Categorie archief: Toos van Holstein

Hoe de Eugubini volledig uit hun dak gaan voor Sant’Ubaldo


de drie Ceri in de basiliek

Weken van tevoren, zo weet ik ervaring, merk je ’t al in de middeleeuwse straten van Gubbio. Overal hangen de heiligenvanen uit de ramen. ’t Gonst, ’t ruist. Groepjes van vooral mannen zijn op z’n Italiaans opgewonden in discussie bij de diverse bars. Want het Festa dei Ceri, het Feest van de Kaarsen, zit eraan te komen op 15 mei.

Maar eerst moeten op de 1e zondag van mei nog die Ceri uit de op de berg gelegen Basiliek van Sant’Ubaldo afdalen naar het Palazzo dei Consoli op de Piazza Grande.

Hoe opgewonden je daarvan al kunt worden? Vorig jaar stond levensgezel er middenin!

https://www.facebook.com/100001269337850/videos/300150018980854/

Maar dat is nog maar een lichte afspiegeling van wat er op 15 mei staat te gebeuren. Dan worden namelijk Sant’ Ubaldo, San Giorgio en Sant’ Antonio elk weer op hun eigen kaars, hun eigen Cero, bevestigd. Een jaar lang hebben ze alleen elkaar gehad, wachtend in de kleine Chiesa di San Francesco. Overigens wel in gezelschap van de daar in zijn eigen tombe liggende grote boze wolf die ooit door toedoen van de heilige Franciscus (1182-1226) een tamme, aardige wolf werd. Maar dat is een ander verhaal.

van links naar rechts San Giorgio, Sant’ Ubaldo, Sant’ Antonio
de tombe van de wolf in de kelder van het kerkje

Op 15 mei echter brengen ze, in een uitgebreide ceremonie op de Piazza Grande, herenigd met hun 4 meter hoge Ceri, alle Eugubini volledig in vervoering.  Mee ook dankzij twee Capitani te paard en drie Capodieci met elk hun eigen groep Ceraioli. Vorig jaar stond ik nog ergens aan het randje van de piazza, nu had ik via Giulia Rampini (lees vorige week) een eervolle uitnodiging van de burgemeester himself. Voor een speciale plek. Op een verhoging, geplakt tegen de muur van het stadhuis, het Palazzo dei Priori. Met een prima uitzicht op het geheel.

de uitnodiging van de burgemeester met, blijkbaar voor het gemak, mijn naam en die van levensgezel gemixt
de avond vooraf om al vast even het uitzicht te controleren
op de tribune 15 mei even na 9 uur ’s morgens
het uitzicht een paar uur later

Op Facebook zette ik vorige week al een kort filmpje van een heel klein onderdeel van die ceremonie.

https://www.facebook.com/100001269337850/videos/265275869313162/

Wel het deel dat een directe link legt met mijn brocche die nu in het Museo delle “Brocche d’Autore” staan. Maar zoals dat maar een onderdeeltje is, zo is die hele ceremonie weer een klein onderdeel van alles wat er die dag gebeurt. Zowel overal in de oude stad als uiteindelijk ook tegen de berg op. Van ’s morgens halfzes tot ’s avonds heel laat.

de ceraioli en aanhangers verzamelen zich ’s morgens vroeg al bij een van de stadspoorten
na de ceremonie op de Piazza Grande zie je overal in de stad deze beelden: wachten op wat er allemaal nog komen gaat
enig muzikaal vermaak daarbij kan natuurlijk geen kwaad
de jeugd vindt altijd een goeie plek bij het beeld van Sant’ Ubaldo
en ook lopen de ceraioli met hun Ceri apart van elkaar door de stad
waarbij het aanraken ervan een geliefde bezigheid is voor omstanders
en de grote hal van het Palazzo dei Consoli, voor één dag omgetoverd tot een gigantische eetzaal, langzaam weer leegloopt
want om 5 uur begint op de Piazza Grande de processie met het Statua di Sant’ Ubaldo
die in traag tempo door de stad trekt

Maar wat er ’s avonds tussen 6 en 8 uur gebeurt, slaat echt alles. Dan vindt in vier etappes La Corsa dei Ceri plaats. Dan verdienen de inwoners van Gubbio inderdaad hun benaming ‘de gekken van Gubbio’. In een moordend tempo, waarvan je bij het kijken alleen al moe wordt, rennen de Ceraioli, de dragers van de honderden kilo’s wegende Ceri, in elkaar steeds afwisselende groepen door de stad. Waarbij in de laatste etappe zelfs de honderden meters hoogteverschil naar de Basiliek van Sant’ Ubaldo over een slingerend bergpad moeten worden overwonnen. Een prestatie een Olympische  medaille waardig is. Hier een paar foto’s.

de gele ceraioli van Sant’ Ubaldo
de blauwe van San Giorgio
en de zwarte van Sant’ Antonio

Maar bewegende beelden tonen pas echt wat er allemaal gebeurt. Er moet maar eens een keert iets gebeuren met de opnames die levensgezel en ik de hele dag door hebben kunnen maken. Komt wel. Toch nu al nieuwsgierig? Dit zag ik op YouTube. Waar trouwens over de Ceri nog veel meer is te vinden.

En weet je wat nou het interessante is van dit alles? Eenmaal ’s avonds in de basiliek aangeland, worden Ubaldo, Giorgio en Antonio opnieuw gescheiden van hun dierbare Ceri. Om in een veel langzamere processie de omgekeerde weg af te leggen naar hun kerkje in de stad. Waar ze dan weer een jaar mogen doorbrengen bij die heel lief geworden wolf. Terwijl de Ceri tot de 1e zondag van mei volgend jaar boven blijven. Vlakbij de doorzichtige tombe van Sant’ Ubaldo. Waarin hij, ooit bisschop van Gubbio en nu al eeuwen stadsheilige, gebalsemd en wel tevreden voor zich uit ligt te staren.

Sant’ Ubaldo in zijn glazen tombe

Er zijn tradities die ’t waard zijn te blijven bestaan. Zeker als ze zo gezamenlijk beleefd worden, zo emotioneel, zo intens, zo totaal. En ondanks de vele liters Italiaanse wijn ook zo incidentvrij. Een volksfeest in de echte zin van het woord. En dat het nog lang onrustig bleef in de stad? Totaal geen probleem. Oh ja, en op de 1e zondag na 17 mei gaan de adolescenten los met een eigen mini-Ceri. Jong geleerd oud gedaan. Tot volgende week.

TOOS

Als enige Nederlandse kunstenaar in de collectie van het Italiaanse Museo delle “Brocche d’Autore”


de uitnodiging voor de expositie met rechtsonder mijn naam

Drie heiligen en dus ook drie brocche, drie kruiken. Drie brocche van mij, die nu staan te pronken in dat Museo delle “Brocche d’Autore”, het Museum van de “Kruiken Ontwerpers”. Drie brocche gewijd aan Sant’Ubaldo, San Giorgio en Sant’Antonio. Ubaldo,  de beschermheilige van de stad Gubbio, gekoppeld aan de kleur geel. Joris, martelaar en doder van de draak, gekoppeld aan blauw. En Antonius van Egypte, kluizenaar en vader van het kloosterleven, met zwart als kleur. De drie heiligen die elk jaar op 15 mei de hoofdrol spelen in HET feest van Gubbio, de overweldigende Ceri. Met weken van te voren al overal in Gubbio banieren en vlaggen in hun kleuren.

overal in de stad de banieren van de drie heiligen met hun eigen kleuren

Waarbij ze alle drie ook nog eens extra geëerd worden in dat museum waarvoor elk jaar drie uitverkoren kunstenaars naar eigen ontwerp drie aan hen gewijde brocche creëren. En dit jaar ben ik dus één van die drie.

de brocche in wording in het atelier

Maar hoe kwam ik daar? Of beter eerst, hoe kwam ik terecht in Gubbio? Dat verhaal start in de zomer van 2019. Toen werd ik in een tentoonstelling daar gekoppeld aan keramist Giampietro Rampini. Een gouden ontmoeting.

deel van de installatie die Giampietro en ik samen maakten, hij met zijn keramiek en ik met mijn kunst en lange banners

We hadden direct een geweldige klik waardoor ik voor het eerst in mijn leven keramiek ging beschilderen. Borden in eerste instantie. Vier weken lang in het atelier van Rampini Ceramiche d’Arte.

in discussite met Giampietro over een bord dat ik maakte

Daarbij werd ik ook nog verliefd op het prachtige middeleeuwse Gubbio. Pas in 2021 kwam ik er terug. Want weet je nog, 2020 Corona-Rampjaar? Weer voor vier weken. Om nu borden van eigen ontwerp te beschilderen, een ontwerp dat dat door kleitovenaar Daniele Minelli op zijn draaitafel perfect werd uitgevoerd. Want ook Daniele had ik in de tussentijd leren kennen. Weer een jaar later, 2022, ontstond in samenwerking met Giampietro en Daniele mijn ‘UOVO-Project’(zie video). Met als uitvloeisel daarvan die brocche.

Nu terug naar die Ceri. Bij dat eeuwenoude feest spelen drie met water gevulde kruiken een grote rituele en dus symbolische rol. ’t Hoe en wat daarvan komt wel in een volgend verhaal. Die kruiken worden elk jaar, naar een min of meer vaststaand ontwerp, opnieuw gemaakt. Ze worden namelijk in de menigte gegooid. Met andere woorden, heel blijven, nee, dat zit er niet echt in.

de Ceri-ceremonie met de kruiken, iets dat in een volgend blog wel terugkomt

Zo’n twintig jaar geleden ontstond het idee om een link te leggen tussen die drie rituele brocche en de wereld van de kunstkeramiek. Want Gubio kent al eeuwenlang een keramiekindustrie. Dus werden keramiekkunstenaars uitgenodigd om zich op geheel eigen wijze te laten inspireren door de brocche van de Ceri. En ziedaar het Museo delle “Brocche d’Autore”!

bij het museum en de affiche naast de ingang

Dat zich bevindt in hoge arcaderuimten waar bovenop het prachtige Piazza Grande en o.a. het gigantische 14e eeuwse Palazzo dei Consoli zijn gebouwd. Een palazzo dat nu het Museo Civico di Palazzo dei Consoli huisvest. Je moet het totale bouwwerk zien om echt te gaan geloven dat dit al in de 14e eeuw is gebouwd!

een van de ruimten van het museum aan de Via Baldassini in Gubbio
bovenop die arcaderuimten staan onder andere die vier grote bogen op de foto en daar bovenop is dan weer de Piazza Grande gebouwd met de twee palazzi rechts en links (links het Palazzo dei Consoli)

En nu, eeuwen later, staan er dus die drie brocche van mij. Waar ik in een ander verhaal beslist uitgebreider op terugkom.

op de voorgrond mijn brocche, met erachter de kunstenaars, burgemeester en andere belangrijke mensen in Gubbio, die bij de opening aanwezig waren

Wat zou het prachtig zijn geweest als mijn maestro, mijn keramiekleermeester Giampietro Rampini daar bij had kunnen zijn! Maar helaas, ik schrijf het met ontzettend veel pijn in het hart, Giampietro overleed afgelopen maart, aan leukemie. Al hebben we dan effectief maar 3x vier weken samengewerkt, deze unieke, warme, heerlijk chaotische Italiaan met z’n spraakwatervallen vond vanaf het begin gelijk een heel warme plek in mijn hart. En nu was hij er niet bij, bij de opening. Maar mijn brocche heb ik, naast die drie heiligen, als eerbetoon natuurlijk ook aan hem opgedragen.

Giampietro en ik in zijn atelier, hij gekroond met een van de brocche in wording
achter mijn brocche van links naar rechts Giulia (de dochter van Giampietro, die nu het atelier leidt), ik, Rosanna (de vrouw van Giampietro) en Daniele Minelli (de man die mijn brocche draaide in zijn eigen atelier, zie ook de video hierboven)
andere kant van de middelste brocche
nog een paar foto’s van de opening

Zoals ook de hele expositie aan hem is opgedragen. Want Giampietro heeft niet alleen veel betekend voor de keramiekwereld van Gubbio, hij was vanaf het begin sterk betrokken bij het museum en leverde in 2010 zijn eigen bijdrage met drie brocche. Zoals ik dat nu ook doe. En zonder hem zou er nu geen keramiek van mij in Nederland en in Italië te vinden zijn. Giampietro, als er al een keramiekhemel bestaat, hebben ze je daar ongetwijfeld met open armen ontvangen. Tot volgende week.

TOOS

La più illustre Pittrice d’Europa, De meest roemrijke Schilderes van Europa


de binnentuin van Rijksmuseum Twenthe in Enschede
ingang Rijksmuseum Twenthe een kleine twee jaar geleden bij de expositie ‘Artemisia’

“Wat ze daar in het Wilde Westen in het Rijksmuseum Amsterdam doen met vrouwen in de kunst, dat kunnen wij hier in het Verre Oosten, in het Rijksmuseum Twenthe ook. Misschien zelfs beter.” Wie weet hebben ze dat in Enschede wel gedacht over die eindelijk in Amsterdam nieuw opgerichte afdeling ‘Vrouwen van het Rijksmuseum’ en de expositie ‘Vrouwen op papier’ daar (lees vorige week). En dat lukt ze!  Met indrukwekkende tentoonstellingen waarbij ik me afvraag waarom ze dat wel in Enschede voor elkaar krijgen en niet in Amsterdam. Zoals een paar jaar geleden die over mijn grote Italiaanse schildersheld Artemisia Gentileschi (1593-1653) en nu opnieuw met Sofonisba Anguissola (1532-1625). De ‘meest roemrijke schilderes van Europa’, zoals kunsthistoricus Raffaele Soprani haar in 1674 noemde.

de expositie over Sofonisba Anguissola

Niet zomaar bezocht ook de later zo beroemde maar toen nog jonge portretschilder Antoon van Dijck in 1624 de oude Sofonisba in haar woonplaats Palermo. En maakte hij aan de hand van een bij zijn bezoek gemaakte schets later een olieverfportret van haar. 

het portret dat Antoon van Dijck van de oude Sofonisba maakte

Tja, en toen? Het verhaal bij vrouwelijke kunstenaars uit voorbije eeuwen blijft eentonig. Mannelijke kunstgeschiedenis, onderaardse krochten om vrouwelijke kunstenaars in weg te stoppen, aan de academies studieboeken zonder ook maar één vrouwennaam erin, maar nu langzaamaan hun terechte plaats terugkrijgend. Zoals bij Sofonisba Anguissola. Een zeer getalenteerd kunstenaar met een zeer bijzonder leven. Maar dat komt zo.

zelfportretje (doorsnee 13 cm) van Sofonisba ca. 1556

Ik kwam haar naam en foto’s van haar schilderijen pas ergens rond 2000 voor het eerst tegen, noemde haar naam ook al wel in dit blog, maar zag pas voor het eerst werk van haar in het echt in 2019. In het Gentse Museum voor Schone Kunsten. Bij de expositie ‘De dames van de barok’. En nu is er dan in Enschede de eerste solotentoonstelling in Nederland rond haar werk en leven: ‘Sofonisba Anguissola, Portrettist van de renaissance’. Met daarin zelfs de helft van haar totale oeuvre. Ten minste, het nu bekende oeuvre. Maar dat wordt nog wel een ander verhaal Een prestatie van formaat en de reis naar Rijksmuseum Twenthe beslist waard.

foto van een deel van de expositie

Een expositie die uitgebreid haar hele leven toelicht aan de hand van haar schilderijen. Met voor mij bekende maar ook onbekende werken.

