nog die duvel en de grote hoop uit de titel. Alles op die exposities was namelijk van te voren al te koop. Er hingen in Venetië dan wel geen prijskaartjes aan, maar reken maar dat je zonder diamanten of platina credit card niet ver kwam. Zo las ik over een rijke verzamelaar die aan de hand van foto’s al een beeld voor twee miljoen had gekocht. Hij stootte echter zijn neus bij nog een paar andere beelden. Tussendoor al uitverkocht! En dan te weten dat van elk beeld een serie van drie is gemaakt. Reken er maar op dat dit bij heel veel andere items ook is gebeurd. Want al die particuliere musea die tegenwoordig uit de grond worden gestampt in bijvoorbeeld de Emiraten, Rusland en China door lui die van gekkigheid niet weten waar ze met hun miljoenen heen moeten, hebben vulling nodig. De prijzen op kunstveilingen rijzen niet voor niks volstrekt waanzinnig de pan uit .

Ik wil wedden dat meneer Damien Hirst er aardig wat bij krijgt op zijn al met 300 miljoen gevulde spaarrekening. Of dat meneer François Pinault net als Dagobert Duck in een nog beter gevuld geldzwembad kan duiken. De duvel schijt nog steeds op de grote hoop. Maar ze hebben daarvoor wel een spraakmakende en heel succesvolle tentoonstelling gemaakt. En niet te vergeten, te gelijkertijd de kunstaanhangers van de kleren van de keizer behoorlijk in hun hemd gezet. Kan dat laatste trouwens nog wel? Tot volgende week na deze qua lengte en foto’s wat uit de hand gelopen aflevering.

TOOS

Marius Bauer, de Oriënt en ik zei de gek


Bauer, Kooplieden

‘Jouw werk heeft wel wat weg van Bauer’. Opmerkingen in die trant kreeg ik jaren geleden meermaals te horen toen mijn schilderijen landelijk bekender begonnen te worden. Ik keek dan een beetje wazig want die naam Bauer zei me echt niets. En even snel opzoeken op internet? Hoezo? Het werkwoord googelen moest nog worden uitgevonden, laat staan dat Wikipedia er al was. Ik had zelfs nog niet eens een pc. Hoe hebben we kunnen overleven in dat soort primitieve tijden? Maar na weer eens zo’n Bauer-vergelijking heb ik me toch maar losgerukt uit mijn atelier om de bibliotheek in te duiken. Bleek dat ie van voren Marius heette, als Nederlands grootste Oriëntalist werd beschouwd en met zijn etsen, aquarellen en schilderijen dus sterk op het Midden- en Verre Oosten was georiënteerd. Net zoals een deel van mijn werk toen ook. Alleen bleek hij al een poosje dood te zijn. Gestorven in 1932.

 Dat ik nu terugkom op die opmerkingen van destijds, heeft echter te maken met zijn geboortejaar: 1867. Een beetje hoofdrekenaar zegt dan gelijk ‘oh,150 jaar geleden’. Nou mag 2017 in China dan wel het Jaar van de Haan zijn en heeft de VN 2017 uitgeroepen tot het Internationale Jaar van Duurzaam Toerisme, bij de Nederlandse Bauer Documentatie Stichting hadden ze een nog beter idee. Dit moest het Bauer Jaar worden! Met een reeks tentoonstellingen over zijn leven en werk. De laatste en grootste daarvan is nu te zien in Bauers geboortestad Den Haag. In de statige expositiezalen van Pulchri Studio aan het Lange Voorhout. De mooiste laan van Europa. Ten minste, zo zeggen ze dat zelf bij dit Haags schilderkunstig genootschap, opgericht in 1847. Met ooit illustere leden als Weissenbruch, Bosboom, Israëls, Mesdag en dus ook Marius Bauer. Die expositie mocht ik natuurlijk niet missen.

Pulchri Studio aan de Lange Voorhout. Den Haag
zalen met de Bauer expositie

Want sinds die Bauer-opmerkingen ben ik vanzelfsprekend gaan letten op zijn werk. Ik kwam ’t tegen op kunstbeurzen als de Tefaf in Maastricht en de PAN in Amsterdam, soms in vaste collecties van musea zoals het Drents Museum en tegenwoordig ook regelmatig op internetveilingsites als Kunstveiling en Catawiki met vooral grafiek.

Bauer in het Drents Museum
grafiek van Bauer

Dus dwaalde ik vorige week nieuwsgierig rond door de altijd gratis toegankelijke Pulchrizalen. Bij het voor mij tot nu toe grootste overzicht van Bauers werk.  Drie zalen vol. Opnieuw begreep ik die vergelijking tussen zijn Oriëntalistische werk en mijn vroegere schilderijen. Kijk zelf maar.

Natuurlijk zijn er duidelijke verschillen. Kleur, oud tegen nieuw, verschil in techniek. Ook schetste hij bij zijn lange reizen door het Midden-Oosten en ook India heel wat notitieboekjes vol. Schetsen die hij dan later in Nederland uitwerkte. Ik doe dat niet. Bij mij ontstaat alles op de ezel vanuit opgedane impressies in combinatie met mijn fantasie. Maar ons beider fascinatie voor die Arabische cultuur? Die spat natuurlijk van het doek. Of van de vele etsen die Bauer heeft gemaakt en die in menige Nederlandse huiskamer hingen.

detail van een grote gravure van Bauer
kleine ets van Bauer

Bij mij is die fascinatie, zo vermoed ik, al vroeg ontstaan door de illustraties van Gustave Doré in de bijbel bij ons thuis. Die openden voor mij als kind een mysterieuze wereld waarin ik helemaal kon wegdromen.

Bijbel illustratie van Doré

In mijn academiejaren en daarna kwam dat allemaal terug op papier en doek. Helemaal toen ik in 1989 voor het eerst naar dat Midden-Oosten afreisde. Egypte om precies te zijn. Vol inspiratie, en dat echt niet alleen omdat ik daar levensgezel ontmoette, kwam ik terug. Met aardig wat oriëntalistische schilderijen als gevolg. Ook omdat daarna nog diverse reizen volgden. Met de rugzak of georganiseerd, en natuurlijk met levensgezel. Tunesië, Syrië, Jordanië, Marokko, Yemen. Vooral dat laatste land met zijn lemen steden maakte veel indruk. Echt heel droef en beschamend dat Yemen nu met Westerse wapens helemaal aan gruzelementen wordt gebombardeerd door de Saoud’s en hun vriendjes.

Toos van Holstein, Shira’a, geïnspireerd op de leembouw in Yemen

Maar langzaam aan is, om allerlei redenen met bijbehorende verhalen,  mijn inspiratie van het oriëntalistische verschoven naar andere culturen. India en Midden-Amerika kwamen erbij. Ook Zuid-Europa ging een rol spelen. En nu is het voor mijn gevoel veel meer een unieke mix geworden. Met ook de moderne stad erbij.

Maar als werk van mij nog af en toe met dat van Bauer wordt vergeleken, vind ik dat best een eer. Vergeleken worden met iemand die o.a. in 1901 de Grand Prix kreeg bij de Wereldtentoonstelling in Parijs, de Grand Prix d’Honneur in 1905 bij de World Exposition in St.Louis (USA) ontving, in 1910 tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau werd benoemd, in België in 1911 de versierselen van Officier in de Orde van de Kroon kreeg opgespeld en die over de hele wereld exposeerde? Niet onaardig toch? Tot volgende week.

TOOS