Categorie archief: Toos van Holstein

40 Kunstwerken in de XX-XX Serie in 2020. Logisch toch?


Dit jaar 2020 gaat zeker en vast als een heel bijzonder jaar de geschiedenisboeken in. Daar kun je halverwege dit jaar met aan grote zekerheid grenzende waarschijnlijkheid al wel vergif op innemen. Figuurlijk dan. En dat er ons nog meer verrassingen staan te wachten? Vast wel. Maar voor mij is er hoe dan ook al één grote zekerheid. Zonder de coronapandemie was de titel van deze blogaflevering beslist anders geweest. Want dan was de actie Kunstbezorgd.nl  van het Centrum Beeldende Kunst Zeeland niet op touw gezet en was mijn Corona-serie niet ontstaan.

in mijn atelier aan het werk voor de ‘XX-XX Serie’

Ik schreef er al eerder over. Lees hier maar. Een actie in april opgezet door dat CBK Zeeland. Waarbij professionele Zeeuwse beeldende kunstenaars van allerlei snit, achtergrond, status en kunststroming in de brievenbus passende kunst maakten van maximaal A4-formaat. Met voor alle kunstwerken dezelfde prijs: €100. Gewoon gelijke kunstenaars, gelijke kunstkappen. Ongeacht je prijsniveau in de Nederlandse en eventueel  internationale kunstwereld. Dat idee had helemaal mijn sympathie, ook omdat de opbrengst volledig voor de kunstenaar was. Ik bleek niet de enige sympathisant gezien het aantal deelnemers.

de 1ste van de ‘XX-XX Serie’ die werd verkocht
werkend met die dunne aluminium platen

In mijn atelier had ik nog een stapel dunne aluminiumplaten liggen. Ooit eens verworven via een grote expositie van mij een aantal jaren geleden. Platen heel makkelijk tot A4 grootte te snijden en heel makkelijk te bewerken met allerlei schildersmaterialen. Ik aan de gang. De eerste exemplaren waren binnen de kortste keren verkocht. ’t Was alsof kopers van te voren al met hun vinger bij de Enter-knop zaten. De volgende? Idem dito. Zo bleef ’t maar doorgaan. Floep, floep, weg!

’t Was dus heerlijk werken in de afgelopen coronamaanden. Pure concentratie op dat kleine formaat van 29,7 bij 21 cm, me los makend van de wereld, de angst voor corona wegdrukkend, dagenlang achter elkaar bezig in mijn atelier en levensgezel die de boodschappen deed.

een paar voorbeelden uit de ‘XX-XX Serie’

Uiteindelijk heb ik er zo, zonder dat van te voren te kunnen inschatten, in totaal 40 gemaakt. Allemaal verkocht! Nee, nu lieg ik. Er staat op het moment dat ik dit schrijf, nog één te koop op Kunstbezorgd.nl . Die kon er, samen met de kunstwerken van anderen, nog mooi op voordat 15 juli deze CBK actie stopt. Sla dus nu je slag nog. De afbeelding van dat werk van mij staat ergens rond positie 50. Overigens, er zijn in totaal meer dan 300 kunstwerken verkocht! Formidabel toch?

degene die nog te koop staat (stond?) bij het schrijven van dit blog

Om te stoppen bij dat totaal van 40 vond ik wel symbolisch. Uiteindelijk is het woord quarantaine de laatste tijd heel veel gevallen. En komt dat niet van het Italiaanse quaranta, veertig? Het aantal dagen dat schepen en bemanning tijdens de grote pestepidemie in de 14e eeuw in Italiaanse havens in afzondering moesten blijven liggen. En is het nu toevallig niet het jaar 2020? Zeg maar eens dat dit niks met veertig heeft te maken.

Daarom doop ik die hele serie, die ik eerst de Corona Serie noemde, hierbij officieel om in de XX-XX Serie. Nou vraag ik me toch wel ineens af of op school tegenwoordig de Romeinse cijfers nog worden aangeleerd. Nou weet ik natuurlijk wel dat 2020 eigenlijk MMXX zou moeten zijn, maar ja, XX-XX allitereert veel mooier!

nog enkele

De nummer 40 (of XL, zo je wilt), is officieel in het bezit van het CBK. Want, ook dat was zo sympathiek, als je met de actie mee kon doen, kreeg je gelijk €100 gestort. Zelfs nog zonder enige verkoop. Het CBK verplichtte zich namelijk vooraf al om altijd één kunstwerk van elke deelnemer aan te kopen.

het kunstwerk dat nu in het bezit is van het CBK Zeeland

En nu ga ik tussendoor tijd besteden aan de opzet van een uitgave over mijn XX-XX Serie. Veertig pagina’s misschien? Het lijkt me gewoon heel leuk om daarvan een boekje te maken. Maar dat wordt weer een ander, toekomstig verhaal.

vooruit, nog eentje

Tot volgende week.

TOOS

Dance macabre van de vrouwelijke surrealisten


deel van ‘De Tranen van Eros’

Vorige week noemde ik ze al even vanwege de expositie ‘De Tranen van Eros’ in het Centraal Museum te Utrecht. Salvador Dalí, Max Ernst, René Magritte. Welke kunstliefhebber kent ze niet. Overal ter wereld kom je ze tegen als de grote surrealisten. Juan Miró, Yves Tanguy,  Paul Delvaux en Man Ray kun je er trouwens ook makkelijk aan toevoegen. Allemaal doken ze wel op in mijn academie-studieboeken. Maar vrouwelijke kunstenaars als Leonora Carrington, Leonor Fini, Dorothea Tanning, Dora Maar, Lee Miller, Meret Oppenheim en Eileen Agar? Wie zei je? Nou, die dus! Ooit van gehoord? Die kans was tot voor enkele jaren niet echt groot. Frida Kahlo vergeet ik dan maar even.

Leonora Carrington, Assurbanipal Abluting Harpies (1958), Centraal Museum Utrecht

Lang namelijk zijn ze weggestopt geweest in de surrealistische kunstwereld waar mannen de grote trom roerden. Met als aanvoerder André Breton. Dichter, schrijver  en vanaf 1924 theoreticus achter de denkwereld van het surrealisme. En dat terwijl juist de vrouw door de surrealisten op een hoog voetstuk werd geplaatst. Maar dan niet als kunstenaar. Want de Gelijkheid uit het Franse credo ‘Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap’ ging daar in Parijs blijkbaar toch wat te ver. Maar de Vrijheid en Broederschap in de vorm van muze, inspiratiebron en liefdespartner? Geen probleem. Als je ’t over wisselende contacten hebt, dan daar wel. De zeventiger jaren parenclubs verbleken er ernstig bij.

Lee Miller, foto van Leonora Carrington en Max Ernst (1937), in 2018 gefotografeerd in
Madrid

Toch ging het die vrouwen wel degelijk om de gelijkheid. Zo blijkt in die voorbeeldige expositie in Utrecht. Carrington vond het, ondanks haar liefdesrelatie met de veel oudere Max Ernst, maar onzin als muze te worden gezien. ‘Ik had geen tijd om iemands muze te zijn, ik had het te druk met rebelleren tegen mijn familie en leren om kunstenaar te zijn.’ Dat haar olieverven de laatste jaren voor een paar miljoen over de veilingtoonbank gaan, zal ze toen niet hebben kunnen bedenken.

Leonora Carrington, Oink (They Shall Behold Thine Eyes) (1959), Centraal Museum Utrecht

Ook is daar de mij uit het hart gegrepen uitspraak van Dorothea Tanning. Een groot voorstander van gelijkheid die de benaming ‘vrouwelijke kunstenaar’ ver van zich wierp. ‘Het is net zo’n contradictio in terminis als ‘mannelijke kunstenaar’ of ‘olifanten-kunstenaar’. Je bent misschien een vrouw en je kunt een kunstenaar zijn; maar de één is een gegeven en de ander ben je.’ Zelf noem ik me ook altijd een kunstenaar en geen kunstenares. Dat laatste verfoei ik echt. Maar vaak heb ik ’t in mijn blog voor alle duidelijkheid nog over ‘vrouwelijke kunstenaar’ omdat menigeen bij ‘kunstenaar’ meestal toch automatisch een man voor zich ziet.

Dorothea Tanning, Asleep in the Deep (1947), Centraal Museum Utrecht
Leonor Fini, la Bergère des Sphinx (1941), Centraal Museum Utrecht

En Leonor Fini? Die zag zichzelf als autonome vrouw met volledige zeggenschap over zichzelf. Dat blijkt ook wel uit haar leven. Maar dat is een toekomstig verhaal. Binnenkort in dit theater, zogezegd. Met dan daarin misschien ook gelijk het veilingresultaat van onderstaand schilderij. Begin juli bij Sotheby voor een schatting tegen de $600.000. Schijntje toch?

Leonor Fini, La terrasse

In ieder geval had Leonor een pesthekel aan André Breton vanwege zijn ideeën over de vrouw als muze. Ze weigerde zichzelf daardoor dan ook als surrealist te zien. Macho Dalí vond wel van haar dat ze als kunstenaar ‘beter was dan de meeste anderen, maar talent zit nu eenmaal in de ballen’. Ach ja! Hij zag de figuurlijke ballen bij haar niet.

Leonor Fini

Zo ging dat dus. De mannen speelden graag haantje de voorste en kunstrecensenten, toen natuurlijk allemaal mannen, gingen daarin gretig mee. Maar gelukkig is daarin sinds de jaren 80 langzaam aan verandering gekomen. Nu zijn al die vrouwelijke surrealisten na hun dood bezig met een gezamenlijke opmars. Een soort surrealistische dance macabre. Want ga maar na.

Begin 2017 waren Leonora Carrington, Leonor Fini, Dorothea Tanning al, zij het schaars, vertegenwoordigd op een expositie over surrealisme in Museum Boijmans van Beuningen.

Leonora Carrington, Are You Really Syrious, (1953), Museum Boijmans
Dorothea Tanning, Voltage (1942), Boijmans
Leonor Fini, Due Donne (1939), Museum Boijmans

Toen ik in 2018 het Juan Míro Museum in Barcelona bezocht, werd ik blij verrast door een speciale expositie over  de Amerikaanse vrouwelijke fotograaf Lee Miller en het surrealisme in Engeland.