Bovenstaande is heel bekend. Het familieportret met drie van haar zussen. Waaruit ook direct blijkt dat Sofonisba uit een redelijk welgestelde, zelfs adellijke familie kwam. Kijk maar naar de kleding, naar het schaakbord en de bediende rechts. Aan opleiding ontbrak het haar dan ook niet. Helemaal volgens de normen van die tijd moest ze clavichord leren spelen, leren dansen en ook leren schilderen. Nou, talent voor dat laatste had ze dus wel.

zelfportret aan het clavichord
zelfportret om aan te tonen hoe goed ze kan schilderen
detail van het schilderij dat ze schildert op bovenstaand zelfportret

Haar leraar Bernardino Campi nam zelfs de moeite om zijn leerling te schilderen in combinatie met zijn eigen zelfportret. Een hele eer natuurlijk.

Sofinisba’s roem reikte al snel heel ver. Zelfs tot in Spanje. Waar ze door koning Philips II, ja, inderdaad die van onze Tachtigjarige Oorlog, gevraagd werd om hofdame en lerares te worden. Van zijn pas 14-jarige toekomstige en derde vrouw Elisabeth van Valois. Daarbij werd ze ook gelijk een soort onofficiële koninklijke hofschilder. Want officieel? Dat was alleen voor mannen! Logisch! In die functie kreeg ze het leuke jaarsalaris van 100 dukaten. Maar haar vader Amilcare kreeg, zelfs tot aan zijn dood, een jaarlijkse uitkering van 200 van die dingen. Ach ja, verschil moet er zijn. De huidige handel in voetballers lijkt er niks bij.

portret van haar vader Amilcare met een van haar zussen en de zoon en erfgenaam die uiteindelijk toch nog werd geboren
detail

Sofonisba heeft dus ook heel wat hovelingen geportretteerd. Zoals die van de twee dochters Catharina en Isabella (later landvoogdes van de Zuidelijke Nederlanden) van Philips en Elisabeth.

rechts Infanta Catharina Michaella en links Infanta Isabella Clara Eugenia, rond 1573

En ook een van de machtige Philips zelf trouwens. Schilderijen die ze vaak niet signeerde. Wat later tot heel wat problemen heeft geleid bij toekenning van schilderijen van haar aan anderen. Mannen natuurlijk!

Sofonisba Anguissola, Portret van koning Philips II (1573), niet aanwezig op de expositie

Veertien jaar lang was ze hofdame. Daarna trouwde ze met toestemming van Philips II met een Siciliaanse graaf. Die dan weer vijf jaar later op zeereis naar Spanje verdrinkt bij een piratenaanval. Waarna, weer later, Sofonisba op een zeereis van Sicilië naar Livorno straalverliefd wordt op de kapitein. Een liefde die wederzijds was. Oef! Én lager van stand én 17 jaar jonger, die kapitein. Zelfs de toenmalige De Medici-heerser van Toscane zag dat niet zitten. Maar ze zette door en, kort samengevat, ze leefden nog lang en gelukkig. Waarbij ze bleef schilderen tot haar ogen daarvoor te slecht werden.

nog een paar schilderijen die op de expositie worden getoond
enkele meer religieus getinte schilderijen die ze op latere leeftijd maakte
detail van het rechtse schilderij

Tot volgende week.

TOOS

Rijksmuseum Amsterdam raakt aan de Vrouw


Haakjes zijn heel handig, je kunt er van alles aan ophangen. Bijvoorbeeld ook blogafleveringen. Het haakje deze week? Maria van Oosterwijck (1630-1693) van vorige week. Één van die vrouwen die in de donkere krochten van de mannelijke kunstgeschiedenis waren opgeborgen, maar nu weer langzaam in het licht komen. Een niet te stuiten trend waarbij het Amsterdamse Rijksmuseum voor het goede fatsoen wel moest aansluiten. Gevolg? Sinds 2021 zowaar de nieuwe, door geurtjes en modebedrijf Chanel gesponsorde, onderzoeksafdeling ‘Vrouwen van het Rijksmuseum’. Met daardoor eindelijk zelfs ook een paar Nederlandse vrouwen in de Eregalerij tussen onze grote 17e eeuwse mannen (ik schreef er hier al eens over). En zowaar ook nog een aparte expositie ‘Vrouwen op Papier’ (nog tot 30 mei)

Een tentoonstelling die, jammer genoeg, wel door het hele museum verspreid is. Je moet echt van hot naar haar crossen om de vijf kleine kabinetten te vinden waar de uit de duistere archiefkelders opgedoken vrouwen nu weer het licht mogen zien. Gedimd licht, dat wel. Het gaat ten slotte om werken op papier.

Wat je van al dat gezoek en gecros wel leert is hoe gigantisch groot ons Rijksmuseum is, hoe ontzettend veel kunst er hangt en hoeveel trappen en trapjes je nodig hebt om die kabinetten te vinden. Met daarin voor mij zowel bekende als onbekende namen. Als bekende bijvoorbeeld Thérèse Schwarze (1851-1918).

zelfportret van Thérèse Schwarze bij ‘Vrouwen op papier’

Laat ik hier over haar nou nog niet zo lang geleden hebben geschreven! Op de foto hieronder hangen twee pastel s van Schwarze. Werken op papier dus. Links één met zo’n opdracht-societyportret waarmee ze destijds bakken geld verdiende, rechts een portret van haar, ook al kunstzinnige, nichtje Thérèsia Ansingh dat recent is aangekocht.

beide portretten nog apart

Want dat hoort natuurlijk ook bij die Rijksmuseale  inhaalslag, werk aankopen van vrouwelijke kunstenaars die al veel te lang zijn genegeerd. Of, zoals dat in verhullend museumjargon heet: ‘De vaste presentatie van het Rijksmuseum geeft een beeld van de cultuur van Nederland door de eeuwen heen. Deze geschiedenis kan bekeken worden vanuit verschillende perspectieven, zoals gender. Vooralsnog voert het perspectief van de witte heteroseksuele Nederlandse cisman de boventoon. Daarom heeft het Rijksmuseum zich voorgenomen grotere zichtbaarheid aan vrouwen te geven in de collectie en de presentatie. Diversiteit en inclusiviteit vereisen het stellen van nieuwe vragen vanuit een ander gezichtspunt. Daarop ligt in dit onderzoeksprogramma de nadruk.’

Daardoor zijn er de laatste tijd meerdere werken van vrouwen aangekocht of in langdurige bruikleen gekregen. Zoals dit schilderij ‘Pietje-Lezend meisje’ van Suze Robertson. Hé, zag je dat niet ook al in mijn verhaal over haar expositie in Panorama Mesdag?

Suze Robertson, Pietje-Lezend meisje, nu in langdurige bruikleen bij het Rijksmuseum

Ja dus! Ze zijn echt wakker geschud, daar in Amsterdam. Maar ik blijf ’t merkwaardig vinden dat ze niet uit zichzelf de oogjes open hebben gedaan. Zo’n groot instituut met zoveel curatoren! En dan pas sinds een paar jaar!

Terug naar de ‘Vrouwen op Papier’. Met ook echte verrassingen. Ooit gehoord van de Utrechtse Magdalena de Passe (1600-1638) of de Antwerpse Barbara van den Broeck (1560-1631/36)?

Magdalena de Passe, detail van ‘De vuurtoren van Alexandrië'(naar een werk van Maarten de Vos), door haar gemaakt op 14-jarige leeftijd
Barbara van den Broeck, Het Laatste Oordeel (naar een schilderij van haar vader Crispijn van den Broeck)
detail

Ik niet in ieder geval. Beiden dochters van vaders die al prentkunstenaar waren en beiden dus opgeleid in de familie-ateliers. Maar beiden ook zeer talentvol, zo blijkt wel in de kabinetten die aan hen zijn gewijd. Die Barbara heeft na de val van Antwerpen in 1585 blijkbaar ook nog een poos in mijn eigenste Middelburg gewoond. Hoe, waar, ik kan het nergens vinden.

Barbara van den Broeck, Venus en Adonis

Magdalena was in haar korte leven zeer gekend. Maar daarna? In haar laatste jaren maakte ze een aantal prenten bij de mythologische verhalen in De Metamorfosen van de Romeinse schrijver/dichter Ovidius. Pas 40 jaar later werden die gebruikt in een boekuitgave met prenten van meerdere kunstenaars. Bij haar zonder naamsvermelding . Ook toen bestonden die donkere vrouwenkrochten dus al.

Magdalena de Passe, detail van ‘Salmacis en Hermaphroditus (naar Jacob Pynas)
Magdalena de Passe, combinatie van proefdruk en uiteindelijke resultaat
De Metamorfosen met werken daarin die niet aan Magdalena werden toegekend
Gesina ter Borch, zelfportret

Dan toch ook nog even de niet zo bekende Zwolse Gesina ter Borch (1631-1690), tweede kind uit het derde huwelijk van schilder Gerard ter Borch I en halfzus van schilder Gerard ter Borch II (1617-1681). Kind dus uit een bekend schildersgeslacht waar kunst met de paplepel werd ingegoten. Een zeer talentvolle vrouw die niet echt naar buiten kwam met haar kunstuitingen.

Gesina ter Borch, de afbeelding die gebruikt is als uithangbord voor ‘Vrouwen op papier’

Maar het Rijksmuseum bezit zo’n duizend bladzijden van het door haar gekoesterde persoonlijke en familie archief. Geef ze ongelijk dat ze dat willen laten weten. Echt de moeite waard.

Gesina ter Borch, Nachtstuk (echtpaar lopend achter een vrouw met een lantaarn)
Gesina ter Borch, tekening

Dat Gesina  met haar halfbroer ook nog heeft meegeschilderd aan een aantal olieverfschilderijen op doek wordt jammer genoeg niet getoond. Papier, hè! tot volgende week.

TOOS

Hebben Vermeer en mijn Holsteinse stamvader elkaar misschien ooit ontmoet?


links een deel van Museum Prinsenhof en erachter de Oude Kerk van Delft

Heb je het over Vermeer, dan heb je ’t over Delft.  Maar de Van Holstein’en verbinden met Delft? Dat ligt niet echt voor de hand. Toch bleek wat jaartjes geleden onze stamvader daar vandaan te komen. Een complete verrassing! En persoonlijk heb ik met hem zelfs nog een extra klik. Verf! Dus toen ik dit tapijt bewonderde op ‘Het Delft van Vermeer’ in Museum Prinsenhof aldaar, ging door me heen ”t zal toch niet dat ….?’’.

Oké, eerst alles op een rijtje. Die ‘wat jaartjes geleden’ zocht een mij onbekende Van Holstein me op in mijn atelier. Hij had onderzoek gedaan naar de familiegeschiedenis. En wat bleek? Tweede helft 17e eeuw belandde er in Delft een arbeidsmigrant uit de Duitse streek Holstein. Die dus logischerwijs ‘van Holstein’ werd genoemd. Een man met als beroep verver. Voor mij persoonlijk te gek natuurlijk. Stel je overigens niet te veel voor bij dat toen gore en slecht betaalde beroep. Verfbaden maken, weefsels erin onderdompelen en gratis genieten van bijbehorende stank. Maar bij dat in Vermeers tijd in Delft gemaakte tapijt waren natuurlijk wel ververs betrokken geweest. Vandaar ”t zal toch niet dat ….?’’. Zouden misschien de Delftse wegen van Vermeer en die eerste Van Holstein elkaar ooit hebben gekruist? Een intrigerende gedachte!

videoprojectie in de eerste zaal van de expositie

Terug naar ‘Het Delft van Vermeer’. Waar overigens geen schilderij van Vermeer valt te bekennen. Want die hangen nu allemaal in het Rijksmuseum bij de blockbuster ‘Vermeer’ die ik hier beschreef. Maar in dat eeuwenoude Prinsenhof hebben ze een mooi aanvullende expositie om hem heen gebouwd. Over de wereld waarin Vermeer leefde.

een van de andere zalen van ‘Het Delft van Vermeer’

Want met een Delftse herbergier en kunsthandelaar als vader, met een schildersopleiding in de stad en met zijn lidmaatschap van het Sint-Lucas gilde voor kunstenaars en kunstambachtslieden stond hij daar natuurlijk midden in het leven. Wat bijvoorbeeld wordt aangetoond aan de hand van allerlei originele documenten.

nummer 78: Johannes Vermeer

Zoals zijn inschrijving in de ledenlijst van het gilde, een notariële akte die toont dat Vermeer en zijn vrouw 200 gulden leenden van iemand, de inboedelbeschrijving van hun huis toen Vermeer overleed, enz. In dat laatste document wordt bijvoorbeeld een schilderij beschreven dat best wel eens onderstaande heeft kunnen zijn.

een kopie van de ‘Gekruisigde Christus’ van jacob Jordaens, met vaag rechts ernaast dat schilderij opgenomen in ‘Allegorie op het geloof’ van Vermeer

Een kopie van het veel grotere ‘Gekruisigde Christus’ van de Vlaming Jacob Jordaens. En waarom is dat interessant? Omdat Vermeer het gebruikte op de achtergrond van zijn ‘Allegorie op het geloof’ dat op de foto groot achter het schilderij geprojecteerd is op de muur. Kijk maar eens goed. Echt inventief gedaan. Waar die Allegorie werkelijk hangt?  Één keer raden!