Eileen Agar, Quadriga (1935), ook in Madrid

In 2019 was er een grote tentoonstelling over de Amerikaanse Dorothea Tanning in het bekende Tate Modern in Londen en een over Française Leonor Fini in New York. Nu nog net loopt er in Frankfurt ‘Fantastische Frauen’ met daarin veel van de namen van hierboven. Vanaf augustus te zien in Denemarken. En tot september in Utrecht dus ‘De Tranen van Eros’.

Meret Oppenheim, ontwerpen uit 1935-40, pas uitgevoerd in 2003, Centraal Museum Utrecht

Daarbij heb ik ’t ook nog niet eens gehad over de aandacht in die expositie voor het LHBTI-gehalte van de surrealistische gemeenschap destijds. Lesbisch, homosexueel, bisexueel, transgender en interseksueel, ze liepen als kunststroming duidelijk heel ver voor de troepen uit. Maar Bob Dylan zong lang geleden al The Times They Are a-Changin’. Tot volgende week.

TOOS

Moesman en de Museumhonger óftewel de Surrealistische Vrouwen zijn Hot


‘Huidhonger’ mag van mij het mooiste nieuwe woord van 2020 worden. Nu al. Want klinkt dat woord niet heel erg veel leuker dan het door de coronaperikelen zo langzamerhand toch wel erg afgesleten ‘knuffelen’?

Voor mij persoonlijk zou ‘museumhonger’ dan trouwens geen slechte keus zijn voor de tweede plek. Maar zoals gezegd, dat is echt persoonlijk. Want honger naar musea na onze intelligente lockdown zal voor een behoorlijk deel van de Nederlandse bevolking toch even wat minder prioriteit hebben. Dat ik al een paar jaar na mijn geboorte behept bleek met een overmatig groot kunstgen? Tja, iedereen heeft wel ergens een handicap.

mijn museumhonger stillend in het Centraal Museum in Utrecht

Mooi dus dat ik mijn museumhonger sinds kort weer mag uitleven. Ik deed hier al verslag van mijn bezoek aan het Rijksmuseum direct na de lockdown opheffing. Met daarin verwerkt een speciale Efteling-ervaring wat rijen en wachten betreft. Dus toen ik vier dagen later de ingang van het Utrechtse Centraal Museum in de verte zag opdoemen, was ik sterk benieuwd naar de logistieke gang van zaken daar. Geen enkel probleem zowaar. Tijdslot oké, pijltje volgen, het nieuwe ritueel van handjes met gel opschonen, het gratis online-ticket tonen in combinatie met de Rembrandtkaart en op naar ‘De Tranen van Eros- Moesman, surrealisme en de seksen’.

klein deel van ‘De tranen van Eros’

Want daarvoor kwam ik. Zeker omdat Nederlands enige echte en bekende surrealist, de Utrechter Joop Moesman, daarin de hoofdrol speelde. Maar meer nog eigenlijk vanwege de speciale aandacht voor vrouwelijke surrealisten. Een in de kunstgeschiedenis weggeschreven groep kunstenaars die nu extra in de lichtspots werd gezet. Die groep is namelijk de laatste paar jaar ineens heel erg hot geworden in de museum en veilingwereld. En terecht! Daarover later meer.

bij een werk van Leonor Fini, een van de vrouwelijke surrealisten en al jaren een favoriet van me
dat zelfportret uit 1922

Eerst Moesman (1909-1988). Een nogal gecompliceerd mens, maar als jongen al een overduidelijk schildertalent. Dat zegt bijgaand zelfportret wel dat hij op 13-jarige leeftijd maakte met een olieverfkistje dat hij voor zijn verjaardag kreeg van zijn vader. Die, van beroep tekenaar en steendrukker, dat talent natuurlijk wel onderkende.

Rond 1930 ontdekte Moesman het surrealisme. Een tak van kunstsport die ontstond in het Parijs van 1924 op initiatief van schrijver André Breton. En daarna groot werd gemaakt door onder anderen Salvador Dalí, Max Ernst en René Magritte. Mannen allemaal, die nu niet meer uit de musea zijn weg te denken.

reproductie van ‘Bijeenkomst van vrienden’ van Max Ernst (1922) waarop al veel leden van de toekomstige surrealistengroep van 1924

De dromen in ons onderbewuste, waaronder ook seksuele fantasieën, wilden ze zichtbaar maken om op die manier de geest vrij te maken. Vrouwen speelden daardoor een belangrijke rol bij die mannelijke surrealisten van het eerste uur. Maar dan alleen als muze en inspiratiebron. Dat er ook kunstenaars onder hen waren?  Hoezo? Vrouwen waren toch vooral een object om vaak naakt weer te geven in allerlei onbestaanbare, droomachtige vormen in een verder ook surreële omgeving?

onderdeel van de expositie, Salvador Dalí, La mémoire da la femme-enfant (1929)
Max Ernst, La joie de vivre (1936-37)
René Magritte, La race blanche (1937)

Toen Moesman voor het eerst zwart-wit foto’s van die schilderijen zag, wist hij ‘t. Dit wil ik ook. Onder de noemer van surrealisme kon hij de gecompliceerde gevoelens kwijt waar hij mee zat. Zoals bijvoorbeeld zijn niet altijd even makkelijke verhouding met vrouwen. Een volgens de verhalen nogal dominante moeder, een verloofde die van haar ouders niet met hem mocht trouwen en daarbij nog zijn hang naar sadomasochisme. Nou, dan kon je in het calvinistische Nederland van de jaren 30 je borst wel natmaken voor een schandaaltje hier en een schandaaltje daar als je dat in schilderijen verwerkte. Zoals in 1933. Toen de directie van Amsterdamse Stedelijk Museum bij een tentoonstelling onderstaand schilderij verwijderde.

Moesman, Namiddag (1932)

Want pervers en onsmakelijk! Dat was het oordeel van pers en bestuurlijke instanties. Wat ze in deze amorfe vorm zagen, zei natuurlijk ook direct heel veel over hun eigen onderbewuste. Wat mij betreft dus gewoon touché voor het surrealisme. Maar Moesman ging onverdroten verder op de ingeslagen weg en heeft nog heel wat iconische schilderijen gemaakt die nu onverbrekelijk verbonden zijn met ons Nederlandse kunsterfgoed. Zoals onderstaande werken waarvan bijna iedereen wel eens het beeld ergens heeft opgepikt.

Moesman, Het gerucht (1937), toen ook al een schandaal waardig
Moesman, Ontmoeting (1932)
Moesman, Avonduur (1962), waarin hij tijdens de seksuele revolutie in de jaren 60 iets durfde te tonen van zijn SM gevoelens
Moesman, Oktober (1965)
Moesman, Zelfportret (1935), geschiilderd toen bleek dat hij van haar ouders niet met zijn verloofde mocht trouwen

Moesman heeft dus een heel intrigerend en prachtig fijnschildersoeuvre nagelaten. Nu een kern in de collectie van het Centraal Museum en ook kern van de echt heel mooie, tot 16 augustus verlengde tentoonstelling ‘De tranen van Eros’. Heengaan!

En de surrealistische vrouwelijke kunstenaars die nu over de hele wereld hot aan het worden zijn? Die moeten toch nog even wachten. Maar dat hebben ze al heel lang gedaan, daar kunnen ze wel tegen. Tot volgende week.

TOOS

Aan de binnenkant van mijn Buitenkunst


voorbeeld van mijn Buitenkunst, Music II (tweeluik op aludibond, 160-240 cm)

Van het een komt meestal het ander. Ook in de kunst. Een waarheid natuurlijk als alle koeien samen in een megastal. Want dat ‘het ander’, de kunst op alu-dibond uit mijn ‘The 70-Series’ van 2019 was er mogelijk helemaal niet geweest als dat ‘het een’, mijn Buitenkunst, niet in 2011 was ontstaan. Als onderdeel van mijn grote expositie ‘TOOS-de ontdekkende mens’ in Fort Rammekens bij Vlissingen. Twee weken geleden schreef ik er hier al over. Met de belofte er nog op terug te komen. Want achter de voorkant van die Buitenkunst, eigenlijk dus aan de achter- of binnenkant, zitten heel veel verhalen verborgen. Met parallellen voor de huidige financiële corona-problemen.  Zoals bijvoorbeeld dat ene ‘dingetje’ volgens de leiding van het Vlissingse maritiem muZEEum. Dat moest ik toch nog even weten voordat ik ‘ja’ zou zeggen tegen hun voorstel voor die expositie.

Fort Rammekens in woestere tijden (linksboven de toegang naar Middelburg)
Fort Rammekens nu
Toos van Holstein, steendruk Renaissance, met de grote toegangspoort naar het fort

Dat ‘dingetje’? Het muZEEum zat zelf volop in de financiële problemen en had geen rooie cent beschikbaar voor die tentoonstelling. Die ook geen verkoopexpositie mocht worden. Wel konden ze mij met hun facilitaire dienst gratis bijstaan. Nogal ‘een dingetje’ dus! Maar toch wilde ik dat fort dolgraag met kunstzinnige ideeën naar mijn hand gaan zetten. En ik had geen wonderlamp zoals Aladin waarbij ik even een behulpzame geest kon oproepen. Dus hoe kwam ik aan harde euro’s? Alleen door een stichting op te zetten. Want die was persé nodig om subsidiefondsen aan te kunnen schrijven. Let wel, ’t was 2010/11, die wankele periode van omgevallen banken. Financieel verwarrende tijden zogezegd, net als nu. Maar om heel veel correspondentie van de Stichting “Expo Fort Rammekens” ontzettend kort samen te vatten, het lukte. Het VSB Fonds, het Prins Bernhard Cultuurfonds, de Rabobank Walcheren, het Familiefonds Hurgronje, Stichting Moerman Promotie Vlissingen, Donkigotte en De Zeeuwse Alliantie, allemaal droegen ze een financiële steen bij.

Voor steigerbouw, voor film en fotoprojectoren, voor de film ‘TOOS- the movie’ over mijn werk (zie hier), voor houtconstructies, voor het aludibond met daarop mijn Buitenkunst, voor grote vellen handgeschept papier met inlijstingsmateriaal, voor in kunststof gegoten beelden, voor bouwlampen die alles moesten uitlichten, voor ………… Nou ja, ga maar door.

bezig in het fort bij de net opgebouwde steigers
opname in het fort voor ‘TOOS-the movie’, met de stand-in voor de jonge TOOS
filmopname voor Omroep Zeeland

Maar of alles wat ik voor ogen had was gelukt zonder mijn af en toe reddende engel Jacob?

overleg met Jacob

Tja, Gouwe Ouwe wijlen Jacob. Werkend voor het muZEEum en, zoals hij dat zelf voelde, de Heer van Rammekens. Het prototype van de ruwe bolster met de blanke pit, een man wiens gezicht veel over zijn avontuurlijke leven vertelde, een man die ik in mijn hart sloot. Net zoals hij mij ook. Terwijl ik dit zit te tikken, krijg ik weer dat warme, speciale Jacobgevoel. Hij had zijn eigen werkplaats in het fort waar zijn gouden handjes alles konden maken wat ik voorstelde. En als Heer van Rammekens wist hij ook nog allerlei regels bij dat Rijksmonument blijmoedig op eigen wijze te interpreteren. Zat er ergens geen ophangmateriaal op de juiste plaats in zo’n eeuwenoude muur waar dat toch wel heel erg handig zou zijn? Spijkeren en boren mocht niet volgens die regels. ‘Wijffie’, zei Jacob dan, ‘maak je geen zorgen, ik vind wel een oplossing’. Op maandag was het fort altijd officieel gesloten. Als ik dan op de dinsdag weer kwam kijken, zaten er plotseling toch oude, roestige spijkers en haken in zo’n streng gereguleerde muur die ik er eerst echt niet had gezien. Zonder Jacob had ‘TOOS-de ontdekkende mens’ er anders uitgezien. En dat hij zich voor mij op een speciale ontvangstdag in mijn pand in Middelburg in een echt pak had gehesen? Ik haal me dat zo weer voor de geest in combinatie met dat Jacobgevoel. Maar die Gouwe Ouwe is niet meer, hij is gaan hemelen. Naar een plek met, hoop ik, speciaal voor hem een bruine stamkroeg.

foto’s van de opening en van de kunst in de diverse ruimtes van het fort

de filmzaal met ‘TOOS-the movie’

Wat nog wel is? Mijn Buitenkunst natuurlijk. Die in de jaren na 2011 diverse tuinen in Nederland is gaan opsieren. Want bestand tegen weer, wind en zon. Ik denk dat ik er de komende Kunst en Cultuurroute Middelburg op zondag 5 juli maar wat extra aandacht aan ga geven.

En wat ook nog is? Diverse films op mijn YouTube-kanaal. Zoals een video over de expositie en eentje met die basisschoolklas uit Koudekerke en hun Geheime Tekens.

de klas bezig met hun Geheime Tekens

Oh ja, en natuurlijk dit blog. Want dat is ontstaan in 2011 juist vanwege die tentoonstelling. Maar dat is weer een ander verhaal. Tot volgende week.

TOOS

Caravaggio en zijn Corona-perikelen


Caravaggio, Narcissus (rond 1598), nu in het Rijksmuseum

’t Zou hier nu opnieuw gaan over mijn Buitenkunst, zo verkondigde ik vorige week. Maar ja, ik kan ook niet buiten kunst. Vandaar een onvoorziene interruptie. De musea mochten namelijk weer open op  1 juni en daar wilde ik dus héééél snel gebruik van maken. Samen met levensgezel trouwens. Die ook zowel binnen als buiten niet buiten kunst kan. Dus zat hij ’s morgens 21 mei, de eerste dag dat er weer kaartjes online geregeld konden worden voor het Rijksmuseum, binnen paraat voor zijn pc-scherm. Want we wilden nog snel naar de expositie ‘Caravaggio-Bernini, Barok in Rome’, die  op 7 juni zou eindigen. En ja! Het lukte om met onze Rembrandtpassen twee gratis toegangsbewijzen te scoren voor dinsdag 2 juni. Binnen het tijdslot van 14.15-14.30 uur. Want zo zijn tegenwoordig de regels in het corona-museumspel en zo moet ’t gespeeld worden. Online met een tijdslot en niet anders.

Bernini, Medusa (rond 1640), nu in het Rijksmuseum

Wij lopen dus op 2 juni om 14.14 uur het Rijksmuseum binnen. Dat soort logistiek vernuft laat ik altijd met een gerust hart aan levensgezel over! Kaartjes worden gescand, Rembrandtkaart getoond, handjes ontsmet en doorlopen naar die expositie. Ja, had je dus gedacht! In de grote hal stond al een soortement rij. Want ‘rij’ is tegenwoordig met die 1,5 meter toch wel een wat diffuser en ongeregelder begrip geworden.

 Enigszins in twijfel sluiten we aan. Maar die twijfel verdween snel toen een museummedewerker, laat ik die nr.1 noemen, aan ons een verzoek had. Of we wilden kijken hoe laat ’t nu was en hoe laat we de expositie binnen konden lopen opdat we onze wachttijd aan een aldaar geposteerde andere medewerker  konden doorgeven. Dat was voor hun nuttige informatie. Nou, natuurlijk! Wel begonnen we toen enige figuurlijke nattigheid te voelen. Dat was helemaal het geval toen we zo’n 6 à 7 minuten later en na een aantal meters terreinwinst een nogal nonchalant tegen een muur geplaatst Efteling-achtig bordje tegen kwamen. ‘Vanaf hier een uur’. Hè? Maar een langslopende medewerker, zeg maar nr.2, wist bij navraag te melden dat dit wel ongeveer klopte.

 De diffuse rij met die grote afstandsgaten schoof inderdaad tergend langzaam op. Medewerker nr.3 kwam langs met klapstoeltjes voor wachtenden die knikkende knieën en vervelende voeten begonnen te krijgen. Levensgezel, die een praatje aanknoopte met medewerker 4 die de klapstoeltjes bij inleveren gelijk weer ontsmette, leerde dat het Rijksmuseum eigenlijk ook in een leerproces zat. Want hoeveel bezoekers kan je in zo’n tijdslot binnenlaten en hoe snel stromen die door in de zalen waar maar weer een beperkt aantal mensen te gelijkertijd mag verkeren? In feite waren we proefkonijnen in een logistiek experiment. Dat Eftelingbordje klopte trouwens. Het duurde inderdaad een uur voor we aan medewerker 5 volgens belofte konden vertellen dat het beloofde uur inderdaad een uur was. Zo bleek de Cruyffiaanse uitspraak ‘dat elk nadeel zo ze voordeel heb’ toch weer op te gaan. Want hadden we in de tussentijd niet in alle rust met diverse museumsuppoosten gezellig een praatje kunnen maken? Iets wat er anders nooit zo snel van komt.

één groot voordeel van het beperkte aantal toegelaten bezoekers, je kunt in alle rust kijken
Caravaggio, De doornenkroning 1603
Bernini, buste van Thomas Baker rond 1637

En die expositie? Hier tussendoor heb ik al met foto’s gestrooid. Interessant, maar geen echte topper. Dat komt ook omdat de allerbeste werken van Caravaggio gewoon vast gespijkerd zitten aan kerkmuren in Italië en op Malta. En omdat Bernini alle Rome-bezoekers natuurlijk al helemaal heeft afgebluft met zijn beroemde, grootse barokfonteinen en beeldengroepen. Daar kom je in ’t museum echt niet meer overheen. Wel was voor mij opnieuw duidelijk dat toch maar enkele Caravaggistische schilders in kwaliteit in de buurt komen van hun grote meester. Zelfs al hingen de topwerken van Caravaggio er dus niet.

Orazio Gentileschi (1563-1639) Judith en haar dienstmeid met het hoofd van Holofernes, rond 1608
dochter Artemisia Gentileschi (1593-1654), De extase van Maria Magdalena
Annibale Caracci (1560-1609), De bewening van Christus 1604

Maar toch mooi dat Nederlander  Hendrick ter Brugghen (1588-1629) daar zeker  bij hoort.

Hendrick ter Brugghen, De ongelovige Thomas, 1622
Hendrick ter Brugghen, Jonge vrouw die een luit stemt, 1627

Hoe dan ook, ik liep toch maar lekker rond  in het net weer geopende Rijksmuseum. En dat ’s avonds op de 21e mei, dus nadat levensgezel ’s morgens die tickets had vastgelegd, bekend werd dat de expositie met alle uitlenen erbij verlengd had kunnen worden tot 13 september? Ach, dat is eigen aan deze telkens opnieuw verrassende coronatijden. Nu hebben anderen ook nog de gelegenheid. Bij een, naar ik hoop, beter logistiek ingespeeld Rijksmuseum. En die Buitenkunst van mij? Tot volgende week.

TOOS

Kunst binnen gemaakt voor buiten


Fort Rammekens nu

We schrijven het jaar 10vC, tien voor Corona. In de oude jaartelling dus 2010. Ik loop in februari rond in de donkere krochten van Fort Rammekens bij Ritthem, bij de monding van de Westerschelde. Voor het eerst van m’n leven trouwens. Want als import-Brabander zei Fort Rammekens me toen nog niet zoveel. Helemaal fout natuurlijk, weet ik nu.

mijn Buitenkunst in de ‘etalage’ van mijn atelier aan de Korendijk 56

Dat beeld van destijds kwam weer boven toen het bestuur van onze Kunst en Cultuurroute Middelburg enige maanden geleden voorstelde om te beginnen met een project ‘Van binnen naar buiten’. Want coronatijden. Galerieën en ateliers voornamelijk dicht. Ook op de 1e zondagen van de maand, onze gebruikelijke routedag. Het idee: hang toch de routevlag uit, doe wat met je etalage, zet kunst voor je ramen, zet gewoon toch wat buiten. Op die manier kon een kunstige zondagmiddagwandeling door Middelburg langs gesloten deelnemersdeuren best aangenaam verrassend gemaakt worden. Dat gebeurde dus ook want we vormen met z’n allen een enthousiaste club.

Voor mij was ’t gelijk duidelijk, dat wordt dus mijn Buitenkunst. En daarvoor moet ik weer terug naar de historische grond van Fort Rammekens. Want historisch is die, voor mij nu ook. Gebouwd rond 1550 in opdracht van Maria van Hongarije, landvoogdes van de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden en zuster van Karel V, keizer van het gigantische Habsburgse Rijk. Want de wereldhaven Antwerpen moest worden beschermd tegen vijandige machten.  En de beslist niet onbelangrijke haven van Middelburg werd daardoor ook direct meegenomen. Waar kon dat beter gebeuren dan aan de monding van de Westerschelde.