Verdere bijzonderheden? Een schilderij van Pieter de Hooch (1629-1684). Ze kenden elkaar vast, Pieter en Johan, van de jaren dat De Hooch in Delft woonde. Want ook De Hooch schilderde regelmatig huiselijke taferelen. Waarin net als bij Vermeer die zwart-witte perspectivische tegelvloeren een rol spelen. Vloeren die daar vermoedelijk helemaal niet thuishoren. Maar dat is een ander kunstverhaal.

huiselijk tafereel van Pieter de Hooch

En dat Vermeer niet de enige was die een stadsgezicht van Delft heeft gemaakt, wordt ook wel duidelijk. Maar om te beseffen dat Vermeers beroemde ‘Gezicht op Delft’ er absoluut boven uitsteekt, hoeft dat er echt niet naast te hangen.

een viertal stadsgezichten van Delft
HET stadsgezicht ‘Gezicht op Delft’ van Vermeer, nu nog in het Rijksmuseum, straks weer in het Mauritshuis

Ik kwam zowaar nog werk van een vrouwelijke kunstenaar tegen.

rechts een zelfportret van Maria van Oosterwijck, links een bloemstilleven van haar, het genre waarmee ze beroemd werd

Van Maria van Oosterwijck (1630-1693), over wie ik hier al eens schreef. Je weet wel, één van die vrouwen die volstrekt onterecht in de loop van de eeuwen in de donkere vrouwenkelders van de mannelijke kunstgeschiedenis verdween, maar nu gelukkig weer het licht mogen zien. Wat bleek? Maria van Oosterwijck heeft ook nog een poosje in Delft gewoond, een voor mij onbekend feitje. In de annalen van het Sint-Lucas gilde komt ze natuurlijk niet voor. Een vrouw lid van zo’n gilde? Kom op zeg, de wereld was ook toen blijkbaar al gek genoeg.

nog een paar foto’s van ‘Het Delft van Vermeer’
schilderij van Jan Steen, die ook een poosje in Delft heeft gewoond

Omdat we toch in Delft waren, troonde levensgezel me nog mee naar ‘zijn’ Oude Langendijk, vlak bij de Markt. Hij had zijn reden. Een lichte frustratie zelfs. Want in zijn iets jongere jaren heeft hij daar een poosje gewoond in het oude pand op nummer 7. Boven de Jamin-winkel die er toen nog zat. En wat is nu gebleken uit de jongste historische onderzoeken. Vermeer had zeer waarschijnlijk zijn atelier in de voorkamer op de eerste etage van Oude Langendijk 25. Waar zijn gezin inwoonde bij zijn rijke schoonmoeder.

Oude Langendijk 25, het huis met de rode ramen, dat in de loop dereeuwen overigens aardig is verbouwd
nog eens de Oude Langendijk 25, rechts van dat iets teruggelegen kleine poortje (een prent uit 1856)

Op dus maar een steenworpafstand van nummer 7. En dat heeft levensgezel destijds nooit geweten! Maar ja, nu is iedereen Vermeer-gek, destijds niet. Dus staat er op de plek van het al lang afgebroken Sint-Lucas gilde gebouw aan de Voldersgracht nu het nieuwe Vermeercentrum. Voorzien van een soortement historiserende gevel gebaseerd op die van het oude gildegebouw.

Met binnenin een Vermeer-koopkermis plus zaal  waar kopieën  van alle Vermeer-schilderijen te zien zijn. Tegen betaling natuurlijk. Tot volgende week.

TOOS

De Onnavolgbare Hersenkronkels van Escher in ‘Escher-Andere wereld’


de kop van Escher, nagebouwd met houtblokjes, bij de ingang van de expositie ‘Escher-Andere wereld’

Van Saint-Paul-de-Vence (zie de vorige aflevering) naar Den Haag. Van restaurant La Colombe d’Or met Picasso naar het Kunstmuseum met Escher. Via mijn kunstenaarsslogan ‘for me art is travelling the mind’ een stap van niks natuurlijk. Dus liep ik vlak voor Pasen rond bij ‘Escher-Andere wereld’. En ik zeg het nu al vast, een absolute aanrader. Nog tot 10 september.

Wie kent de kunst van Maurits Cornelis Escher (1898-1972)niet! De man van die onnavolgbare en onbestaanbare ruimtelijke hersenspinsels. Met prenten waarin water uit zichzelf omhoog stroomt. Logisch toch? Waarin personen gelijktijdig zowel naar boven als naar beneden bewegen. Best handig. Waarin vogels al vliegend veranderen in huizen of vissen. En nog zo een en ander wonderbaarlijks.

Escher en zijn kunst, wereldwijd bekend. Zondermeer thuishorend in het Nederlandse kunststerrenrijtje Rembrandt, Vermeer, Van Gogh en Mondriaan. Echt zo’n kunstenaar waarvoor je verplicht bent een expositie te gaan plannen als er een mooi getal aan zit te komen bij geboorte of overlijdensjaar. Nou, trek Eschers geboortejaar 1898 af van 2023 en je houdt 125 over. “Bingo”, dachten ze bij Kunstmuseum Den Haag, “we bezitten niet voor niks de grootste collectie ter wereld van zijn kunstwerken”. Dat werd dus ook maar gelijk een tentoonstelling in tweevoud. Want aan het chique Lange Voorhout staat namelijk al het museum ‘Escher in het Paleis’. Met sinds 2002 een permanente expositie over hem.

Goed idee natuurlijk, daar in het Kunstmuseum. Want succes verzekerd bij zo’n tentoonstelling. Dat bleek wel in 2018 bij ‘Escher op reis’ in het Fries Museum in Leeuwarden, Escher’s geboortestad. Bijna 260.000 bezoekers, nog nooit gebeurd! Omdat ik destijds in Leeuwarden heb bijgedragen aan dat record was ik natuurlijk heel benieuwd naar ‘Escher-Andere wereld’. Zou die voor mij nog wat kunnen toevoegen? Want van Escher hebben al heel wat afbeeldingen op mijn netvlies gestaan.

een aantal prachtige werken van Escher uit de periode dat hij in Italië woonde, zoals Scilla, Calabria (1931), houtsnede
Castrovalva, Abruzzi (1930) steendruk
studie voor Morano ,Calabria (1930), potlood op papier
de uiteindelijke houtsnede Morano, Calabria (1930)

Ik was zelfs extra nieuwsgierig, want in Den Haag waren ze meegegaan in zo’n museumhype van de laatste jaren. Vraag hedendaagse kunstenaars om zich te laten inspireren door het werk van een overleden collega en voeg hun bedenksels toe aan de expositie. Voor mij tot nu toe eigenlijk altijd een sof, die hype. Vaak slechte kunst, voegt niks toe, doet alleen afbreuk.  Nu hadden de expositiesamenstellers het Belgisch kunstenaarsduo Gijs van Vaerenbergh gevraagd om op Escher geïnspireerde ruimtelijke elementen te bedenken. En dat hebben die twee echt goed gedaan!

de foto die ik in 2005 maakte in de Mezquita in Còrdoba
Escher, La Mezquita Còrdoba (1936), krijt en inkt op papier

Zoals hierboven bijvoorbeeld bij die zuilen en bogen die gelijk doen denken aan de Mezquita in Cordoba. De al veel oudere moskee waarin tijdens de middeleeuwen een kathedraal is ingebouwd. Escher heeft daar heel wat inspiratie opgedaan. Iets dat ik me heel goed kan voorstellen omdat ik er in 2005 ook ademloos heb rondgelopen.

Net zoals trouwens ook in het Alhambra in Granada. Daar waar Escher al veel eerder voetstappen had liggen en door de abstracte motieven op de tegelmuren heel veel ideeën opdeed voor zijn latere Metamorfosen.

een foto uit 2005 in het Alhambra
links, Regelmatige vlakverdeling met beesten (1959), inkt, plakkatverf en potlood op papier
nog zo’n studie van Escher

 Hier nog een paar voorbeelden van de toevoegingen van dat duo Gijs van Vaerenbergh, de architecten/kunstenaars Pieterjan Gijs en Arnout van Vaerenbergh.

Escher werkte graag met spiegelingen en optische vervormingen
eindeloos doorlopend
de trappen en bogen van Escher
of ook weer zo’n eindeloos doorlopende constructie

Maar Escher heeft natuurlijk de echte hoofdrol. En hoe! Het Kunstmuseum heeft inderdaad echt een heel grote collectie van hem. Waarin niet alleen zijn bekende houtsneden, houtgravures en steendrukken, maar ook studies en originelen. Hier een heel kleine selectie.

de voorstudie en de uiteindelijke versie van deze overbekende print van het schijnbaar uit zichzelf omhooglopende water
zo’n Metamorfose van Escher in twee uitvoeringen waarvan de rechter met kleur

’t Bleek zelfs dat Escher ook nog een paar houtsneden van Delft had gemaakt. Die met daarop de Nieuwe Kerk deed me ineens beseffen dat ik ook nog ‘Het Delft van Vermeer’ in museum Prinsenhof (tot 4 juni) van mijn lijstje moest schrappen.

Escher, Delft Nieuwe Kerk (1939), houtsnede

Ook nog op naar Delft dus! En die Escher expositie in het paleis aan de Lange Voorhout dan? Die is permanent. Terwijl de speciale expositie daar over Escher’s leermeester en goede vriend Samuel Jesserun de Mesquita nog duurt tot begin oktober. Komt goed dus! Tot volgende week.

TOOS

Een ReisKunst-aflevering, óftewel St.Paul en de Kunst van het Leven 


Terwijl levensgezel vorige maand in de Rue Grande deze foto maakte, flitste door mij heen “dit wordt een nieuwe ReisKunst-aflevering “. Die serie nogal onregelmatig verschijnende verhalen over schilderijen die ik maak(te) en die gekoppeld zijn aan plekken op onze aardbol waaraan ik op mijn reizen inspiratie ontleen(de). Zoals bijvoorbeeld dat verhaal over het Jordaanse Petra en de voetjesvrijende Arabier. Of dat over de Cisterciënzer monniken en hoe te knielen op een harde grafsteen. Om maar een paar uit die reeks aan te halen.

Maar wat dan onderstaand drieluik te maken heeft met de Rue Grande in Saint-Paul-de-Vence en dat restaurantje La Terrasse Panoramique op de foto? Nou, niks met de fysieke omgeving zelf, maar wel alles met de energie en de inspiratie die ik er daar gratis bij kreeg.

De uitleg? Een eitje! In 1994 heette dat restaurantje nog Abacadabra. En die toverspreuk heeft gouden eieren doen leggen. Want toen ik in maart van dat jaar binnenstapte met, in mijn beste schoolfrans, de vraag “weet iemand waar ik hier voor een paar maanden een werkruimte kan huren” antwoordde eigenaresse Sophie Kerfanto gelijk met “ja hoor, bij mij hierboven op zolder”. Dat was dus snel geregeld. En dat terwijl ik diezelfde dag pas Saint Paul had ontdekt. Over impulsief gedrag gesproken! Oh ja, ik moest nog wel zelf een bed en een tafel regelen. Nog ontbrekende elementen op dat zoldertje. Ach, als je in zo’n voortvarende stemming bent, is dat vanzelfsprekend ook maar een eitje.

recht boven op de bovenste verdieping, boven het uitstekende terras, de twee ramen van ‘mijn’ zoldertje

Twee weken later kwam ik vanuit Nederland opnieuw Saint Paul binnen. Nu in mijn auto volgeladen met vooral schilderspullen. Drie maanden lang heb ik er gewerkt als een gek. Was ik één bonk energie. Heb ik aan de Côte d’Azur vrienden gemaakt voor het leven. Maakte ik contact met galerie Quadrige in Nice waarmee ik nog steeds samenwerk. Had ik een jaar later een expositie in Saint Paul. En verwierf ik in 1997 mijn atelier/appartement in Nice.

op de achtergrond het Palais de Venise met daarin mijn atelier/appartement en voor de dagelijkse markt

Indirect is dat drieluik van 200 bij 270 cm gelinkt aan dit alles. ’t Is eigenlijk mijn levensverhaal. Geschilderde op losse stukken ongeprepareerd linnen, telkens afzonderlijk opgespijkerd op de binnenkant van de deur van mijn zolder bij Abacadabra. Die deur was net groot genoeg.

Om links te beginnen. Daar sta ik dan als puber, schuchter, mijn vrouwelijkheid ontdekkend, de jonge vrouw die de stap naar de academie gaat maken. Met daarop volgend de turbulentie van het leven, het ingewikkelde doolhof naar de volwassenheid doorlopend, de vragen beantwoordend ‘wie ben ik’ en ‘wat wil ik’. En dan is daar, op echt volwassen leeftijd, de vrouw die zich als kunstenaar bloot durft te geven, die een grotere grip op het leven heeft. Dat drieluik heeft al snel een heel mooi onderkomen gekregen.

Hetzelfde verhaal heb ik een aantal jaren later nog eens in zo’n drieluik verbeeld.

het tweede drieluik, met de naam Specchio, Italiaans voor spiegel

Maar nu op geprepareerd linnen en net iets breder dan het eerste: 200 bij 290 cm. Dat kunstwerk heb ik voorlopig nog voor mijzelf gehouden. Te dierbaar . Vanwege dat verhaal van de tuindersdochter, wroetend met handen en voeten in pappa’s donkere aarde, naar die kunstenaar met een atelier aan de Côte d’Azur. Een drieluik vol symboliek over zowel de puzzel van het leven als de kunst van het leven.

Die impulsieve daad, mijn gezellige Abacadabra zoldertje, de kunstzinnige ambiance van Saint-Paul-de-Vence, dat alles heeft me veel gegeven. Vandaar dat ik er van tijd tot tijd graag als een soort bedevaartganger terugkeer. Om in de zon te mijmeren op de wallen van de middeleeuwse stad. Of een pilsje te drinken op het befaamde terras van Café de la Place.

afgelopen maart Café de la Place, met het jeu de boule op de achtergrond
of om een steentje te leggen op het graf van Chagall, die het laatste deel van zijn leven in Saint-Paul woonde

Of om dus, zoals ik vorige week beschreef, eindelijk eens te gaan eten bij het beroemde La Colombe d’Or. Omringd door wereldberoemde kunstenaars. Die vroeger wel vaak bij de Colombe hebben overnacht, maar lekker nooit op dat zoldertje van mij bij Abacadabra. Oh zo! Tot volgende week.

TOOS

La Colombe d’Or, geen sterren op het bord maar aan de muur, het vervolg


Toos, kreeg ik als vraag  vanwege mijn blog vorige week over dat fameuze La Colombe d’Or in Saint-Paul-de-Vence, is ’t niet vreselijk duur, dat restaurant? Nou, goedkoop is anders, maar duur? Valt verhoudingsgewijs best mee, zeker bij de lunch. Want sterren op de kaart hebben ze er niet, die hangen ze liever aan de muur! Hiernaast een pagina van de zeker borsthoge menukaart met heel grote letters. Bril vergeten? Geen probleem. Verwacht geen culinaire hoogstandjes. De ambiance, daarom draait ‘t. Maar dat levensgezel en ik een wel  zeer speciale ambiance cadeau kregen? Met restaurant plus alle grote kunststerren aan de muren echt helemaal voor ons zelf? Onverwacht en buitenissig. Oké, hoe dat kwam.

Ik had ’s morgens gereserveerd toen bleek dat de bussen naar Saint-Paul als spijsverandering zomaar weer een keertje een dag wel reden. De pensioenleeftijd-stakingen, weet je wel! Een reservering om 13 uur pour deux dans la salle, voor twee in de zaal. Komen we daar, willen ze ons in de al behoorlijk volle en rumoerige tuin plaatsen. Want die hebben ze daar ook. Met zelfs meer plaatsen dan binnen.

van binnenuit bij ons raam de tuin buiten

Non, mais non, wij willen absolument binnen zitten. Kunst, weet je wel, en Saint-Paul-de-Vence nostalgie. ’t Kostte enige overredingskracht maar uiteindelijk werden we toch geëscorteerd naar de zaal. Toen bleek waarom ze ons liever buiten hadden. Er zat echt HE-LE-MAAL NIE-MAND! Blijkbaar verkeerden de gasten liever buiten in het heerlijke lentezonnetje. Ook makkelijker natuurlijk voor de obers. Die hoefden dan niet elke keer voor alleen die twee stomme Hollanders de zaal in. Begrijpelijk, maar daar gingen we dus niet in mee. Wij wilden de kunst zien en ook fotograferen.

zeg nou zelf, toch wel een heel bijzonder ambiance met alle kunst voor ons zelf

Dat werd dus een makkie. Niks geen gedoe met geschuifel tussen bezette tafeltjes door, niks geen gedoe met anderen lastig vallen. Het omgekeerde gebeurde zelfs. Want soms kwamen er even gasten om de hoek kijken. Die ons dan van verre toch maar even vriendelijk toeknikten, snel vanuit de deuropening de muren scanden om gelijk weer te verdwijnen. Dat stel daar aan de tafel bij het raam was blijkbaar wel speciaal, daarvan kon de serene rust niet zomaar verstoord worden! Maar goed ook, zo konden we met onze neuzen lekker lang overal  bovenop staan.

rechts het kenmerkende werk van César in La Colombe d’Or

Zoals bij deze ‘César’ die ik vorige week al liet zien. Een betaling voor regelmatig eten en verblijven in La Colombe. Zijn tijdgenoten en kunstvrienden Arman (1928-2005) en Yves Klein (1928-1962), beiden echte Niçois, leek dat ook wel wat.

links Arman in La Colombe d’Or
nog meer van Arman in La Colombe d’Or
links werk van Yves Klein, rechts van Alexander Calder in La Colombe d’Or

Dat ze alledrie beroemd zijn geworden en wereldwijd in musea hangen, staan en liggen? Dat zegt wel iets over de kunstcollectie in La Colombe. Want waar vind je ook zomaar een mobile, zo’n uiting van kinetische kunst, van de Amerikaan Alexander Calder (1898-1976) bij een zwembad? Daar dus. En dat hij er kind aan huis was blijkt wel uit zijn diverse giften die binnen hangen.

de mobile van Alexander Calder bij het zwembad van La Colombe d’Or
nog even die leegte

Net zoals ook een echte verrassing, een ‘Masson’! Van surrealist André Masson (1896-1987). Niet alleen vriendje van Dali maar ook een kunstenaar waarvan Jean-Paul Aureglia van ‘mijn’ galerie Quadrige in Nice een aantal jaren geleden een kunstboek heruitgaf. Omdat Masson nog had samengewerkt met Pierre Cottalorda, de oude galeriecompaan van Jean-Paul. Die goeie ouwe Pierre, al een aantal jaren geleden gestorven, maar nog steeds met een warme plek in mijn hart. Zo’n ‘Masson’ daar plotsklaps in de Colombe, dat deed me dus wel wat.

bij het typisch surrealistische werk van André Masson in La Colombe d’Or

Zoals trouwens ook al die anderen.

voorstudie van Fernand Léger voor zijn mozaiek in de tuin van La Colombe d’Or
dat mozaiek van Léger in de tuin
werk van Raoul Dufy in La Colombe d’Or
Hans Hartung

En dan is dat alles nog maar een deel van de verzameling. Want de hotelgangen en kamers zijn blijkbaar ook niet onaardig behangen. Maar ja, kamers vanaf zo’n €300 per nacht? Mwah! Maar zeg nooit nooit, zei de gek. Want ’t is natuurlijk wel een plek met een gigantische kunst en filmgeschiedenis. Dat het fameuze Franse filmkoppel Yves Montand en Simone Signoret elkaar daar voor ’t eerst zag en er ook trouwde? En dat als je de gigantische bronzen duim van César passeert bij de uitgang je gelijk kunt oversteken naar het ook al zo fameuze Café de la Place met de al even beroemde jeu de boule baan? Dat wordt vast nog eens een ander verhaal.

de bronzen duim van César bij de in/uitgang van La Colombe d’Or
op het terras van Café de la Place tegenover La Colombe d’Or

Oh ja, en dan toch nog even dat toeval en kansen pakken van vorige week. Stel dat de burgemeester van Saint-Paul-de Vence in 1872 niet de vooruitziende blik had gehad om de wallen van het stadje voor welgeteld 400 Franse francs te kopen van de Franse regering die deze wilde afbreken om de losse stenen te verkopen.

Saint-Paul-de-Vence met de nog omringende, behouden gebleven verdedigingswal

Dan zou alles er absoluut onaantrekkelijker hebben uitgezien. En zou dan de Colombe op deze manier …..? Vul zelf maar in. Tot volgende week.

TOOS

Een vorkje prikken tussen een Picasso en Braque in? Op naar La Colombe d’Or in Saint-Paul-de-Vence.


La Colombe d’Or in Saint-Paul-de -Vence

Toeval overkomt je, bijbehorende kansen pakken doe je zelf en de gevolgen kun je niet voorspellen. Zogezegd de kunst van het leven. Bij toeval ontdekte ik in 1994 Saint-Paul-de-Vence (lees deze blogaflevering). Dat ik er drie maanden bleef was ‘de kans pakken’. Maar als ik dat niet had gedaan, zouden levensgezel en ik dan recent aan een Franse lunch hebben gezeten in restaurant La Colombe d’Or? Met boven zíjn hoofd een ‘Picasso’ en boven mij een ‘Braque’. Die we ook nog eens niet hoefden te delen met andere gasten. We hadden ze gewoon helemaal voor ‘ons eigen in ons uppie’!

de ‘Picasso’
de ‘Braque’

Maar stel nou eens dat Paul Roux, in 1931 grondlegger van herberg La Colombe d’Or, niét goed had kunnen opschieten met al die vreemde vogels van kunstenaars? Zouden die Picasso en Braque daar dan ook hebben gehangen? En die Matisse, Chagall, Miró? Of die Léger, César, Calder en Armand? Om van Masson, Delaunay en Dufy maar niet te spreken. La Colombe d’Or, een restaurant als museum waarbij heel veel musea de vingers verlekkerd af zouden likken.

de leegte rondom ons met achterin rechts werk van Miró en links van André Masson

Wel eens gehoord trouwens, van La Colombe d’Or? In het beroemde kunststadje Sain-Paul-de-Vence in het achterland van Nice? Misschien wel, misschien niet. Maar straks in mei tijdens het bekende Filmfestival van Cannes zoeven de limousines er weer af en aan. Om allerhande filmvolk uit te laden dat daar champagne gaat nippen. En, net als wij dus, vorkjes gaat prikken. Te midden van die ongelooflijke kunstverzameling. Wie dit jaar Brigitte Bardot, Jean-Paul Sartre, Orson Welles, Sophia Loren en Sean Connery gaan opvolgen? Geen idee. Maar beroemde namen zullen zich weer aaneen rijgen. Want de Colombe is nog steeds heel hot.

achter levensgezel een ‘Léger’ op de muur

Zij zullen ongetwijfeld wel een volle eetzaal aantreffen en niet onze setting. Met vaak direct zicht op al die genoemde kunstenaars. Een zeldzame ervaring, een kick!! Hoe dat zo kwam? Komt straks. Eerst dat verhaal van La Colombe d’Or. Ook zo’n verhaal van toeval en kansen pakken.

ook nu, na de lunch in La Colombe d’Or, op de remparts (de wallen) even lekker in de zon bijkomen van alle kunstemotie

Ooit, heel lang geleden, want zo beginnen zulke sprookjes altijd, opende Paul Roux in 1920 het café ‘A Robinson’. Vlak voor de toegangspoort in de eeuwenoude ommuring van het stadje. De wallen waarop ik heel wat voetstappen heb liggen, heel wat uurtjes in de zon heb gezeten en waarover ik in 1994 als tijdelijk inwoner zelfs met mijn auto rondjes mocht rijden.

Dat ‘À Robinson’ werd een succes. Ook bij de bohemiens en kunstenaars in de omgeving. Dus maakten Paul en zijn vrouw Baptistine, Titine voor vrienden, er in 1931 een herberg van. La Colombe d’Or, met 3 kamers. Met op het uithangbord de tekst ‘Ici, à La Colombe d’Or, on vient à pied, à cheval, ou en peinture’. ‘Hier in De Colombe d’Or, komt men te voet, te paard, of met een schilderij’.

nu zaten wij er, maar de betaling ging gewoon in euro’s

Dus wat deden de kunstenaars die in het schilderachtige stadje en achterland ‘en plein air‘ kwamen schilderen? Ze dronken er een glas, deden een plas, aten er, vierden er feest, dansten, bleven er soms slapen en betaalden Paul en Titine vaak met hun kunst. Best origineel om zo je kunstverzameling te starten. Een verzameling die ook bekendere namen ging omvatten. Want ‘groten’ in de kunstwereld bezochten graag de Côte d’Azur of kochten er zelfs een huis. Maar ook de behoorlijk ingewikkelde politieke toestand in Frankrijk tijdens de Tweede Wereldoorlog ging een toevalsrol spelen.

Te kort door de bocht geformuleerd, het noorden en westen waren bezet door de Duitsers, het zuidoostelijk deel was zogenaamd vrij maar in feite gewoon een vazalstaat van de bezetter. Toch heerste er een wat vrijer klimaat. Reden voor de de door de Duitse bezettingsmacht gecontroleerde filmstudio’s in Parijs om in 1941 te verhuizen naar Nice. Want daar stond de Victorine, de enige filmstudio waar nog vrij kon worden gedraaid. Filmvolk dus zuidwaarts. Gevolg: Saint-Paul-de-Vence en de Colombe kwam bij hun in beeld. Zeker toen in 1946 Cannes begon met het jaarlijkse filmfestival.

Picasso aan de bar in La Colombe d’Or
een jonge Madonna verlaat het etablissement

Ook een nieuwe golf van jongere kunstenaars bleek graag ruilhandeltje te willen spelen met Paul Roux. Zo logeerde César (1921-1998) er naar eigen zeggen altijd gratis. “Hier betalen de kunstenaars nooit”, zei hij. Want al was vader Roux inmiddels overleden, zoon Francis ging op dezelfde manier door.  Zodat hij dus diverse werken van César in bezit kreeg.

rechts een werk van César, met links ernaast eerst een werk van Matisse en daarnaast een ‘Delaunay’, alles in alle rust te bekijken omdat we de eetzaal voor ons alleen hadden

Net zoals ook die Picasso boven levensgezels hoofd. Want toen Picasso hoorde dat Paul Roux niet lang meer te leven had, zei hij tegen zoon Francis “Ik weet dat je vader houdt van wat ik maak, kom naar mijn atelier en zoek een doek uit dat hem zal bevallen”. Prachtig toch?

Oh ja, en waarom we de eetzaal helemaal voor ons zelf hadden? Cliffhanger voor de komende aflevering. Tot volgende week.

TOOS

De Associatieve Magie van Kunst


Kunst kan veel! Staan, liggen, hangen, plakken, enthousiasmeren, begeesteren, inspireren, associëren, beangstigen, en nog zowat. Maar via Niçoise associaties hou ik ’t vandaag bij staan en plakken.

Want hier in Nice, waar ik al weer een paar weken verkeer in mijn atelier secondaire (lees vorige week maar), zagen levensgezel en ik een dikke week geleden bovenstaande publiciteit voorbij schuiven. Op tram Ligne 1, gezeten op ‘ons’ koffieterras hier om de hoek aan de Avenue Malaussena met ook nog de dagelijkse markt voor de neus.

de prachtige, grote fontein op Place Massena

Hè, Nice kandidaat voor de verkiezing van Europese Culturele Hoofdstad 2028? Zoals Leeuwarden dat was in 2018? Maar nee, niet meer. Internet vertelde me na enig zoekwerk dat net een paar dagen eerder Nice was afgevallen in de Franse kunstrace. C’est la vie, jammer! Maar er blijft hier hoe dan ook genoeg over aan kunst.

Heb je er oog voor, en dat heb ik natuurlijk, dan loop je er hier in de openbare ruimte overal bijna letterlijk tegenaan. En dat zijn dan echt geen objecten van de minste kunstenaars. Want Nice heeft veel beroemde namen voortgebracht. Wat voorbeelden.

een hele grote duim van César bij het stadhuis van Nice
een sculptuur van Arman bij het het Palais des Congrès et des Expositions
beeld van Ernest Pignon-Ernest in de ondergrondse hal van halte Garibaldi van tram Ligne 2
beeld van Niki de Saint Phalle bij het beroemde Hotel Negresco
beeld van Maillol in een park in het centrum
sculptuur van Bernar Venet aan de Promenade des Anglais
beeldengroep van Jaume Plensa op Place Massena

Die César, Armand, Ernest Pignon Ernest, Maillol, Niki de Saint Phalle, Jaume Plensa en Bernar Venet zijn in de kunst en museumwereld allemaal internationaal bekend zo niet wereldberoemd. En dat Yves Klein, al lang dood, met zijn eigenste blauwe kleur in zijn eigenste stad Nice wordt geëerd, ligt allicht voor de hand.

ode aan het speciale blauw van Yves Klein in de onderdoorgang bij het treinstation

Maar mindere kunstgoden die ‘t puur nationaal goed doen, ontbreken ook niet.

sculptuur bij de eindhalte van tram Ligne 2 bij de haven van Nice
ergens in een stadspark
in de openbaar toegankelijke beeldentuin achter het museum Mamac

Nice heeft daardoor, in combinatie met de heerlijk kleurrijke en barokke zuidelijke architectuur, ontegenzeggelijk grandeur. En dat voor een stad die qua inwoneraantal te vergelijken is met Utrecht! Sorry Utrechtenaren, maar Nice heeft nu eenmaal mijn hart gestolen!

En loop ik dan als Niçoise ingeschrevene met mijn gratis ‘Pass Musées de Nice’ zomaar even het Mamac binnen, dan kom ik veel van die kunstenaars opnieuw tegen. Want in dat ‘Musée d’Art Moderne et d’Art Contemporain’ (het Museum voor Moderne en Hedendaagse Kunst) hebben ze een prachtige collectie.