Fort Rammekens eeuwen geleden met schepen wachtend op goede wind. Naar boven de directe toegang naar Middelburg, naar recht de Westerschelde richting Antwerpen
Willem Hermansz. van Diest, Zicht op de rede van Fort Rammekens bij Vlissingen

Op die historisch heilige grond liep ik dus in 10vC voor het eerst rond. Want de directie van het Vlissingse MuZEEum had me gevraagd of ik er mogelijk voor voelde een grote expositie op te zetten in het fort. Een aantrekkelijk idee. Maar zoals altijd, eerst de locatie bekijken.

Prachtig vond ik ‘t. Duistere krochten, lange donkere gangen, heerlijk verweerde oude muren. Daar kon ik wel wat mee.

een paar foto’s van die gangen en krochten

Maar één dingetje was voor mij gelijk duidelijk, met mijn olieverfschilderijen kon ik ’t daar wel schudden. Kort samengevat: te koud, te vochtig en te zout. Wat wil je ook, een meer open dan dicht fort direct aan het zoute water van de Westerschelde. ’s Avonds gingen dan wel de krochtdeuren en de grote poort dicht, maar verwarming? Niet functioneel. En die expositie zou een half jaar gaan duren. Nou,dan kon je er vergif op innemen dat daarna alle olieverfschilderijen naar de sloop hadden kunnen worden gebracht. Dat soort omstandigheden konden ze echt niet aan. Dus gelijk als bij Tom Poes, kwam het er op neer ‘Toos, verzin een list’. Of eigenlijk heel veel listen. Want ik wilde ’t liefst het hele fort zoveel mogelijk gaan gebruiken. Het moest groots worden.

nog een paar van die foto’s

Al denkende en zoekende kwam ik een techniek tegen die net in opkomst was. Die van het drukken op een voor mij toen nog onbekend materiaal. Alu-dibond. Een plaat van kunststof aan beide zijden bedekt met een laag aluminium waarbij op een van die zijden op het aluminium digitaal een afbeelding kon worden aangebracht. Dat was ‘t! Op die manier kon ik op hoge resolutie ingescande dia’s van mijn schilderijen op het alu-dibond laten overbrengen. Maar in Nederland waren er nog nauwelijks bedrijven die dat én goed én op allerlei grootten konden. Nu doet elke fotozaak ’t voor je, maar 10vC was een andere tijd. Zoekend op internet kwam ik terecht bij het bedrijf ZWF in Bolsward. Die hadden net een nieuwe grote flatbed printer waarmee heel veel mogelijk was. En ach, Bolsward is in ons kleine landje ten slotte niet het eind van de wereld. Het gevolg? Ik werk nog steeds naar volle tevredenheid met ze samen.

ik hang een van de aludibonds op in het fort
vorig jaar in Bolsward, overleg met eigenaar Geoffrey Schippers
van ZWF over een opdracht

Daar dus, in Bolsward, en vooraf in mijn fantasie vond mijn Buitenkunst vorm. In 9vC uitgebreid te aanschouwen in Fort Rammekens en vandaag de dag dus in mijn atelieretalage in het kader van die actie ‘Van binnen naar buiten’. Zolang de coronasluiting duurt. Want ook op de eerste zondag van juni houd ik toch nog maar even mijn deuren dicht. Misschien weer in juli. Maar wel is zeker dat er over die Buitenkunst, dat fort en met kunst versierde tuinen nog veel meer te vertellen is? Daaraan ga ik me de volgende keer opnieuw te buiten.

nog zo’n kunstwerk op alu-dibond

Tot volgende week.

TOOS

Vrijetijds Kunstprofeten, Kunst als fundamentele Levensbehoefte en ‘The 70-Series and More’


expositie ‘The 70-Series and More’ in Vellekoop & Vellekoop Kunsthandel, De Lier

Als ik me weer de beelden van afgelopen Hemelvaartsdag voor de geest haal, zou ik bijna gaan wensen dat ’t in het Pinksterweekeinde af en toe even lekker doorgiet. Want wie kunnen zich nou eigenlijk in deze coronatijden bij hun volle verstand als kuddes lemmingen op de boulevards en stranden willen storten? Een aantal verfrissende buien zouden dat ‘volle verstand’ dan misschien wel goed doen.  Net zoals het besef dat 1,5 meter toch echt niet zo’n  rekbaar begrip is dat je die behoorlijk kunt laten inkrimpen. Zou er nou echt niks anders te verzinnen zijn voor die vrije tijdsbesteding?

Zelf zal ik daar in het Pinksterweekeinde niet zoveel problemen mee hebben. Want juist dan gaat toch nog, na een paar maanden uitstel, mijn nieuwe editie van ‘The 70-Series and More’ echt van start. Bij Vellekoop & Vellekoop Kunsthandel in De Lier, Pastoor van Rooijplein 3. Dus mocht je nog wat vrije tijd over hebben? Van harte welkom. Maar daarover straks meer.

een paar maanden geleden toen het werk voor de expositie werd gebracht

Want over vrije tijd gesproken! De geschiedkundige schellen zijn me onlangs eindelijk van de ogen gevallen. Dankzij het nieuwe college van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant. Mogelijk heb je er over gelezen. VVD, CDA en iets provinciaals hebben met Forum voor Democratie een nieuw college in elkaar geflanst. Gaande dat flansen deden ze een geweldige ontdekking. Namelijk dat kunst en cultuur eigenlijk niks anders voorstellen dan iets dat  wel kon  vallen onder een nieuw te benoemen gedeputeerde voor Vrije Tijd. Wel een bezuinigingsgezinde natuurlijk. Geniaal toch?

Laat ik nou altijd gedacht hebben dat cultuur en kunst intrinsiek waren aan de menselijke geest. Dat ze een onmisbaar onderdeel vormen van ons mens-zijn. Maar volgens dit Brabantse college is ’t  eigenlijk allemaal alleen maar vrijetijdsgedoe. Die tienduizenden jaren oude brokstukken van wat zeer waarschijnlijk een primitieve fluit is geweest? Gewoon een stukje huisvlijt van iemand die toen al teveel vrije tijd had. Een fundamentele behoefte tot het maken en genieten van ritme en muziek? Kom op zeg! Je moet toch iets doen met die overvloed aan vrije tijd tussen jagen en verzamelen door. En die oude grotschilderingen? Waarschijnlijk meer zoiets van ‘wat zal ik vandaag eens gaan doen, oh ja, mijn grot een beetje opleuken’. En die prachtige gotische kathedralen uit de Middeleeuwen? Een uit de hand gelopen vrijetijdshobby natuurlijk. Of Rembrandt? Een typische zondagsschilder. Vergeet trouwens Vincent van Gogh niet. Dankzij de financiële steun van zijn broer Theo had ie natuurlijk veel te veel vrije tijd. Kon ie gelijk lekker een beetje kwasten. Dat ik nou FvD, VVD, CDA en dat iets provinciaals nodig had om dat te ontdekken! Zo zie je maar, als mens en als kunstenaar ben je nooit te oud is om nog wat  te leren van zo’n groep diepe doordenkers. Nu weet ik ten minste weer waar ik als kunstenaar sta in deze maatschappij.

in de galerie

Maar goed, terug naar De Lier (https://www.vellekoopkunsthandel.nl/ ). De opening van mijn ‘The 70-Series and More’ stond gepland op 21 maart. In mijn blog van 12 maart schreef ik daarover. Maar ja, corona. Galerie eigenaar Piet Vellekoop had er zelfs al een film over laten maken die vertoond werd op de WOS, de regionale omroep van het Westland.

filmopname

Dat had natuurlijk niet meer zoveel zin bij een feitelijk gesloten galerie. Piet en ik besloten toen alles maar te laten hangen tot we een duidelijker kijk kregen op de loop der gebeurtenissen. Nu de corona-mist wat aan het optrekken is, wisten we het. De officiële vernissage gaat plaatsvinden in het Pinksterweekeinde. Ooit daalde volgens het Nieuwe Testament met Pinksteren de Heilige Geest neer. Mocht nu, naast af en toe die al genoemde plensbui van hierboven, de kunstgeest dat ook gaan doen over ons als vrije-tijds-mens, dan zou ik dat helemaal niet erg vinden. De expositie hangt, al zeg ik ’t zelf, prachtig. Die anderhalve meter zal geen probleem zijn. En die film draait alweer op de WOS. Net zoals trouwens hieronder via een link met mijn YouTube-kanaal.

overleg met Piet over de inrichting van de expositie

Op mijn Facebook en Instagram pagina’s heb ik de laatste maanden ook de nodige aandacht gegeven aan de 70 kunstwerken uit mijn ‘The 70-Series’. Met als gevolg dat er nu ook al werken op heel andere adressen hangen. Maar 70 moest natuurlijk wel 70 blijven. Kom maar tellen .

De expositie loopt voorlopig van zaterdag 30 mei tot zondag  14 juni elke dag van 1 tot 5 uur. Zelf ben ik op Pinksterzondag en maandag aanwezig. Om bijvoorbeeld kopers van mijn nieuwe boek ‘TOOS VAN HOLSTEIN II, for me art is travelling the mind’ te plezieren met een opdracht erin. Maar ook om het glas te heffen op een goede afloop van alle corona-misère. Tot volgende week.

TOOS

Kunstinitiatieven contra de corona crisis


We leven op dit moment toch maar in bizarre tijden! Want stel nou dat je na een aantal alcoholrijke Brabantse of Limburgse carnavalsdagen eind februari had gehallucineerd dat half mei kapperszaken met wel of niet met mondkapjes bekapte kappers zouden worden overstroomd door langharig tuig. Dan was de kans op een aantal dagen thuisquarantaine beslist groot geweest. Zelf kan ik er trouwens weken over dubben of ik nou wel of niet naar de kapper zal gaan. Dus in deze situatie nog een paar weken langer twijfelen? Voor mij geen probleem.

bezig in mijn atelier, met mijn uitgegroeide haardos

Of stel dat je eind februari na je gebruikelijke skivakantie in Noord-Italië een bezoekje aan je nagelstudio nog maar even liet zitten. Oeps, kardinale fout! Nu blijkt uit de met afspraken vol stromende agenda’s dat in onze welvaartswereld de nagelstudio een eerste levensbehoefte vormt voor velen. Onze grootouders zouden wel heel erg magisch realistisch hebben moeten kunnen dromen om zich dat voor te kunnen stellen. Ik trouwens ook. Want mijn nagels zijn onderdeel van mijn schildersgereedschap. Er lekker mee krassen in de verf of zelfs verf ermee wegkrabben, ik hoef er echt geen kleurpatroontjes op te laten smeren. En het schilderslinnen manicuurt ze vanzelf.

hier is mijn duimnagel er goed voor

Maar de laatste paar weken gebeurt dat toch iets minder. In feite is dat de dikke schuld van het CBK Zeeland, het Centrum Beeldende Kunst in Middelburg. Daar werd in april het initiatief genomen tot de website Kunstbezorgd.nl. Toen schreef ik er al over. Lees maar. Naar aanleiding daarvan startte ik met wat ik maar mijn ‘Corona Serie’ ben gaan noemen. Hieronder een kort filmpje met daarin  voorbeelden ervan. Best makkelijk, zo’n iPad Pro die dat bijna helemaal uit zichzelf even voor je uitzoekt.