Yves Klein in het Mamac
Arman in het Mamac
Niki de Saint Phalle in het Mamac

Nu even terug naar dat associëren. Want hoe zit ’t eigenlijk met dat plakken van hierboven. Dat heeft te maken met de foto hieronder. Ook van een dikke week geleden.

een dikke week geleden in het Mamac

Met daarop een collage van losgelaten en afgerukte straataffiches uit 1959 van een kunstenaar met de jaloers makende naam Jacques Mahé de la Villègle (1926-2022). Allicht hoort daar een lange filosofische en diepzinnige uitleg bij, maar die bespaar ik je. Mij gaat ’t om de bij mij door zijn werk opgewekte associatie ‘maar op die manier is mijn atelier secundaire in Nice ook een museum.

één van de affichemuren in de keuken in Nice

Want wat doe ik ook al jaren à la die Jacques? Heel stiekem her en der in allerlei steden, loerend rondkijkend of ik niet wordt betrapt, opgeplakte straataffiches net iets losser trekken dan ze al zijn, ze opvouwen of rollen, ze in mijn tas verbergen of ’t liefst nog in die van levensgezel, en ze dan in Nice of in Middelburg weer opplakken. Affiches die voor mij iets speciaals vertegenwoordigen. Een gevoel, een jaartal, een gebeurtenis.

Wel combineer ik ze dan met de door de jaren heen gedrukte affiches van mijn eigen exposities.  Want, laat ik dat gelijk maar toegeven, enige kunstijdelheid is me natuurlijk niet vreemd. In mijn keuken en wc hier in Nice kan ik me, omringd met diverse beplakte muren, rustig in het Mamac wanen.

een andere keukenmuur
in de wc

Zo is er net nog weer een nieuwe aanwinst bijgekomen. Maar dat verhaal komt nog wel.

een paar dagen geleden de nieuwe aanwinst in de keuken

In de slaapkamer heb ik maar geen affichemuur gemaakt. Want buitenmuurkunst mag dan tegenwoordig helemaal in zijn, een aantal jaren geleden heb ik binnensmuurs boven het bed al vorm gegeven aan een moderne stad bij nacht. Normaal wat minder gebruikte spieren in mijn lichaam hebben toen bij die vele vierkante meters wel behoorlijk geprotesteerd tegen die activiteit, maar ‘t is gelukt.

mijn eigen slaapkamer ‘mural’

En als ik nu in mijn eigen museum ‘s avonds de oogjes sluit, doven ook de lichtjes in die wolkenkrabbende stad. Tot volgende week.

TOOS

Zielnaakt Vervolg


Vorige week beloofd, nu uitgevoerd. Het vervolg met mijn blootgegeven kunstenaarszieltje. In het interview bij mijn expositie ‘De Wereld als Schouwtoneel’ in Theater De Wegwijzer in het Zeeuwse Nieuw- en Sint Joosland. Opnieuw verluchtigd met kunstwerken van mij die én in De Wegwijzer én in andere galerieën hangen. Plus nog wat Zeeuwse oudig- en, niet onbelangrijk, Niçoise nieuwigheden.

Toos van Holstein, Building the future (olieverf 60-60 cm), in Theater De Wegwijzer in Nieuw- en Sint Joosland

Vorige week eindigde ik met onderstaande vraag, nu wel met antwoord.

Hoe ga jij te werk bij het maken van kunst?

“Er is niet echt een vast proces met stappen die ik altijd doorloop. De inspiratie zit in mij. Het moet eruit. En hoe dat precies gaat… Ik ben wel een beetje een einzelgänger. Als ik schilder, dan moet mijn lief niet in de buurt zijn. Maar verder: het gebeurt gewoon. Mensen vragen ook wel eens: hoe lang doe je over een schilderij? Daar is geen peil op te trekken. Als ik bezig ben met olieverf en dat is nog nat, dan moet ik wachten. Dan kan ik het schilderij nog eens rustig beschouwen, of verder gaan met een ander werk dat hier in het atelier staat. Verder schaven. Soms zijn de schilderijen zo klaar, maar ze kunnen hier ook twee jaar staan. En dan ineens denk ik: dit is het!”

Toos van Holstein, What’s happening (olieverf 80-120 cm), in Galerie Persoon in Eersel
Toos van Holstein, Daar bij de kust (mixed media op aludibond, 70-100 cm), in Galerie Drentsche Aa in Balloo
Toos van Holstein, Promising (olieverf 160-120 cm), in Galerie Peter Leen XL in Breukelen

Een aantal jaren geleden maakte Toos in samenwerking met een Franse uitgeverij een aantal schilderijen gebaseerd op de Ilias en de Odyssee, de Griekse heldendichten. Ook was ze destijds bezig met een expositie in Fort Rammekens. Dat viel prachtig samen met ‘Odiezee’, de rockopera die Theater De Wegwijzer in 2014 in datzelfde oude zeefort opvoerde.

onderdelen van mijn grote expositie ‘Odyssee’ in 2014 in Fort Rammekens i.s.m. Theater De Wegwijzer rond het grote spektakelstuk ‘O die zee’

Sindsdien is er altijd een band gebleven tussen Toos en De Wegwijzer, en nu volgt er dus opnieuw een expositie in het theater in Nieuw- en St. Joosland.

Hoe bereid je zo’n expositie voor?

“Ik krijg alle vrijheid bij de inrichting, maar ik heb van tevoren nog niet helemaal uitgedacht wat precies waar moet komen. Meestal neem ik een aantal werken mee en dan kijk ik ter plekke wat het beste in de ruimte past. Dat doe ik nu dus ook. Maar er zitten altijd werken bij in de sfeer van de plek. Ik heb een tijdje als chauffeur van een band door het land gereden, en dan zag ik ze altijd spelen vanuit de coulissen. Op pad zijn met muzikanten heeft mij ook geïnspireerd tot kunst. Dus er zullen zéker een paar muziekschilderijen tussen zitten.”

Toos van Holstein, Your own world (olieverf 80-80 cm), in Theater De Wegwijzer

© 2022 Theater De Wegwijzer / Tekst: Jurry Brand / Foto via Toos van Holstein

Aldus dan dít interview. Want ………… Ik ga dit jaar nog eens een keer echt uitgebreid de snijtafel op om kunstzinnig te worden ontleed en doorgezaagd. En dat heeft te maken met bijgaande foto van een paar dagen geleden.

Gemaakt in Nice, waar ik nu voor een paar weken zit. In het drukdomein van galerist en uitgever Jean-Paul Aureglia. In Galerie Quadrige. Vanwege voorbereidingen voor mijn expositie daar in oktober/november rond de uitgave van een ‘eigen’ livre d’art in de serie ‘L’art au Carré’. Een poos geleden noemde ik dat hier ook al eens in verband met het creëren van een serie steendrukken speciaal voor die uitgave. Maar een Frans kunstboek met alleen kunst en zonder tekst? Kom op zeg, dat is vloeken in de Franse kunstkerk in het kwadraat.

De tot nu toe acht delen van die serie, over beslist niet de minste Franse kunstenaars (maar dat wordt nog wel een ander verhaal), zijn allemaal opgezet volgens een vaste formule. Waar twee grote artikelen onderdeel van uit maken. Nu over ene Toos van Holstein. Één van die twee artikelen is per definitie van de hand van Raphaël Monticelli. Bekend schrijver en kunstcriticus in Zuid-Frankrijk. Die Raphaël dus gaat mij en mijn kunst uitgebreid ontleden en uitbenen. Of ik benieuwd ben naar zijn bevindingen? Reken maar!    

en reken ook maar dat Nice niet alleen werken is

Straks terug in Nederland spoed ik me weer naar het steendrukatelier van Hans Van Dijck. In april wil ik de vereiste acht Carré-steendrukken af hebben. Maar is alles dan klaar? Nééééé, bij lange na niet. En dat heeft te maken met ‘Coloured Black’. Een uitgebreid project van mij dat zich, juist in Nederland, rond dat Carré gaat afspelen. Tot volgende week.

TOOS

“Maar ik troost er mij mee, dat ’t beter is om te worden bestreden dan … genegeerd”


De wonderbare kronkelwegen der kunstgeschiedenis. Die kwamen hier vorige week al ter sprake vanwege ‘Vermeer’ in het Rijksmuseum. En nu spelen ze opnieuw een rol.

Suze Robertson in haar atelier

Begin deze eeuw kwam ik haar naam + kunstplaatje voor ’t eerst ergens tegen. Maar vraag me niet meer hoe of wat, geen idee. Drie jaar geleden zag ik voor het eerst in werkelijkheid één schilderij van haar. In het Singermuseum te Laren. Afgelopen december werden dat er al een paar. Ook in Laren. Bij de expositie ‘De moderne vrouw’ (lees hier maar) . Maar wat weken geleden raakte ik helemaal overtuigd van haar talent en kunnen aan de hand van heel veel werken. In het Haagse museum Panorama Mesdag bij de prima tentoonstelling: ‘Suze Robertson, Toegewijd, Eigenzinnig, Modern’ (tot 5 maart). Daardoor heb ik er nu een nieuwe schildersheld bij gekregen! Die Suze Robertson dus (1855-1922). Van top tot teen Nederlands, ondanks haar naam.

drie jaar geleden in het museum Singer, Laren
afgelopen december, ook in Laren, een zelfportret van Suze Robertson
en nu de uitgebreide expositie over haar

Absoluut een dijk van een wijf. Want krijg ’t maar gedaan om in 1878 als eerste vrouw aan te schuiven in de alleen door mannen bevolkte naaktklas van de Rotterdamse academie. Vrouwen die op de academie naar naaktmodel zouden tekenen, gezeten tussen de mannelijke studenten? Hallo zeg, volstrekt ondenkbaar! Dat was puur mannenwerk! Maar Suze kreeg ’t voor elkaar, ondanks zelfs publiekelijke protesten van die mannen.

Suze Robertson, Lena, olieverfschilderij 153-85 cm (1903-07), zeer bijzonder voor die tijd, een naakt geschilderd door een vrouw

Nog zoiets. Vindt ’t in 1892 als vrouw maar normaal dat je blijft werken als je trouwt, ook nog op door jou voorgestelde huwelijkse voorwaarden! Want echtgenoot Richard Bisschop, ook schilder, deed altijd zo lang over een werk dat hij financieel nauwelijks wat binnenbracht en vooral schulden had.  Suze hechtte duidelijk aan haar financiële onafhankelijkheid. Dat ze haar werk bleef ondertekenen met ‘Suze Robertson’ zonder daar als vanzelfsprekend ‘Bisschop’ tussen te plakken?  De vraag stellen is ‘m beantwoorden. Bedenk dat het eind 19e eeuw is. Een dijk van een wijf dus.

de expositie in Panorama Mesdag
Suze Robertson, Portret van Adolphe Boutard, zwart krijt op papier (1884-89)

Maar daar ging vanzelfsprekend van alles aan vooraf. Als kind toonde Suze al een groot tekentalent. Wat er uiteindelijk toe leidde dat ze zich in 1874 mocht laten inschrijven aan de opleiding voor tekenleraren van de Academie in Den Haag. Overigens iets dat voor vrouwen pas mogelijk was vanaf 1872. Tekenleraar werd ze dan ook. Maar haar kunstenaars DNA bleek te sterk. Ze moest en zou zelfstandig kunstenaar worden. Dus bleef ze naast een paar achtereenvolgende leraarsbanen dat talent verder ontwikkelen, vooral bij het schilderen met olieverf. Want wat deed je op die tekenacademie vooral? Tekenen.

Suze Robertson, Meisjeskopje, zwart krijt op papier (1895-98)
Meisje met boek, zwart krijt op bewerkt papier (1908)

27 Jaar oud zette Robertson in 1883 een punt achter het leraarsbestaan en de bijbehorende financiële zekerheid. Ze ging de onzekerheid van het onafhankelijk kunstenaarsbestaan aan! In die tijd een ontzettend dappere stap. Een stap in een door mannen gedomineerde kunstwereld.

curieus schilderij van Willem Bastiaan Tholen (tekenavond in Pulchti Studio, 1888-89) met rechtsachter zittend Suze Robertson en linksachter het hoofd van haar toekomstige echtgenoot Richard Bisschop

Achteraf gezien kun je stellen dat ’t haar is gelukt. Ondanks natuurlijk dips tussendoor, gevoelens van onzekerheid, de ‘ben ik wel goed genoeg’ vraag en een tegenstribbelende maatschappij met ook tegenstribbelende kunstcritici.  Waardoor ze in 1912 nog de woorden schreef voor de titel hierboven: “Maar ik troost er mij mee, dat ’t beter is om te worden bestreden dan … genegeerd”.

Hoe dan ook, door de eigen stijl die ze ontwikkelde, werd ze langzaam aan steeds meer gewaardeerd. Door én kunstkompanen én kunstkopers. Ze kon er uiteindelijk haar bestaan aan ontlenen. Ondanks, of misschien juist wel dankzij het feit dat ze eigenlijk niet in een hokje te plaatsen was.

net als Van Gogh was de arbeider, meestal een vrouw bij Suze, onderwerp van haar schilderijen. Voor mij is deze ‘Aardappelschilster’ beter dan de ‘Aardappeleters’ van Vincent
Aan het spinnewiel, pastelkrijt op papier (1985-86)
Takbreekster (1887)

De zogenaamde Haagse School, met o.a. George Breitner en Isaac Israels, maakte furore in binnen en buitenland met vooral impressionistisch werk, Suze ging daarin niet mee. Door haar speciale kleurgebruik en opzet van haar schilderijen werd ze tijdens haar leven al gezien als de schakel tussen het eerdere Nederlands impressionisme en het latere expressionisme.  Voor de jonge Mondriaan was ze een bron van inspiratie. Voor de jonge vrouw Charley Toorop was ze een rolmodel en zelfs de belangrijkste Nederlandse kunstenaar van de 19e eeuw.

Robertson werkte een bepaald onderwerp vaak meerdere keren en telkens anders uit. Links een olieverf, rechts een pastel
zoals ook hier met de ‘Vischpoort van Harderwijk’
toen Suze de fotocamera ontdekte, nam ze die vaak mee om later de gemaakte foto’s op een geheel eigen manier te interpreteren bij het schilderen

Hoe kan ’t dan dat zo iemand na haar dood min of meer wegzakt in het moeras van de kunstvergetelheid? Terwijl  toch diverse musea en heel veel particulieren werk van haar in hun bezit hadden. Hoe kan ’t dan dat pas 100 jaar na haar dood een eerste grote expositie aan haar wordt gewijd? Dat zijn weer die wonderbare kronkelwegen van de kunstgeschiedenis.