Allemaal kunstwerken ter grootte van een in de brievenbus passend A4’tje. Maximaal dus 21,0 bij 29,7 cm. Want dat was één van de voorwaarden bij deze actie. Zoals ook dat je ingeschreven moest zijn als professioneel Zeeuws kunstenaar. En je moest akkoord gaan met de standaardprijs van €100 voor alle kunstwerken. Ongeacht je status als kunstenaar. Ongeacht wel of geen provinciale, landelijke of internationale bekendheid. Ongeacht het kunstcircuit waarin je verkeerde. Ongeacht lage of hoge verkoopprijzen in atelier of galerie en ongeacht het type kunstwerk. Gewoon gelijke kunstenaars, gelijke kunstkappen. Een sympathiek initiatief. Levensgezel en ik hebben daarbij onderling nog wel even over die prijs gediscussieerd. Want €100 was toch eigenlijk wel rijkelijk laag gezien de prijsopbouw van mijn kunst in de loop van mijn kunstcarrière. Maar het regionaal Zeeuwse aspect en de hele opzet gaven de doorslag. Gewoon doen. Maar dan met wat?

werkend aan een kunstwerk uit de ‘Corona Serie’

Nou, om ideeën zit ik meestal niet verlegen. Struinend door de materiaalvoorraad in mijn atelier kwam ik ineens weer die stapel lekker dunne aluminiumplaten tegen. Een aantal jaren geleden gekregen van een vriendelijke drukker. Een ideale ondergrond om op te werken. En ook zodanig groot dat ik er met een scherp mes makkelijk twee keer een A4 uit kon snijden.

Nu zijn er dus al zo’n twintig van die Corona Serie verkocht op Kunstbezorgd.nl. Ik lever de foto’s aan bij het CBK, ze worden geplaatst en binnen de kortste keren zijn ze weg. Veren zat dus in mijn achterwerk. Zittend werken gaat nauwelijks meer.

een van de verkochte mixed media werken uit de ‘Corona Serie’

Daardoor ben ik de laatste weken voornamelijk met die mixed media Corona Serie bezig en kan ik mijn nagels even wat minder manicuren aan mijn olieverven. Wat die mixed media techniek dan wel inhoudt? Tja, dat blijft lekker het geheim van deze kunstenaar. Sommige technieken houd ik gewoon binnen de muren van het atelier ‘Holstein’.

afgelopen maandagmorgen geplaatst op Kunstbezorgd.nl, een paar minuten later verkocht

Zo wellen er in Middelburg meer kunstinitiatieven op ter bestrijding van de beperkende corona omstandigheden. Want ’t is natuurlijk heel jammer dat de april en mei edities van onze onvolprezen Kunst en Cultuurroute niet konden doorgaan. Daarom hebben we nu de actie ‘Kunst van binnen naar buiten’. Lees op https://www.kunstroutemiddelburg.nl/ maar eens wat dat inhoudt. De stad stikt tegenwoordig zowat van de bijbehorende affiches die achter vele ramen zijn geplakt.

in de etalage van mijn atelier

Zelf doe ik er aan mee met mijn ‘BUITENKUNST/KUNST VOOR BUITEN’. Daar schrijf ik vast nog wel een keer iets over. Voor nu moet een foto maar genoeg zijn.

 

Tot volgende week.

TOOS

Én een dijk van een wijf én one of the boys, Niki de Saint Phalle


Vrijdag de 13e een ongeluksdag? Hoezo! Donderdag 12 maart kom ik aan in Nice, vrijdag 13 maart loop ik daar met mijn Nicoise vrijkaart gratis het Mamac binnen, het museum voor de moderne kunst, en zaterdag 14 maart sluit dat plotsklaps voor onbepaalde tijd. Parijse corona-beslissing! Ik had dus gewoon dikke mazzel op die vrijdag de dertiende. Want ik wilde in de week dat ik in Nice zou zitten hoe dan ook absoluut beslist per se naar dat Mamac. Dat zit zo.

in het Mamac bij een werk van Niki de Saint Phalle
Niki de Saint Phalle

Als ik in Nice ben, ga ik sowieso altijd wel een keer. Voor de speciale tijdelijke tentoonstelling én zeker ook voor de zalen gereserveerd voor de ruime collectie van het museum zelf. Met meestal werk van kunstenaars uit de zogenaamde École de Nice.  Maar die zogenaamde School van Nice komt nog wel eens. Dit keer ging ik gericht voor Niki de Saint Phalle (1930-2002), een vrouwelijke kunstenaar die ik steeds meer ben gaan waarderen. En dan niet zozeer vanwege al haar kleurige, rondborstige, dijïge, reuzengrote en ook kleine Nana’s die je over de hele wereld kunt vinden. Nee, veel meer vanwege de kunst die ze maakte in aanloop naar die aaibare, vrolijke Nana’s. Kunst die ik leerde kennen juist in het Mamac. Want uit die periode waarin ze zich ontwikkelde als feministe, als een vrouw die zich niet weg liet blazen in de kunstwereld van de mannen, als iemand die duidelijk succes wilde hebben, als een dijk van een wijf dus, heeft het Mamac een grote verzameling. Honderd en negentig kunstwerken. Door Niki, Française van geboorte, in 2001 aan het museum geschonken bij een grote overzichtsexpositie van haar.

een kunstwerk uit haar schenking

Maar waarom wilde ik hoe dan ook absoluut beslist per se gaan kijken in die week in maart? Omdat ik niet lang daarvoor een grote tentoonstelling van haar werk had gezien in het Scheveningse ´Beelden aan Zee´. Een prachtig aan de boulevard gelegen en toch verscholen in de duinen gebouwd museum. Met een teleurstellende expositie. In mijn ogen dan. Want heel veel andere bezoekers vermaakten zich uitstekend met al die vrolijke Nana´s en met de gekleurde fantasiekatten, slangen en andersoortige fabeldieren. Die zelfs op carrouselachtige platforms alsmaar aan het ronddraaien waren.

een paar foto’s van de expositie in Beelden aan Zee

een oer-nana, uitgeleend door het Mamac

Juist dat irriteerde me. Net zoals het feit dat ’t vooral om die welbekende Nana´s draaide, letterlijk dus, en veel te weinig over de aangrijpende, intrigerende kunst die ze eerder maakte. Zoals de oer-nana’s en haar schietschilderijen uit de jaren 60/70 waar juist in het Mamac de nadruk op ligt. Zonder kermistoestanden er omheen. Kunst ook met een achtergrond.

in de Niki de Saint Phalle zaal van het Mamac

Geboren in Frankrijk, opgegroeid in de USA, als kind misbruikt door haar vader, van een katholieke school weggestuurd, een paar jaar in een meisjesinternaat, daar het feminisme ontdekt, fotomodel, op 19-jarige leeftijd getrouwd, twee kinderen, naar Frankrijk om daar al snel te scheiden waarbij de kinderen aan de vader worden toegewezen, zonder opleiding met kunst begonnen en juist in de kunstwereld je levenspartner, de opkomende ster Jean Tinguely, tegengekomen. Zoiets vormt natuurlijk je karakter. Ze werd daardoor ook, zoals ik dat interpreteer, one of the boys. Kijk alleen maar naar onderstaande foto’s. Gemaakt toen ze meedeed met een expositie in het Amsterdamse Stedelijk Museum, nog onder leiding van de legendarische directeur Sandberg. Die beelden spreken voor zich.

in Amsterdam, met links van Niki haar levenspartner Jean Tinguely
ook in Amsterdam, met Sandberg zittend op de trap

Of haar oer-nana’s mogelijk uit dat misbruik in haar jeugd voortkomen? Zou heel goed kunnen. Maar zoiets duiden laat ik liever aan de Freuds in onze wereld over. In ieder geval zijn ze uniek.

twee van de oer-nana’s in het Mamac met rechts die uitgeleende van een foto hierboven

Net zoals haar schietschilderijen, de zogenaamde Tirs. Kijk maar eens naar dit filmpje.

Sommigen zullen ’t niks vinden, ik geniet ervan. In het Mamac hangt onderstaande. En op internet kwam ik nog een foto tegen dat ze juist op dit werk aan het schieten is.

Aaibaar zoals de latere Nana’s? Nou nee, niet direct! Dat geldt trouwens ook voor een reeks altaren die ze maakte. Misschien iets vanwege haar niet in dank afgenomen katholieke opvoeding?

zo’n altaar in Beelden aan Zee
een veel groter altaar in het Mamac, met lekker veel pistolen erop

Maar uiteindelijk stroomde door het wereldwijde succes van haar Nana’s de bankrekening zodanig over dat ze in Toscane een droom kon realiseren. Haar nu beroemde Giardino dei Tarocchi, gebaseerd op figuren van Tarotkaarten. Twintig jaar werk zit daarin. Hier vind je een uitgebreide documentaire over die tuin die ooit op NPO2 werd uitgezonden.

Ik moet er nog trouwens steeds heen, echt een lacune in mijn kunstontwikkeling. Maar wie weet lukt dat in het jaar 1 n.C. van onze nieuwe jaartelling. Het jaar 1 na Corona. Tot volgende week.

TOOS

Waarom een cholera-epidemie de Côte d’Azur groot maakte


op een door coronaperikelen hallucinant lege Promenade des Anglais in Nice wordt een wandelaar gecontroleerd of hij daar wel mag lopen

Stel nou eens dat er van 1832 tot 1834 geen heftige cholera-epidemie door Frankrijk heen had geraasd. En dat die niet had gedreigd over te slaan naar Italië. En dat dus het rijtuig van Lord Brougham en zijn dochter, op doorreis naar Italië, niet bij de rivier de Var ten westen van Nice was tegengehouden. Zou Henri Matisse dan in 1917 onderstaand schilderij van de toen al iconische Promenade des Anglais in Nice hebben geschilderd?

Matisse, Promenade des Anglais, 1917

En had ik dan afgelopen 13 maart in het Mamac, het Musée d’Art Moderne et d’Art Contemporain van Nice, kunnen ronddolen?

deel van het Mamac in Nice

Bij dit soort als-vragen trekt levensgezel altijd lichtelijk z’n wenkbrauwen op en weet ik dat er zo’n soort opmerking komt als ‘als ik nog een broer had gehad, had die dan bruine bonen gelust?’. Maar zeg nou zelf. De nieuwsstroom begin maart raakte bijna volledig verstopt door een pandemie aan corona-berichten. Terwijl bovendien de dag na mijn bezoek het Mamac werd gesloten voor onbepaalde tijd. Logisch toch dat toen die als-vragen in me opkwamen gezien de epidemiegeschiedenis van de Franse Rivièra?

Lord Henry Brougham

Goed, Lord Henry Brougham dus. Een voormalige Britse minister van Financiën die er net niet in slaagde Prime Minister te worden. Derhalve dus niet onbemiddeld. Met zijn wat ziekelijke dochter Eleonore Louise via Zuid Frankrijk op weg naar Italië voor het aangename klimaat en de geëigende Grand Tour. Die voor elke Engelse jongeling van stand verplichte tocht om klassiek en cultureel doorvoed te geraken. Maar ja, domme pech. Cholera in Frankrijk en grens dicht. Niet bij Menton, maar bij de rivier de Var. Want toentertijd viel Nice nog onder het Koninkrijk Sardinië waartoe ook de regio Piemonte met als hoofdstad Turijn behoorde en waar de Hertog van Savoye de scepter zwaaide en de titel koning was geschonken door de Habsburgse keizer in Wenen. Hoezo verwarrend! Eén van de vele redenen waarom ik zo’n voorstander ben van de EU. Maar dat terzijde.

De Var ten westen van Nice vormde een natuurlijke grens met Frankrijk. Daar werd Brougham dus tegengehouden. Nee meneer, blijft u maar lekker aan uw kant, wij willen aan onze kant geen cholera. Dat werd dus omkeren. Maar waar nu te overnachten? Nice was ten slotte het volgende reisdoel geweest, daar bivakkeerde in de winter al vaker een handvol vermogende Engelsen. In het suffige vissersdorpje Cannes werd een eenvoudig onderkomen gevonden. De herberg van Monsieur Pinchinat. Veel meer dan dat had je in die streek in die tijd ook niet aan onderkomens. De rest is geschiedenis.

Brougham was binnen een paar dagen volstrekt verkikkerd op de streek, het eten, de ambiance, het weer en nog zowat van die zaken. Als man van een paar losse centen kocht hij binnen de kortste keren een stuk grond en twee jaar later, in 1836, hield hij een groot, duur en deftig feest voor de upper ten van politiek, adellijk en kapitalistisch Great Britain in zijn nieuwe, grootse villa op dat terrein. Globalisatie iets van deze tijd? Vergeet ’t maar, toen wisten ze er ook al van.

het bordes van de villa Eleonore van Lord Brougham in Cannes

In enkele tientallen jaren groeide het kleine dorpje Cannes uit tot een stad waar Europese rijken, de Russische adel inbegrepen, graag verkeerden. Zeker toen Brougham er zich tegenaan bemoeide om een betere haven te krijgen en in 1863 de spoorlijn vanaf Parijs naar de Franse Rivièra was doorgetrokken.

Maar nu nog Nice en Matisse. In 1860 verdween de Var als grens. De Piemonte tot voorbij Menton, het vroegere Comté de Nice, kwam bij Frankrijk. Nice werd ook booming. De beau monde van Europa kwam er flaneren. Over het van oorsprong smalle pad met de naam Promenade des Anglais waar de eerste Engelsen verpoosden die er al voor 1860 kwamen. Maar nu een steeds breder wordende boulevard waar de hotels zich aaneenregen. Queeen Victoria kwam er zelfs overwinteren in het imposante, tegen de heuvels gebouwde La Régina.

Promenade des Anglais in 1886
La Régina, waarvan Queen Victoria de helft in beslag nam als ze ter verpozing in Nice verkeerde

Nadat Paul Signac zich in 1892 als eerste kunstenaar vestigde in het vissersdorpje Saint Tropez kwamen daarna al gauw kunstenaarsvrienden op bezoek. Renoir kocht in 1903 in Cagnes-sur-Mer een villa en Matisse, daar is ie, logeerde in 1917 voor het eerst in Nice. Aan de Promenade des Anglais natuurlijk. Bonnard, Dufy, van Dongen, Picasso, Braque, Modigliani, Cocteau en Chagall volgden.

Raoul Dufy, Uitzicht op de Promenade des Anglais

Is ’t gek dat er daarom nu heel veel musea in Nice zijn? Zoals dat Mamac?

uitzicht op het Mamac met een beeld van Niki de Saint Phalle ervoor

Op die genoemde vrijdag 13 maart liep ik daar nieuwsgierig naar binnen om nog even de zalen met de eigen collectie te bezoeken. Zou er weer ander werk van Niki de Saint Phalle getoond worden uit de grote collectie eigen werk die ze ooit aan het museum schonk? Overigens, zou dat wel zijn gebeurd als Lord Brougham in 1834 ….? Maar ik zie de wenkbrauwen van levensgezel alweer omhoog gaan. Oh ja, Italië werd in 1835 toch getroffen door de cholera en levensgezel heeft wel een zus maar inderdaad geen broer. Tot volgende week.

TOOS 

Kunst voor en door je brievenbus: Kunstbezorgd.nl


bezig met kunst voor door de brievenbus

De creatieve sector heet natuurlijk niet voor niks zo. Die zit vol met creatievelingen. Out of the box denkers, zoals dat in modern jargon heet. Of omdenkers, dat hoor je tegenwoordig ook wel. Typisch een woord dat Marten Toonder bedacht zou kunnen hebben. Ik zie ’t al voor me, een stripverhaal met de titel ‘Heer Bommel en de Omdenkers’. Trouwens, Bommels gevleugelde uitspraak ‘Tom Poes, verzin een list’ kunnen we nu ook heel goed gebruiken.

Want ’t zijn barre tijden voor de culturele sector. Maar door al die creatievelingen, omdenkers en Tom Poes’en  gist en borrelt het wel als in zo’n scheikunde opstelling met allemaal glazen kolven, retorts, bollen en buisjes . Inventieve initiatieven in overvloed. In voorgaande afleveringen liet ik er al eens wat voorbeelden van zien. Dat moet ook wel want anders gaat er een geweldige culturele kaalslag plaatsvinden. Vandaar dat het idee van ‘Kunstbezorgd.nl‘ van CBK Zeeland me gelijk sterk aansprak.

Even ter verklaring, CBK staat voor Centrum Beeldende Kunst. Je vindt die centra in o.a. Groningen, Amsterdam, Rotterdam, Den Bosch en nog zo wat plaatsen. Ook dus in mijn eigenste Middelburg. Samen met heel veel musea en andersoortige kunstinstituten vormen ze de door de overheid gefinancierde ruggengraat van het gesubsidieerde beeldende kunst circuit. Maar daarnaast bestaan er nog andere circuits. Zoals bijvoorbeeld dat van de galerieën met hun kunstenaarsstal. Daar moet het geld worden verdiend met de verkoop van kunst. In die kring beweeg ik me voornamelijk. Daarom weet ik uit ruime ervaring dat al die circuits eigenlijk eilanden zijn met,spijtig genoeg, veel te weinig brugverbindingen. Waar geen gebrek aan is, is onderlinge animositeit, dat heb ik vaak genoeg gemerkt. Zo van ‘ik moet ’t voor mijn kunstbestaan van verkoop hebben en hullie daar eten uit de staatsruif’ of ‘wat die en die galerieën doen is toch wel erg commercieel, niet ons pakkie an’. In de galeriewereld zelf weten ze trouwens ook wel van het creëren van de nodige apartheid. Daarvoor hoef je alleen maar de onderlinge kritiek te ervaren tussen het circuit van de zogenaamde white cubes voor de happy few met kunst waar ‘je echt verstand van moet hebben’ en de galerieën die meer toegankelijke kunst brengen voor een breder publiek. Maar goed, dat zijn allemaal weer andere verhalen.

het prachtige oude pand waarin CBK Zeeland op de begane grond zit

Nu het CBK Zeeland en dat zeer recente initiatief Kunstbezorgd.nl . Dat is nou echt zo’n brug tussen de eilanden. Elke Zeeuwse kunstenaar met een beroepsopleiding kan foto’s inleveren van kunstwerken die passen in een A4-envelop en dus door de brievenbus kunnen. Of je nu beginnend of gelouterd kunstenaar bent, wereldberoemd bent in Zeeland of ook daarbuiten, werkt in het gesubsidieerde circuit of met commercieel ingestelde galerieën, je kunstwerken normaal een paar honderd of een paar duizend euro op moeten brengen, ’t doet er allemaal niet toe, je kunt meedoen. Als je maar aanvaardt dat je kunstwerk tegen een standaardprijs van €100 te koop is.

een al verkocht werk van mij voor Kunstbezorgd.nl

Moet je je voorstellen! Je loopt een jeanswinkel binnen waar alle spijkerbroeken, of ze nou merkloos zijn of van Levi, G-Star Raw, of Diesel, voor een vaste, minimale prijs op de planken liggen. Dat wordt nog een probleem met het toestormend publiek en die 1,5 meter. Of je loopt bij voorbaat watertandend een autoshowroom binnen. Want je weet dat op alle modellen van klein tot groot, van simpel tot luxe een bordje staat met daarop één vaststaand,heel laag bedrag. Die auto’s vliegen, bij wijze van spreken dan, de zaak uit.

Zo moet je dus die site van Kunstbezorgd ook zien. Maar nu kun je wel thuis blijven, je kunstbestelling komt gewoon naar je toe. Na bericht van aankoop verstuurd door de kunstenaar zelf.

aandacht voor de actie in mijn ‘etalage’
nog een paar van mijn A4-formaat werken

Die prijs van €100 is voor mijn kunst best laag. Maar ik vond dit initiatief, deze nieuw geslagen brug tussen te vaak gescheiden kunsteilanden, zo sympathiek en zo aanbevelenswaardig dat ik dat in ’t geheel geen probleem vond en er gelijk een aantal kunstwerkjes voor heb gecreëerd. Ga er maar eens kijken en laat je verbazen door de diversiteit. Tot volgende week.