Suze Robertson, In gedachten (1901-03)
Suze Robertson, Kerk te Katwijk (1908-12)

De expositie ontrafelde dat mysterie niet. Net zo min als de bijbehorende voortreffelijke catalogus die op een heel leesbare manier diep in haar leven en kunst duikt. Maar beide, expositie en catalogus, hebben er wel voor gezorgd dat Suze Robertson nu voor mij, een eeuw na haar dood, opnieuw tot leven is gewekt.  Suze is toegetreden tot mijn iconenrij van vrouwelijke kunsthelden. Oh zo!!

expositie van Suze in Larensche Kunsthandel in Amsterdam (1907), tikje anders dan in de huidige galerieën

Tot volgende week.

TOOS

‘Und ein letztes Glas im Stehen‘ bij Vermeers ‘Het glas wijn‘, dankzij Vereniging Rembrandt


Wie ‘Met het Oog op Morgen’ kent, al decennia lang elke avond 11 uur op NPO Radio 1, kent natuurlijk ook de begintune:

“Es wird Zeit für mich zu gehen
Was ich noch zu sagen hätte
Dauert eine Zigarette
Und ein letztes Glas im Stehen“…….

Een prachtig lied van en gezongen door Reinhard Mey.

bij ‘Het glas wijn’ van Vermeer

De laatste regel ging gelijk door me heen bij deze door levensgezel gemaakte foto. Plaats Rijksmuseum Amsterdam, tijdstip 22 uur woensdag 15 februari, expositie ‘Vermeer’, schilderij ‘Het glas wijn’. Een behoorlijk unieke foto, vermoed ik. Want dit gaat de komende maanden vast een stuk moeilijker worden.

detail van ‘Het glas wijn’

We voelden ons dan ook wel bevoorrecht, zelfs een beetje VIP-achtig. Want het Rijksmuseum en de blockbuster-expositie ‘Vermeer’ worden natuurlijk niet zomaar even een avondje vrijgemaakt. Maar wel voor ons als leden van de Vereniging Rembrandt.

Toen die uitnodiging een paar maanden geleden binnenkwam, was de beslissing snel genomen. Gaan!! Een heel goed besluit, zo bleek. Want ga maar na. Al honderdduizenden kaartjes aangeschaft in de voorverkoop. Nog nooit vertoond. En vlak na de opening alles uitverkocht! Zelfs met drie wekelijkse avonden met sluitingstijd 22 uur. Een Vermeer-hype? Hoezo! Terwijl dat, als je naar de kunstgeschiedenis kijkt, helemaal niet in de lijn der verwachting lag. Vermeer is echt een prachtig voorbeeld voor de wonderbare kronkelwegen der kunstgeschiedenis.

Stel namelijk dat je in het Nederland van de eerste helft 19e eeuw als kenner de namen  Vermeer en Rembrandt even achteloos liet vallen in een aangenaam en goed kunstzinnig onder-ons-gesprek. Rembrandt? Oh ja, Rembrandt, de meester! Maar Vermeer? Gigantische kans op glazige blikken.

Eigenlijk ook best begrijpelijk gezien de feiten. Vermeer heeft, als succesvol Delfts kunstenaar, niet meer dan zo’n 45 à 50 schilderijen geproduceerd. Vooral kleine formaten en niet van die imponerende joekels. Daarvan verkoopt hij tijdens zijn leven (1632-1675) zelfs een 20-tal aan één Delftse familie. Zijn schilderijen plezieren dus maar een zeer select gezelschap van liefhebbers. Bezoekers van zijn atelier, ook buitenlandse, had hij meestal nauwelijks iets te tonen. Hoe raakt een kunstenaar dan, ook nog na een vroegtijdige dood op 42-jarige leeftijd, in bredere kringen bekend? Niet dus. Vermeer zakte weg in vergetelheid. Niet als enige trouwens. Denk maar aan veel vrouwelijke kunstenaars.

een van de zalen van de Vermeer-tentoonstelling
net of ‘Het melkmeisje’ even alleen voor mij inschenkt

Maar terugkomend op dat onder-ons-gesprek, stel dat je daarin bij leven en welzijn eind 19e eeuw opnieuw die namen van Rembrandt en Vermeer had laten vallen? Vermeer? Ja, natuurlijk, Vermeer! De oorzaak? Een Fransman. Ja, geen eens een Nederlander maar nota bene  een Fransman. De kunstcriticus Théophile Thoré-Bürger (1807-1869). Die zich in 1842 in het Mauritshuis plots stond te vergapen aan Vermeers ‘Gezicht op Delft’. Wat een ontdekking! Daarover diende geschreven te worden. En aldus geschiedde, met alle onvoorspelbare gevolgen van dien. Zoals de hype nu. Met in de eerste zaal van de expositie gelijk al dat ‘Gezicht op Delft’ (uit 1660-61). Ik wordt bij het zien ervan altijd weer blij.

Vermeer, ‘Het gezicht op Delft’

Waarom? Daarover begin ik maar geen uitleg, dikke boeken zat daarover. In de romancyclus ‘À la recherche du temps perdu’ (‘Op zoek naar de verloren tijd’, begin 20ste eeuw) van Marcel Proust, verdorie alweer een Fransman, valt er van emotie zelfs iemand pardoes dood neer voor dat schilderij.

Het interessante van de expositie is dat in de tweede zaal gelijk Vermeers eerste werken hangen. Die hij maakte na op zijn 20ste als meesterschilder te zijn toegelaten tot het Delftse schildersgilde Sint Lucas. Schilderijen met mythologische en Bijbelse thema’s. Voor zijn latere doen best grote doeken. Maar bij lange na niet de Vermeer van later. Ik durf te stellen dat als hij zo was blijven schilderen we nu geen Vermeer-hype hadden gehad.

die tweede zaal
met daarin ‘Diana en haar nimfen’
en ‘Sint Praxedis’

Maar toen kwamen die prachtig verstilde en technisch volmaakte Vermeer-interieurs. Met hooguit enkele personen erin. DE Vermeer zoals we die nu kennen!

Van te voren was ik nog een beetje sceptisch. Ik had al zoveel van zijn schilderijen gezien. Ook die nog nooit eerder uitgeleende drie werken uit de Frick Collection in New York. Ging ‘Vermeer’ nog iets nieuws toevoegen aan mijn Vermeer-gevoel? Ja dus! Met als toegift natuurlijk nog dat ‘letztes Glas im Stehen’.

Het is een echt prachtige tentoonstelling. Magnifiek ingericht en prima toegelicht. Dichter bij Vermeer ga je niet meer komen. Tenzij je natuurlijk dit doet.

de klimaatklevers een aantal maanden geleden in het Mauritshuis bij ‘Het meisje met de parel’
nu in het Rijksmuseum

Wist je trouwens dat ‘Het meisje met de parel’ in 1881 op een Haagse veiling voor het ongelooflijke bedrag van 2 gulden en 30 cent werd aangekocht door een verzamelaar?

Nog even ter informatie, vanaf 6 maart komen er mogelijk nog nieuwe kaartjes beschikbaar. Iets om met je vinger bij de knop te gaan zitten?

nog een paar foto’s
met hier die twee heel kleine schilderijtjes op de foto hierboven
allemaal tevreden bezoekers/Vereniging Rembrandt leden

En anders vind je via de Rijksmuseum site nog machtig veel interessante beelden en video’s met toelichting. Zoals bijvoorbeeld hier, hier en hier. Tot volgende week.

TOOS

Mijmeringen over de Z bij Zwarte kunst van Zwarte kunstenaars


Mijmeringen over Zwarte kunst? Met een hoofdletter Z nog wel? Hoe ik daar zo op kom? Door de foto hierboven en door ‘In the Black Fantastic’. Die foto plopte vorige week zomaar te voorschijn op m’n Apple-scherm in een nieuwsbrief over kunst. De expositie ‘In the Black Fantastic’ in de Kunsthal Rotterdam (nog tot 10 april) bezocht ik al eerder in real time, zoals je dat tegenwoordig in goed Nederlands zegt.

Die twee gebeurtenissen combineerden voor mij twee belangrijke trends in de kunstwereld van nu. Trend één: de vrouwelijke kunstenaar die eindelijk, eindelijk haar terechte positie in de kunstgeschiedenis krijgt. Trend twee: ook de Zwarte kunstenaar en de Zwarte kunst zijn de laatste jaren in opmars. Zie je weer die Z? Komt zo.

Eerst die foto met twee schilderijen. Links het prachtige ‘Judith en Holofernes’ van de nu zo langzaamaan wereldberoemde 17e eeuwse Artemisia Gentileschi , één van mijn schildershelden over wie ik al eerder schreef. Net zoals over die Bijbelse powervrouw Judith die de vuige veroveraar generaal Holofernes onthoofdt. Een oudtestamentisch verhaal dat in de loop der eeuwen door heel wat kunstenaars is verbeeld. Zoals dus rechts van Artemisia  door Kehinde Wiley (1977). Een in Amerika zeer gekende Zwarte kunstenaar.  Want je mag echt niet zomaar een officieel portret van oud-president Obama maken.

Kehinde Wiley, portret van Obama

Terug naar zijn Judith en zijn speciale interpretatie door haar volstrekt onhistorisch als Zwarte vrouw af te beelden. Maar dat hoofd van Holofernes?

Is dat niet juist weer blank? Of Blank? Of wit? Of Wit? Oh jee, ik raak helemaal in de war met die twee woorden en die hoofd -hoe toepasselijk hier- of kleine letters. Allemaal de schuld van ‘In the Black Fantastic’.

bij de start van de expositie werk van Nick Cave, een kunstenaar die zich al jaren bezig houdt met thema’s als burgerrechten, raciale onrechtvaardigheid en wapengeweld

Ik raakte daar onverwacht verzeild omdat ik in de Kunsthal Rotterdam ‘Vrouwenpalet 1900-1950’ bezocht op etage 4. Hier en hier kwam die expositie al ter sprake. Weet je wel, met o.a. Charley Toorop (hè, lekker, kan ik haar naam toch weer even kwijt). Daar vinden altijd meerdere tentoonstellingen tegelijk plaats. Vaak ergens anders vandaan geplukt. Voor etage 2 dus de uit Engeland overgekomen ‘In the Black Fantastic’. Met werk van alleen maar Zwarte kunstenaars. Ideaal om dat gelijk met Charley en vrouwelijke consorten mee te nemen. Want weet je nog, die twee trends in de huidige kunstwereld?  Zeg maar eens dat de Kunsthal Rotterdam niet bij de tijd is! Het bleek een heerlijke, kleurrijke, sterk figuratieve en  intrigerende verrassing te zijn.

werk van Lina Iris Viktor
Lina Iris Viktor, Eleventh (uit een serie over de geschiedenis van de Afrikaanse staat Liberia
sculpturen van Hew Locke die onze manier van herdenken van historische personen wil ontwrichten

Een onverwacht toppertje dus. Met elf mannelijke en vrouwelijke moderne Zwarte kunstenaars. De meesten wonend en werkend in de VS en Engeland. Maar allemaal op de een of andere manier verbonden met de Afrikaanse diaspora waardoor ze zich ook lieten inspireren. Racisme, sociale ongelijkheid, folklore, mythe, spirituele tradities, slavernij, noem ’t op en het kwam voorbij. Met telkens die Z. De eerste keer dacht ik in mijn onschuld aan een over het hoofd geziene drukfout. Had je gedacht! Want na Zwarte kunstenaars, Zwarte vrouw, Zwarte man, Zwarte mensen en Zwarte kunst in begeleidende teksten wist ik ’t wel. Hier was over nagedacht!

details van werk van Wangechi Mutu die strijdt tegen het geweld tegen en onjuiste voorstelling van vooral Zwarte vrouwen

Maar daardoor ben ik nog steeds in de war. Betekent dit nou automatisch dat ik een Blanke kunstenaar ben? Of een Witte kunstenaar? Want ook over ‘blank’ en ‘wit’ woeden in diverse kringen heftige discussies. Zo las ik laatst dat De Telegraaf consequent het woord ‘blank’ gebruikt bij het aangeven van huidskleur, Trouw consequent ‘wit’ en dat de NRC het laat afhangen van de situatie. Oh jee, maak ik als gevolg daarvan nu Blanke of Witte kunst? Verwarring, verwarring!

werk van Ellen Gallagher, gebaseerd op de mythe dat foetussen van tijdens de oceaanoversteek overboord gegooide zwangere slavinnen een onderwaterrijk hebben gesticht
detail
werk van Chris Ofili die de Odyssee van Homerus verplaatst naar Trinidad met een donkere Odysseus
Chris Ofili’s interpretatie van de Annunciatie door de aartsengel Gabriël

Ik raakte nog meer in de war door een artikel over zwarte kunst. Waarmee in dit geval werd bedoeld dat bij het kopen daarvan zwart geld was gebruikt. Om dat later bij doorverkoop te kunnen witwassen. En toen moest levensgezel nog komen met een natuurkundig schepje er bovenop. “Toos, jij weet als beeldend kunstenaar toch wel dat echt zwart eigenlijk geen kleur is en dat wit juist ontstaat door het mengen van alle regenboogkleuren?” Ja, dat wist ik wel. Over dat echte zwart schreef ik al eens naar aanleiding van Anish Kapoor. Net zoals ik bij wit wist dat Newton al in de 17e eeuw zonlicht via een prisma splitste in alle kleuren. Die je dan via de omgekeerde weg weer kunt samenvoegen tot ‘wit’ licht.

nog een paar foto’s van de expositie

Snap je dat ik me regelmatig ’t liefst maar opsluit in mijn atelier? Lekker die ingewikkelde buitenwereld buitensluiten! Toch had ik ‘In the Black Fantastic’ niet willen missen. Af en toe mijmer  ik nog steeds over Zwarte kunst en de Zwarte trend binnen de Witte/Blanke Westerse kunstwereld. Nog eens een verhaal? Wie weet! Tot afsluiting, de NOS maakte over ‘In the Black Fantastic’ dit filmpje. Tot volgende week.

TOOS

De Zegetocht van De Vaandeldrager


’t Kost wat, maar dan heb je ook iets. Een uitdrukking die, kort samengevat, het antwoord was toen er in 1997 moord en brand werd geschreeuwd bij de aankoop van de ‘Victory Boogie Woogie’. 82 Miljoen harde guldens voor Mondriaans laatste, nog onaffe werk. Maar de rust keerde weer.

Victory Boogie Woogie van Mondriaan, enkele jaren geleden bij een expositie over hem in het Kunstmuseum Den Haag

 Idem dito bij Rembrandts tweeluik ‘Marten en Oopjen’ toen de regeringen van Frankrijk en Nederland gezamenlijk 160 miljoen neerlegden. Nu in eurootjes.