TOOS

Een Paasverhaal bij het wereldmerk Da Vinci


zelfportret van Leonardo da Vinci

Rembrandt is natuurlijk ons grote Nederlands schildersicoon. Of mogelijk Van Gogh? En voor België? Rubens toch wel, denk ik. Picasso voor Spanje? Zou best kunnen. Maar wie zou het wereldmerk voor de beeldende kunst zijn? Ik ga voor Leonardo da Vinci. Want als er ook maar ergens een flintertje nieuws over hem opduikt, vliegt ’t gelijk als Covid-19 de hele wereld over. Mocht er een kunstenaarshiernamaals bestaan, dan heeft Leonardo in de afgelopen eeuwen daardoor vast al heel vaak een hemels glimlachje kunnen tonen boven zijn zorgvuldig gecoiffeerde en gekrulde baard. Misschien ook wel toen ik mijn blog vorige week eindigde met die lange, lege tafel.

Eigenlijk een soort voorbode voor de surrealistische Paasperiode die we nu al weer achter de rug hebben. Een Corona-Pasen in combinatie met de aanstormende 1,5 meter economie. Ga maar na. Sinds eeuwen geen Semana Santa processies in Spanje. Een moeilijk lopende oude paus, bijna in z’n uppie in die gigantische Sint Pieter in Rome met een massaal plein ervoor zelfs zonder uppies. Een volop bloeiende Keukenhof met hallucinerend lege parkeerterreinen. En dus ook geen Jezus en discipelen aan het Laatste Avondmaal op die beroemde en beruchte muurschildering van Leonardo da Vinci in de eetzaal van het Santa Maria delle Grazie klooster in Milaan. Door hem met tussenpozen gecreëerd in de jaren 1495-98. Met experimentele methoden en materialen. Tja, je bent natuurlijk Leonardo de onderzoeker of je bent ‘m niet. Vandaar dan ook die toevoeging ‘beruchte’ hierboven. Want al heel snel begon zijn meters hoge en brede Laatste Avondmaal  te vervagen, te scheuren, te bladderen en wat al niet meer. Vele, meestal slechte restauraties volgden in de eeuwen erna. Experts schatten dat nog maar zo’n 20% enigszins oorspronkelijk is. Maar origineel of niet, Jezus en zijn twaalf apostelen zijn gehavend en wel natuurlijk toch weer teruggekeerd aan hun tafel.

Toch zou Da Vinci niet Da Vinci zijn als dat het hele verhaal over zijn muurschildering zou zijn. Want, zoals al geconstateerd, altijd weer duikt er een artikel, een boek of een documentaire op met deze uomo universale  uit de Renaissance in de hoofdrol. Fascinerend vind ik dat. Zo verscheen een paar jaar geleden een documentaire over een tweede, perfect gelijkend Laatste Avondmaal van Leonardo. Hier de trailer van die documentaire.

We hoeven dus helemaal niet naar Milaan, we kunnen gewoon naar een oude abdij in het Belgische Tongerlo.

de abdij in Tongerlo
de zaal daar met ‘Het Laatste Avondmaal’

Voor dat min of meer verborgen Da Vinci geheim. Even groot als de oorspronkelijke muurschildering maar dan op doek. Gemaakt in opdracht van koning Louis XII van Frankrijk. Wel grotendeels geschilderd door medewerkers van Leonardo’s atelier maar, zo wordt vermoed, met Jezus en Johannes van Leonardo’s eigen hand. Gewoon naar Tongerlo dus en niet naar Milaan. Nu alleen nog even niet. Corona en zo! Nieuwsgierig geworden? Hier vind je de hele documentaire ‘The Search for the Last Supper’. https://youtu.be/FSKIQebJ4ZI

Trouwens, een paar geleden stond ik nog bij de Milanese versie. Wel in Haarlem. Bij een moderne  namaak in het Teylers Museum tijdens een expositie over tekeningen van Leonardo.

Waar je helemaal niet meer naar op zoek hoeft is Leonardo’s beroemde muurschildering ‘De slag bij Anghiari’. Die is namelijk echt verdwenen. Alhoewel? Misschien is ie alleen maar verstopt. Ook dit is weer zo’n intrigerend Da Vinci verhaal dat eens in de zoveel jaar de kop opsteekt. Dat hij in 1507 het fresco maakte op een muur van de grote zaal van het Palazzo Vecchio in Florence is zeker. Er bestaan zelfs nog voorstudies van zijn eigenste hand.

studieschets van Da Vinci voor ‘De Slag bij Anghiari’

Maar ja, zelfde verhaal. Hij was weer lekker aan het experimenteren geslagen met materialen. Gevolg? Mislukking op mislukking. Vermoedelijk zelfs niet afgemaakt en nu, zo lijken een paar piepkleine boorgaatjes van 4 mm aan te tonen, mogelijk verstopt achter een extra muur waarop Giorgio Vasari in 1563 een ander fresco maakte. Een schildering die er trouwens nog wel goed bij staat. Dus wat te doen? Proberen er achter te kijken of die voorste muur in z’n geheel netjes weghalen? Er wordt nog steeds over gediscussieerd door horden specialisten.

Net zoals over waar zich nu eigenlijk dat duurste schilderij ter wereld, die  Salvator Mundi van 450 miljoen dollar, bevindt. Weer zo’n spannend Leonardo da Vinci verhaal. Maar niet voor nu.

Nog even dit. Vorige week begon ik met die gesloten  once in a lifetime expositie over Rafaël in Rome. Laat daarvan nu net een prachtige video op internet te zijn geplaatst.

Net zoals over tekeningen van Rafaël die zich bevinden in een hierboven al genoemde, altijd een beetje verborgen gebleven museumparel. Het Teylers Museum.

Tot volgende week.

TOOS

Was Jan van Eyck bijziend en andere afleidingen voor corona-dips


Man met rode tulband, vermoedelijk een zelfportret van Jan van Eyck, 1433

Soms zit ’t mee en soms zit ’t tegen. Was je één van die 70.000 die van te voren al een kaartje had gekocht voor de ‘once in a lifetime’ expositie in Rome over kunstenaarsgenie Rafaël (1483-1520)? Dan had je dus dikke pech. Op 4 maart geopend, drie dagen later weer dicht. Coronavirus! Had je een ticket op 13 maart of later voor de ook ‘once in a lifetime’ tentoonstelling over Jan van Eyck (1390?-1441) in Gent? Idem dito! Maar voor mij zat ’t mee. Levensgezel en ik hadden toegangsbewijzen met datum 2 maart. Voor toen de wereld, nog maar vijf weken geleden, er radicaal anders bij lag. Niks dicht, alles open. Hoe lang geleden lijkt dat al.

Ik had er naar uitgekeken, naar die tentoonstelling ‘Van Eyck, een optische revolutie’. Daarbij, ik was ’t eigenlijk ook wel moreel verplicht er heen te gaan. Want had ik niet diverse keren in de jaren 90 geëxposeerd onder het toeziend oog van de gebroeders Jan en Hubert van Eyck? Nou ja, van hun standbeeld dan, op het grote marktplein van hun vermoedelijke geboorteplaats Maaseik.

Met op de hoek de prachtige Galerie Den Peroun. Dat waren schone exposities, al zeg ik ’t zelf op z’n Vlaams. Maar ja, galerieën komen en galerieën gaan terwijl kunstenaars blijven bestaan. Den Peroun is niet meer. Maar hun Maaseikse beeld en de schilderijen van de Van Eyck’s, vooral van Jan, bestaan nog steeds.

uitsnede met de aartsengel Gabriël van een van de delen van het grote veelluik Het Lam Gods

Een twintigtal werken zijn dat maar, verspreid over de hele wereld. Met voor het eerst de helft daarvan ingevlogen vanuit alle windstreken naar dat nu gesloten Museum voor Schone Kunsten in Gent. Om daar volgens schema tot 30 april getoond te worden in samenhang met acht recent gerestaureerde zijpanelen van ‘Het Lam Gods´. Het grootse, wereldberoemde veelluik dat al eeuwenlang alleen maar te zien was in de Gentse Sint Baafskathedraal. Nu kon je er bijna met je neus op gaan staan. En toen kwam die vraag bij me op. Was Jan van Eyck mogelijk bijziend­? Die vraag lijkt me best relevant als je ziet hoe ongelooflijk gedetailleerd Van Eyck op de vierkante centimeter schilderde. Even een voorbeeld.

links het grote scherm, rechts het gerestaureerde deel van Het Lam Gods

In de entreezaal van de expositie staat een metershoog scherm met daarop een deel van één van die gerestaureerde zijpanelen (middelste rij, 2e van links). Heel sterk uitvergroot dus. En die gigantische uitvergroting staat nog als een huis. Ongelooflijk!

Ik moest gelijk denken aan vriend, collega en fijnschilder Poen de Wijs. Die kon je best behoorlijk kippig noemen met zijn brillenglazen van min zeven. Als hij die bril omhoog schoof op zijn voorhoofd kon ie letterlijk met zijn neus op het doek de fijnste details schilderen. Zou dat bij Van Eyck ook hebben kunnen spelen? Maar dan rijst natuurlijk de vraag hoe ’t dan in zijn tijd met brillen zat. Geen Specsavers of EyeWish om de hoek. Vergeet ’t maar. En waarom wordt Van Eyck juist ook geroemd om zijn waarnemingsvermogen van de omgeving? Hij was de eerste in zijn tijd die gedetailleerde stadsgezichten als achtergrond voor zijn schilderijen gebruikte. Als Poen zijn sterke bijziendheidsbril niet op had, was de buitenwereld voor hem niet veel meer dan een vage brei aan beelden.

Nog een ander voorbeeldje. Van Eyck’s formidabele Annunciatie, ook hangend op de expositie. Een werk van 90 bij 34 cm.

links de Annunciatie, rechts een tip van de op de vloer hangende mantel van aartsengel Gabriël (speur maar eens daar dat stukje)

Kijk eens hoe ongelooflijk gedetailleerd en goed geschilderd zelfs zo’n klein stukje uit de mantel van de engel nog is. Dus hoe zat dat nou eigenlijk met die ogen van Van Eyck? Waren dat uitzonderlijke haviksogen of was hij stevig bijziend? En zo ja, hoe zat ’t dan met de rudimentaire brillen in zijn tijd? En hoe kon hij dan scherp zien in de verte? Zou daar ooit wetenschappelijk onderzoek naar zijn gedaan? In mijn ogen best een interessante vraag.