‘Marten en Oopjen’ van Rembrandt, in november 2019 tijdens de expositie ‘Rembrandt-Velazquez’ in het Rijksmuseum

Dus kon je ’t al helemaal uittekenen bij het ophoesten begin 2022 van de €175.000.000 voor ‘De Vaandeldrager’, ook al van Rembrandt. Maar daar kon ie wel tegen, die stevige kerel met Rembrandts eigen trekken die je al sinds 1636 zelfbewust aankijkt.

deel van ‘De Vaandeldrager’

Natuurlijk is ’t bizar dat dit soort gigantische bedragen moet worden betaald voor doeken met wat verf. En zowel bij ‘De Vaandeldrager’ als bij ‘Marten en Oopjen’ ook nog aan een toch al stinkend rijke familie als de Rothschildt’s. Maar ja, als ’t om ‘namen’ gaat, kent de internationale kunsthandel tegenwoordig nog wel veel grotere excessen. Daar staat dan weer tegenover dat ons nationaal cultureel erfgoed, ondanks al die ook steeds weer wegebbende heisa,  wel drie kunsticonen rijker werd.

 ‘De Vaandeldrager’ had trouwens nog een cadeautje in petto. Met vaandel en al doet hij in twaalf etappes een Ronde van Nederland. Twaalf keer staat hij voor ons een potje stoer te doen in elk van de twaalf provincies. Op dit moment in Zeeland. In het Zeeuws Museum in mijn eigen Middelburg.

publiciteitsbeeld van het Zeeuws Museum

Afgelopen zondagmorgen waren levensgezel en ik zelfs om 11 uur persoonlijk uitgenodigd om ‘m te komen aanschouwen. Cadeautje van de Vereniging Rembrandt. Die 25 van de 175 aankoopmiljoentjes heeft bijgedragen. Waarom die uitnodiging? We zijn beiden lid, hebben de Rembrandkaart op zak -een soort museumkaart- en worden daardoor regelmatig gefêteerd op plezante extraatjes. Ik schreef er bijvoorbeeld hier al eens eerder over.

Dat werd in het Zeeuws Museum dus eerst koffie en gebak, daarna een inleiding door museumdirecteur Marjan Ruiter en vervolgens een uitgebreide toelichting op het schilderij door een vertegenwoordigster van de vereniging. En toen, wel zonder vaandel , in optocht achter Marjan aan naar ‘HET SCHILDERIJ’.

Vooraf had ik zo mijn bedenkingen. Ik zag ‘De Vaandeldrager’ namelijk al eens eind 2019 bij ‘Rembrandt-Velazquez’ in het Rijksmuseum.

weer november 2019 toen ik ‘De Vaandeldrager’ even helemaal voor mezelf had in het Rijksmuseum

En nu werd hij, zo had de publiciteit al flink rond gebazuind, geshowd in een heel andere, zeer speciale setting. Opgebouwd uit oude verenigings en processievaandels, recente spandoeken van sociale protesten en nog zo een en ander van kunstenaars. Dat alles onder de titel protest processie parade. Met als achtergrond voor Rembrandts schilderij een muur beschilderd in regenboogkleuren, geïnspireerd op de LHBTQIA+ vlag. Oh jee, als dat maar goed ging! Voor jullie hierbij nog wat huiswerk: vlekkeloos die rij letters uit je hoofd leren en zonder gestamel opnoemen waar ze voor staan! Altijd goed voor een identiteitsdiscussie.

de zaal waar ‘De Vaandeldrager’ hangt, verscholen achteraan
zo piepte ie te voorschijn

Maar mijn bedenkingen verdwenen subiet. Na je inderdaad eerst een weg te hebben gebaand door een kleurrijk banieren, vlaggen en doekenwoud piepte ‘De Vaandeldrager’ te voorschijn. Met zijn eigen ingehouden kleuren tegen die regenboogachtergrond. Maar die uitzonderlijke ambiance werkt wonderwel.

Dus daar stond ie dan, de man van 175 miljoen! In z’n klimaatklever en protestplakkervrije kast. Een loodzwaar ding met kogelbestendig glas en eigen klimaatregeling. Want bij die Ronde van Nederland laat je voor zo’n kostbaar figuur natuurlijk niets aan het toeval over.

en weer had ik hem even helemaal voor mijzelf
even in gesprek met directeur Marjan Ruiter, net achter mij
nog een onderdeel van protest processie parade

Mocht je in de periode tot 28 februari nog een kaartje kunnen bemachtigen in één van de tijdsloten, doen! Dan kun je gelijk speuren naar het vaandel met de tekst ‘Fund Living Artists’ (Steun Levende Kunstenaars). Want had juist in de tijd van de aankoop corona niet de hele cultuursector letterlijk en financieel plat gelegd? Met alle gevolgen van dien voor degenen die daarin hun geld verdienden? Gevolgen die nog steeds sterk merkbaar zijn.

Oh ja, en dan nog even Charley Toorop als een soort running gag. Ik kan ’t niet laten! Haar naam dook al diverse keren op in mijn laatste blogs van januari (hier en hier). Over vrouwen in de kunst. Vandaar een bijna letterlijk huppeltje toen ik die zondagmorgen goed gezelschap voor Rembrandt ontdekte. Want daar was ze in een andere zaal. Zomaar Charley! Het Zeeuws Museum doet mee in de vaart der vrouwelijke kunstenaars!

Charley Toorop, Landschap met korenschoven Zeeland (1933)

Nog meer weten over die stoere vaandeldrager? Laat je dan in 7 minuten via deze video helemaal bijpraten door Taco Dibbits, directeur van het Rijksmuseum.

Tot volgende week.

TOOS

Kunststad Middelburg en Pakhuis Holstein bruisen weer


voorkant brochure 2023

Gratis reclame, wie wil dat niet! Dit wordt dus geen zogenaamde advertorial, geen gesponsorde advertentie.  Maar wel helemaal gratis en voor niks reclame voor mijn prachtige oude stad Middelburg. Á titre personel, op persoonlijke titel. Want laten we wel wezen, wie voor ’t eerst in Middelburg rondloopt staat altijd verbaasd over de eeuwenoude grandeur. En welke stad in Nederland heeft een kunstroute die 11x per jaar plaatsvindt, al vele jaren lang? De Kunst & Cultuurroute Middelburg (klik maar op de link) die op 4/5 februari weer los gaat van 1-5 uur. Voor steden met ook zo’n route heb je echt de vijf vingers van één hand niet nodig.

Bellinkstraat met vlaggen van de routedeelnemers, op de achtergrond mijn pakhuis/atelier
kaart met routedeelnemers, af te drukken op de website en bij alle deelnemers verkrijgbaar

Maar ja, wat wil je! In de 17e eeuw na Amsterdam de belangrijkste stad voor de VOC. Met Jacob van Geel  en de broers Johannes en Abraham Bosschaert als belangrijke exponenten in de Gouden Eeuwse kunst. Met de beroemde kunstenaarsfamilie Koekoek die er in de 19e eeuw een nest had. Met door die lange historie een cultuurklimaat dat nog steeds trekt. Voorbeelden?

ingang van het Zeeuws Museum
nog eens die ingang en een deel van het Abdijplein
oude stadhuis van Middelburg met links de ingang van de Vleeshal

Ons eeuwen aan kunst bestrijkende Zeeuws Museum op het Abdijplein, één van de mooiste pleinen van Nederland. De internationaal bekende Vleeshal, centrum voor hedendaagse kunst. Te vinden in dat indrukwekkende 15e eeuwse gotische stadhuis aan de Markt. En natuurlijk de vele kunstenaars die er vandaag de dag hun plekkie hebben. Zoals ik. Met mijn 18e eeuwse pakhuis aan de Korendijk 56. Een rijksmonument dat ik, helemaal officieel met toestemming van alle bevoegde hotemetoten, ‘Holstein’ heb mogen noemen. Maar dat is een ander verhaal.  Het pand dus waarvan ik komende zaterdag en zondag 4/5 februari de atelierdeuren weer wijd open zet. Nou ja, wijd open? Figuurlijk gesproken dan. Energieprijzen, weet je wel!

wees welkom aan de Korendijk 56

Dat doe ik nu al voor het 22ste jaar. De kunstroute zelf voor de 24ste keer. Hé, 24? Dus volgend jaar? Inderdaad, goed gerekend, dat wordt een jubileumjaar! Met vanzelfsprekend een toekomstig blogverhaal. Maar terug naar nu.

Die eerste keer weer open in een nieuw jaar betekent drie dingen. Eerste ding: natuurlijk een officiële opening. Dit keer in die Vleeshal op zaterdagmorgen half elf al. We moeten natuurlijk wel op tijd terug zijn voor onze eigen ‘openstaande’ deuren. Tweede ding: bij die eerste keer in een nieuw kunstroutejaar gooien we er altijd gelijk maar een heel weekend tegenaan. In plaats van alleen die 1ste zondag van de maand in de rest van het jaar. Derde ding: Zeeuwse Gasten. As ’t effe kan nodigen we  in februari vakgenoten uit als exposerende gast in onze ateliers. Zeeuws, niet-Zeeuws, niet belangrijk, als ze maar zelf aanwezig zijn. Ik zocht ’t dit keer zelfs buiten onze landsgrenzen. Maar dan wel zonder aanwezigheid. Hoe dat zit?

Dat zit in de foto’s hierboven. Gemaakt in het steendrukatelier Multipels/Multiples van Hans Van Dijck in Antwerpen waar ik in januari zelf een soort Zeeuwse Gast was. Druk bezig met mijn Franse Carré-Project waarover ik hier al schreef . Teveel tijd en energie slurpend om een lijfelijk en met kunst aanwezige Zeeuwse Gast te regelen. Maar dan gaat ’t als bij Marten Toonder’s onsterfelijke stripkarakter Heer Bommel en zijn even onsterfelijke hulpkreet ‘Tom Poes, verzin een list’ aan zijn net zo onsterfelijke trouwe helper in nood. Alleen speelde ik nu beide rollen zelf. Ik had toch voor een ander project met mijn galerie Quadrige in Nice samengewerkt met meerdere kunstenaars? Het illustreren met multiples in beperkte oplage van de Ilias en de Odyssee van Homerus? Ook al zo’n onsterfelijk figuur? Eureka! Waarom zou ik die multiples van mijn Franse, Duitse, Italiaanse en Deense kunstbroeders  niet eens showen? Zo gedacht, zo uitgevoerd.

in mijn atelier te bezichtigen werk van kunstbroeders met wie ik samenwerk, hier van de Fransman PASO
van Duitser Eric Massholder
van Deen Jo Möller

Dus was ik de afgelopen dagen druk bezig mijn atelier weer eens uit en op te ruimen. Om het na twee maanden van langzaam ontstane georganiseerde chaos weer in te richten voor mijn openingsshow bij onze onvolprezen kunstroute.

de situatie vooraf
bezig met inrichten voor de Kunst & Cultuurroute Middelburg

Kom kijken. En maak ook een keus uit die meer dan dertig andere deelnemers van de route. Want natuurlijk teveel om allemaal in een keer te bezoeken. Maar loop dan gewoon delen van de route, ervaar op die afwijkende manier de historische grandeur van Middelburg, treedt binnen in oude panden waar dat anders niet mogelijk is, kom op nog zo’n 1ste zondag van de maand terug voor de rest en raak verliefd op Middelburg. Tot komend weekend. En voor dit blog, tot volgende week.

TOOS

De Vrouwelijke Kunstenaars Blijven Oprukken: deel 2


Vorige week beloofd, dus ik blijf nog even hak-tak-hak heen en weer springen over ‘de vrouw in de kunst’. Aan de hand van die twee tentoonstellingen ‘De Nieuwe Vrouw’ in museum Singer (Laren)  en ‘Vrouwenpalet 1900-1950’ in de Rotterdamse Kunsthal (tot 10 april) en vanwege die onstuitbare opmars van de vrouwelijke kunstenaars uit het verre en nabije verleden. Waarvan dan weer die twee exposities getuigen.

‘De Nieuwe Vrouw’ in Singer
‘Vrouwenpalet 1900-1950’ in de Kunsthal, bij de mij nog volstrekt onbekende Mies Elout-Drabbe
de jubileum uitgave

Een opmars waarvoor in 1971, zo zou je terugkijkend kunnen constateren, het startschot klonk. Waarom juist 1971? Omdat toen, tijdens de tweede feministische golf, in de VS het nu zo beroemde essay ‘Why Have There Been No Great Women Artists?’ werd gepubliceerd. ‘Waarom Zijn Er Geen Grote Vrouwelijke Kunstenaars Geweest?’, geschreven door kunsthistoricus Linda Nochlin.  Met centraal de vraag waarom het vrouwen al eeuwen lang heel moeilijk was gemaakt om, net als mannelijke kunstbroeders, beroemd te worden en te blijven. Goede timing trouwens van Nochlin, de tijd was er blijkbaar rijp voor. Want ze veroorzaakte heel wat reuring. Dit essay is zelfs zo beroemd geworden dat er begin 2021, vijftig jaar na publicatie, een speciale editie van uitkwam.

Op de kunstacademie kreeg ik van dat alles totaal niks mee.  Daar was ’t gewoon alles mannen wat de kunstgeschiedenisklok sloeg. Pas zo tegen het jaar 2000 kwam die historie van de weggepoetste kunstvrouwen langzaam op mijn netvlies. Wat wil je ook, eerst mijn onderwijsbaan en daarna mijn eigenste kunstcarrière.  Beide tijd en energievretend.

 Maar mee door Linda Nochlin liep ik een paar weken geleden toch maar mooi rond op die twee exposities. Of zij zich had kunnen vinden in ‘De Nieuwe Vrouw’ met als onderwerp de veranderende wereld en het veranderende vrouwbeeld begin 20ste eeuw? Ik betwijfel dat zeer. Daar in Laren hadden ze er wel erg veel schilderijen van mannelijke kunstenaars voor nodig! Met bijvoorbeeld deze dissonant.

werk van Jan Sluijters (rond 1920)

Want moet dit nou die Nieuwe Vrouw voorstellen? Dat is toch gewoon een stoeipoes zoals een man die graag ziet? Zo waren er wel meer missertjes. Maar gelukkig hing er ook nog kunst tussendoor van vrouwen uit die tijd. Van vrouwen die de laatste decennia voor mij ook steeds meer zijn gaan leven . Zoals de vorige week al genoemde Jacoba van Heemskerck, Thérèse Schwarze en Suze Robertson. En natuurlijk Charley Toorop. Maar ook de tegenwoordig  langzaam op de bekendheidsladder stijgende Else Berg (1877-1942) en Alida Pott (1888-1931).

Thérèse Schwarze, Jonge Italiaanse vrouw met de hond Puck (1884-85)
Suze Robertson, Vispoort te Harderwijk (1914)
Charley Toorop, Zelfportret met drie kinderen (1929)
Else Berg, Mystieke vijver(1915)

Twee dagen later volgde de Kunsthal. Met, wat een verrassing, alweer Jacoba, Else, Alida. Oh ja, en natuurlijk Charley!

Alida Pott, Naakt (aquarel op papier)
Charley Toorop, vroeger werk waarin ze duidelijk bezig is haar stijl nog te zoeken

Nou ja, verrassing? Niet echt. Want als je na veel prima kunsthistorisch spitwerk een grote groep van 24 vrouwelijke kunstenaars uit zo’n beetje dezelfde periode bij elkaar weet te brengen, zitten daar allicht de usual suspects bij.De zo langzamerhand geijkte hap, de vaste prik. Naast ook onverwacht veel echt onbekenden. Hoewel, onbekend?

zelfportret van Lou Loeber (1921)

Dat gezicht op het schilderij hierboven, dat kende ik toch? Maar die naam Lou Loeber (1894-1983)? Ik had er, zoals je dat in de politiek tegenwoordig uitdrukt, even geen actieve herinnering aan. En toch, ja hoor, daar kwam ie! In Laren. Ook zo’n gezicht.

zelfportret Lou Loeber 1920

Dat beeld had ik wel actief opgeslagen. Je bent ten slotte beeldend kunstenaar of niet.  Maar die naam? Nee, die had ik nog niet actief ingekerfd op mijn harde schijf. Nu wel. Nog zo’n dubbelaar? Zelfs een letterlijke.

in Laren
in de Kunsthal bij 2 beelden van Charlotte van Pallandt met op de voorgrond precies hetzelfde beeld als in Laren

Twee gelijke afgietsels van een beeld van de altijd wel bekend gebleven Charlotte van Pallandt (1898-1997). Ken je dat iconische beeld van Koningin Wilhelmina? Dat in die dikke, wijd uitlopende winterjas waarin ze bijna helemaal verdwijnt? Charlotte dus!

het bronzen beeld van Wilhelmina in Den Haag
uitgave over Suze Robertson n.a.v. de expositie in Panorama Mesdag

Die ‘vaste prik’ ligt ook wel voor de hand. Want hoe groot is nou eigenlijk die groep vrouwen waaruit je kunt putten? Dus miste ik in de Kunsthal wel Suze Robertson (1855-1922), in haar tijd gekend en vernieuwend maar daarna weggezakt. Net ook als Thérèse Schwarze. Maar gezegend zij Panorama Mesdag in Den Haag! Daar heeft Robertson nu een grote expositie. Een verdiende revival waar ik nog heen moet.

En Schwarze? Recent kocht het Rijksmuseum nog een werk van haar aan. Nu daar te zien in ‘Vrouwen op papier’. Wil ik ook nog heen.

de recente aankoop door het Rijksmuseum: ThérèseSchwartze, portret van Thérésia Ansingh

Al die ooit sterk mangerichte museumclubjes kunnen dus niet meer om de oprukkende vrouwelijke kunstenaars heen . De noodzakelijke inhaalslag is gaande. Mag ook wel, want wat bleek uit onderzoek? Maar 13% van de kunstverzameling in de Nederlandse musea is afkomstig van vrouwen. Reden voor diepe schaamte. Maar nu zijn ze echt bezig hun best te doen. Kijk naar het Stedelijk Museum in Amsterdam. In de nieuwe collectiepresentatie over de periode 1880-1950 is er, zo zegt een persbericht, speciale aandacht voor vrouwelijke kunstenaars. Jippie! Mag jij raden wie daar weer bij zitten. Thérèse Schwarze, Jacoba van Heemskerck, Else Berg. Oh ja, en natuurlijk ook Charley Toorop!

Tot volgende week.

TOOS

Dood of Levend, de Vrouwelijke Kunstenaars Rukken Op


Het een roept het ander op. Eerst het een. ’t Was even goed plannen maar het lukte, twee bezoeken vlak na elkaar aan twee tentoonstellingen over en van vrouwen.’De Nieuwe Vrouw’ in het Singer in Laren en ‘Vrouwenpalet 1900-1950’ in de Rotterdamse Kunsthal .

‘De Nieuwe Vrouw’ in museum Singer (nu al wel voorbij)
‘Vrouwenpalet 1900-1950’ in de Kunsthal in Rotterdam

Overigens maar twee van alle museale exposities over vrouwen tegenwoordig. Want bijvoorbeeld  ‘Vrouwen op papier’ in het Rijksmuseum staat nog op mijn verlanglijstje. ’t Moet echt niet gekker worden met al die kunstvrouwententoonstellingen, zowel hier als in het buitenland. Maar dat komt straks aan bod. Eerst even verzuchten ‘eindelijk, eindelijk’. Eindelijk die broodnodige inhaalslag. Eindelijk hebben museumconservatoren de laatste jaren door dat de kunstgeschiedenis deels moet worden herschreven. De vrouwelijke kunstenaars, dood of levend, ze rukken op!

leek me wel leuk, een detail van het beroemde schilderij ‘De vrijheid’ van Eugène Delacroix, met het vrouwelijke symbool Marianne als aanvoerder bij de strijd van de Franse revolutie in 1789

En dat ander dat door het een kwam? Mijn door die twee exposities opborrelende herinneringen aan artikelen die ik jaren geleden schreef voor het Holland Côte d’Azur Magazine. Het elk kwartaal verschijnende, full colour tijdschrift van De Nederlandse Club aldaar. In dat Magazine heb ik namelijk ver voor die vrouwentrend van nu de geschiedenis van de telkens weer door mannen verdrongen vrouwelijke kunstenaars al toegelicht.

compilatie van voorkanten van het Magazine

Eerst toch die club nog maar even. Dit wordt echt een van de hak op de tak blog. Ik werd al snel lid toen ik vanaf 1994 regelmatig een aantal maanden op telkens andere locaties ging schilderen aan die heerlijke Côte d’Azur.  Waar ik in 1997 in Nice zelfs mijn eigen atelier kon verwerven. Gevolg: in 2004 vroeg de hoofdredacteur van dat Magazine me zomaar of ik heel misschien, eventueel, indien mogelijk, genegen zou zijn om elk kwartaal een drie tot vier pagina’s groot artikel te leveren voor de Kunstrubriek. Oeps! Maar daarna toch ook al snel ‘nou, prima, als er maar plaatjes bij kunnen’. ’t Ging ten slotte wel om beeldende kunst! Echt een heerlijk nieuwe uitdaging, met de pen in plaats van het penseel. Met heel veel plezier heb ik dat gedaan, van 2005 tot begin 2012. Elk kwartaal weer.

de 1e pagina van mijn laatste bijdrage in 2012
met als afscheidscadeau een heerlijk etentje in een bekend restaurant in Nice en een afscheidsinterview

Zo kon ik ook gelijk helemaal legitiem eieren leggen over ‘de vrouw in de kunst’, een onderwerp dat me toen al na aan het hart lag. Eieren over de, stevig onderkoeld uitgedrukt, niet altijd zo geweldige positie van de vrouwelijke kunstenaar in een eeuwenlang door mannen gedomineerde kunstwereld. In mijn tweede bijdrage, april 2005,legde ik gelijk al zo’n ei: De Vrouw in de Kunst deel I. Want toen al wist ik, er gaan er meer volgen. Die aflevering begon als volgt.

‘U kent dat spelletje wel! Je krijgt een rijtje namen voor je en je moet raden welke namen daarin niet thuishoren. Hier komt in willekeurige volgorde zo’n rij: Botticelli, Da Vinci, Gentileschi, Rembrandt, Matisse, Leyster, Picasso, Caravaggio, Cézanne en Vermeer.’

Voor de actualiteit vanwege die exposities ‘De Nieuwe Vrouw’ in Laren, ‘Vrouwenpalet 1900-1950’ in Rotterdam en ‘Vrouwen op papier’ in het Rijksmuseum pas ik dat rijtje wat aan. Met namen van alleen Nederlandse kunstenaars. Rembrandt, Van Heemskerck, Hals, Van Gogh, Schwartze, Vermeer, Mondriaan, Israëls, Toorop, Appel. Welke drie namen van deze in hun tijd allemaal en deels ook nu nog beroemde, zoniet wereldberoemde kunstenaars zouden hierin niet thuishoren? Ik help even met hun voornamen: Jacoba, Thérèse en Charley. Behorend bij achtereenvolgens Van Heemskerck (1876-1923), Schwarze (1851-1918) en Toorop (1891-1955).

Alledrie vrouwen met kunstwerken in zeker twee van die drie net genoemde exposities. Ken je ze? Of zit je nee te schudden? Hieronder hun foto of zelfportret.

Jacoba van Heemskerck voor de schildersezel

Jacoba van Heemskerck, na jaren in het schemerdonker nu toch wel beschouwd als één van de belangrijkste Nederlandse expressionisten.

zelfportret van Thérèse Schwarze

Thérèse Schwarze, in haar tijd de succesvolste Nederlandse portretschilder bij wie het geld met volle bakken  binnenkwam en die nu pas weer opnieuw waardering begint te krijgen.

zelfportret van Charley Toorop

En Charley Toorop met haar kenmerkende stijl van wie nu eindelijk het Rijksmuseum recent een schilderij heeft aangekocht.

Want daar is namelijk vorig jaar het ‘Vrouwen van het Rijksmuseum Fonds’ opgericht. Lees maar wat de directeur Development&Media daarover zelf schrijft.

‘Zowel in de geschiedenis als in de kunst worden vrouwen als uitzondering op de regel gezien. Hun aandeel is in werkelijkheid echter veel groter dan tot nu toe bekend of beschreven is. Dankzij de genereuze steun van particulieren en de oprichting van het fonds, kunnen we hiernaar onderzoek doen en verhalen toevoegen om het beeld bij te stellen.’

de expositie ‘Vrouwen op papier’ , nu in het Rijksmuseum in Amsterdam

Hoelang zijn ze daar bij dat belangrijkste museum van Nederland in godsnaam in winterslaap geweest?

Nog even opnieuw een hak-op-het-takje. Stel nou eens dat ik Robertson (Suze), Pott (Alida), Berg (Else) of Loeber (Lou) in dat rijtje namen had gezet. Hoeveel van hen ken je? Oei, oei! Dat geldt trouwens voor mij ook. Want dit kunstvrouwenverhaal loopt in lengte weer eens volledig uit de klauw. Komende keer maar verder dus. Hier een paar fotografische voorproefjes.

Tot volgende week.

TOOS

Een filmische ‘TOGETHER’


Goed voorbeeld doet goed volgen. Het goede voorbeeld? Een heel sympathiek idee van mijn oude, nu gepensioneerde meestersteendrukker Rudolf Broulim.  De kunstenaars waarmee hij samenwerkte, mochten jaarlijks in december altijd een eigen nieuwjaarswens tekenen op een daarvoor geprepareerde grote steen. Daarop kregen ze dan hun eigen stukje van 10 bij 15 cm met het idee van ‘nou, ga je gang’. Daarna ging hij dan aan de gang met het draaien van een oplage van hooguit 100.

een aantal jaren geleden: Rudolf Broulim komt even kijken hoe mijn Nieuwjaars-steendruk vordert

Daarvan heb ik altijd graag gebruik gemaakt, zoals wel blijkt uit bovenstaande foto van een aantal jaren geleden. Zo kon ik toch maar mooi mijn familie, mijn vrienden, mijn kunstfans en mijn kunstkopers aan het begin van het nieuwe jaar verrassen met een origineel steendrukje plus bijbehorende stichtelijke nieuwjaarswens. Zoals bijvoorbeeld ook deze.

Tja, en toen ging Rudolf met pensioen. Zodoende volgden wat jaren met andere creatieve oplossingen. Maar nu komt dat ‘goed volgen’ in beeld. Hans Van Dijck, met wie ik sinds afgelopen jaar samenwerk bij het creëren van steendrukken (lees bijvoorbeeld hier maar), heeft niet voor niks Rudolf als leermeester gehad. “Toos”, zo vroeg hij een paar maanden geleden, “zou jij ’t leuk vinden om ………?” Vul de rest zelf maar in, dat is niet zo moeilijk. Ik heb natuurlijk zowel volmondig ja gezegd als heftig ja geknikt.

En zo zat ik dus half december in het Antwerpse steendrukatelier van Hans als vanouds mijn eigenste stukje van een verder afgedekte grote steen te betekenen.

Met uiteindelijk als gevolg het steendrukje ‘TOGETHERr’. Dat vorige week, opgeplakt op een geel A4’tje naast een natuurlijk weer stichtelijke tekst, in bijna 100-voud ergens via de brievenbus op de vloer of in een kastje plofte. Of, zoals bij dit blog, in digitale vorm binnenzeilde in de IN-box van nog veel meer e-mailadressen.

mijn per post verstuurde Nieuwjaarswens

Maar er is nòg een gevolg. Want ik had levensgezel in december lief aangekeken bij mijn vraag “zou jij het leuk vinden om …….?. En dus liep hij bij het maken van ‘TOGETHER’ voortdurend om me heen te draaien om van heel dichtbij het scheppingsproces ervan op video vast te leggen. Met dit korte filmpje als samenvattend resultaat.

Ik was er best blij verrast mee. Want het gekke is dat als ik bezig bent, ik eigenlijk helemaal niet bewust in de gaten hebt hoe dat tekenen op de steen stap voor stap verloopt. Tegenwoordig heet ’t dan dat je in een ‘flow’ zit. En dat zag en voelde ik hierin helemaal terug.

Dat ik er uiteindelijk dan 100 moet signeren en nummeren met 1/100 tot 100/100? Dat is onderdeel van het vak!

Tot volgende week.

TOOS 

TOGETHER, SAMEN, MET Z’N ALLEN


‘Together’: Toos van Holstein, steendruk 15-10 cm (oplage 100)

‘Together’, is dat geen mooi uitgangspunt en geen mooi motief voor het jaar 2023 dat nu voor ons ligt? Vandaar ook bijgaande steendruk met die naam, die ik een paar weken geleden in het steendrukatelier van Hans Van Dijck in Antwerpen speciaal voor deze Nieuwjaarswens kon maken.

Samen, dat is de manier om dictatoriaal en oorlogsgedrag tegen te gaan. Saamhorigheid, dat is de manier om ongewenste machtsuitoefening en discriminatie op alle niveaus in onze maatschappij te bestrijden. Together, dat is de manier om virusbestrijding, om emancipatie,  om kennis en welvaartsspreiding te bevorderen. Gewoon met z’n allen, om met behoud van al die verschillende culturen van ons continent toch langzaam, standvastig en doordacht de grenzen te doen vervagen . Want als er iets is dat de laatste paar jaren ons hebben geleerd is dat ’t wel. En als kunst daarbij een rol kan spelen, zoals vaak wordt beweerd, waarom dan niet op deze manier met deze steendruk een kleine bijdrage daaraan!

Ik wens een ieder een goed, gezond, creatief en Together-2023 toe.

Tot volgende week.

TOOS