Ook nog even de Heilige Barbara, mijn lievelingswerk van hem. Maar 32 bij 18 cm groot!! Zelfde verhaal dus.

het paneel van de Heilige Barbara links, een detail ervan rechts

Al met al een prachtige expositie, verspreid over vele zalen met heel veel werk van tijdgenoten van Jan van Eyck. Maar helaas, dicht, dicht, dicht! En of ’t daar voor 30 april nog weer open gaat?

grote zaal met daarin een videoprojectie over Het Lam Gods
 een paar persfoto’s zonder de grote groepen bezoekers

Toch is er nog een lichtpuntje. Want op 24 september staat in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel de opening gepland van ´Facing van Eyck-The Miracle of the Detail’. Daar sluit dan mooi een prachtige en heel informatieve nieuwe website bij aan http://closertovaneyck.kikirpa.be/. Met daarop alle werken van de gebroeders in een ongelooflijk hoge resolutie.

En dan nu op naar een vreemde Pasen. Zie bijvoorbeeld deze overbekende frescoschildering. Daar is iets mee.

Wat dan wel? Na Pasen de oplossing. En mocht je tijdens de Paasdagen nog wat losse uurtjes over hebben en de Hermitage, dat overweldigende museum in Sint Petersburg, nog nooit hebben gezien?

Neem dan de tijd voor deze meer dan vijf uur durende, in één take opgenomen video. Heel bijzonder! Tot volgende week.

TOOS

Pandemische Kunstgrepen óf hoe kunst deze Covid-19 tijden veraangenaamt


Wat heeft het enigszins scabreuze middeleeuwse verhaal waarin een wat suffige echtgenoot binnen in een heel groot wijnvat de wand schoonmaakt terwijl zijn aantrekkelijke jonge vrouw staand tegen de buitenkant met haar minnaar de liefde bedrijft, te maken met onze huidige Covid-19 tijden? Nou, flink wat!

Want dat verhaal staat in de ‘Decamerone’ van Giovanni Boccaccio (1313-1375). Het beroemde boek met als achtergrond de zogenaamde Zwarte Dood. De pest die in 1348 Italië teisterde, daarna oversloeg naar de rest van ons continent en uiteindelijk aan een derde deel van de Europese bevolking het leven kostte. Boccaccio verhaalt hoe tien jonge mensen voor een paar weken Florence en het pestgevaar ontvluchten om samen te verblijven in een villa op het platteland.

het gezelschap in de villa, illustratie bij een uitgave van de Decamerone uit 1492

Die periode komen ze door met het elkaar vertellen van verhalen. Tien per dag, tien dagen lang. Een van die honderd verhalen is dus dat over die vrijpartij. Op een of andere manier is ’t altijd in mijn geheugen blijven hangen. Leer de werking van de menselijke geest maar eens te doorgronden!

beeld van het ‘wijnvatverhaal’ uit de film over de Decamerone van Pasolini (1971)

Best logisch dus dat dit boek door mijn hoofd speelde toen ik enkele weken geleden nog in Nice verkeerde terwijl de coronacrisis op ons afstormde. Lees de vorige blogaflevering maar.

Ook weer logisch is dan natuurlijk dat als zoiets zich in mijn grijze hersencellen afspeelt, dit ook onder andere schedeldaken gebeurt. Terug in Nederland ontdekte ik dus een prachtig samenwerkingsproject. Tussen Het Nationaal Theater uit Den Haag, het Internationaal Theater Amsterdam en de VPRO. Sinds 23 maart leest elke dag een acteur een verhaal voor uit de Decamerone. Ze kunnen dus nog even vooruit. En waarmee werd begonnen? Met dat wijnvatverhaal van hierboven! Voorgelezen door Ramsey Nasr.

Ramsey Nasr leest voor

Toeval? Ja! Maar wel een heel leuk toeval. Deze link brengt je naar de video. En alle volgende afleveringen tot nu toe? Die staan hier.

De Decamerone heeft in de loop van de tijd natuurlijk heel wat beeldend kunstenaars geïnspireerd. Een paar voorbeelden.

een werk dat Renaissance-kunstenaar Botticelli maakte n.a.v. een verhaal uit de Decamerone
schilderij uit 1916 dat de groep jongelingen afbeeldt in de villa, gemaakt door John William Waterhouse, een van de bekendste schilders van de kunstenaarsgroep ‘De Prerafaëlieten’

Maar ook cineasten hebben hun kans gegrepen. Zo verfilmde de beroemde en beruchte Pier Paolo Pasolini (1922-1975) in 1971 een aantal verhalen. Waaronder dat over een schilder. Een fragment daaruit, met Pasolini zelf in de hoofdrol, wil ik je natuurlijk niet onthouden.

Hier kun je trouwens de hele film bekijken, zij het zonder ondertiteling. Maar so what. De beelden alleen zijn al prachtig.

In deze surrealistische tijden ontstaan veel meer culturele initiatieven zoals dat van de toneelgezelschappen. Daardoor sprak een recente uitspraak van de Duitse minister van Cultuur Monika Grütters mij heel erg aan: ‘In deze situatie erkennen we dat cultuur geen luxe is die men in goede tijden uitstraalt, maar dat we nu zien hoezeer we het missen als we het een bepaalde tijd zonder moeten doen.’

Ware woorden die me een associatie opleverden met een ver verleden. Met ‘Kunstgrepen’ van Pierre Janssen. Het legendarische kunstprogramma waarbij in de jaren 60 en 70 zo’n beetje half Nederland op zondagavond gekluisterd zat aan de buis. Enkele jaren geleden wijdde ik mijn blog nog aan een expositie over hem in het Stedelijk Museum Schiedam (lees hier maar).

een paar jaar geleden in het Stedelijk Museum Schiedam met een foto van Pierre Janssen op de achtergrond

Nu, met alle musea dicht, galerieën vrijwel alleen op afspraak open, theaters met gesloten deuren en lege bioscoopzalen speelt dat tv-scherm plotsklaps opnieuw een onverwacht belangrijke culturele rol. Gewoon even wat voorbeelden.

– Een virtuele rondleiding in het gesloten Kunstmuseum Den Haag bij de expositie over Breitner en Israël https://www.kunstmuseum.nl/nl/museum/nieuws/virtuele-rondleiding-door-breitner-vs-israels .

– Of korte video’s met het motto  #rijksmuseumfromhome. Gemaakt door curatoren van het Rijksmuseum vanuit hun werkkamer. Over bekende schilderijen. Zoals bijvoorbeeld ‘Het vrolijke huisgezin’ van Jan Steen.

– En wat dacht je van de Europese site operavision.eu waar je gratis volledige opera’s kunt bekijken in ensceneringen vanuit beroemde operahuizen? Zoals Don Giovanni van Mozart door de Opera di Roma.

 

Zelf wil ik me op een eenvoudige manier ook niet onbetuigd laten. Vorige week vermeldde ik ’t al. Coronagedwongen is mijn expositie ‘The 70-Series and More’ bij Vellekoop Kunsthandel in De Lier alleen op telefonische afspraak te bezoeken. Maar sinds 21 maart zet ik nu elke dag een schilderij uit ‘The 70-Series’ op mijn Facebook-pagina en Instagram-account. Daar zijn ze zelfs zomaar dag en nacht te bekijken.

een van de olieverfschilderijtjes van 20-20 cm uit ‘The 70-Series’
een van de mixed media werken van 25-25 cm op alu-dibond uit “The 70-Series’

Blijf gezond en tot volgende week.

TOOS

Piketty, de superrijken en de kunst deel 2


in Venetië, Palazzo Grassi 2017, lees hieronder

Honderdduizend dollar per nacht voor een hotelsuite met moderne kunst en design. In gokstad Las Vegas. Volstrekte waanzin! Dat en de aanwezigheid zeer onlangs in Amsterdam van economische superstar Thomas Piketty bracht bij mij een reeks associaties op gang. Van Amsterdamse hotels met kunst naar de Biënnale van Venetië, Damien Hirst en Las Vegas.

Een paar weken geleden schreef ik al over Piketty, zijn nieuwe boek ‘Kapitaal en Ideologie’ en kunstaankopen voor belachelijk vele miljoenen door een buitenproportioneel rijk groepje verzamelaars. Nu was Piketty zeer onlangs in onze hoofdstad voor interviews in verband met het verschijnen van de Nederlandse vertaling van zijn boek.

Toen ik daarover las, vroeg ik me gelijk af in welk hotel hij zou verblijven. En hoe duur dat hotel dan zou zijn. En of dat zo’n hotel zou zijn dat zich sterk op de kaart zet met kunst en design. Want daarmee scoor je tegenwoordig heel goed bij gasten die zonder enig probleem zo vierhonderd euro voor een nachtje in een ‘eenvoudige’ kamer neerleggen maar daarbij toch nog wel iets speciaals willen ervaren. Zoals bijvoorbeeld in het ‘five star luxury lifestyle’ Andaz Hotel aan de Prinsengracht.

Andaz Hotel, Amsterdam

Moderne kunst en design in overvloed daar. Voor een ietsje meer, €900, heb je er trouwens een heel leuke suite. Ook het Pulitzer, aan dezelfde gracht, is in die categorie niet te versmaden. Daar hangen vast geen goedkope affiches van Van Gogh op de kamers.

Pulitzer Hotel, Amsterdam

Die in mijn ogen al belachelijke kamerprijzen zijn trouwens niet meer dan een heel klein fooitje vergeleken met de kosten van die suite in het Palms Casino Resort in Las Vegas. Die van de $100.000 uit het begin.

vuurwerk op en om het Palms Casino Resort bij de opening in 2019

Maar nu moet ik eerst een sprongetje terugmaken in de tijd. Naar de Biënnale van Venetië in 2017. Eén van de grote verrassingen daar was, en dat echt niet alleen voor mij, een uitgebreide expositie van Damien Hirst op twee locaties. Het Palazzo Grassi en de Punta della Dogana. Beide eigendom van zo’n superrijke kunstverzamelaar, François Pinault. Eigenaar van Gucci, Samsonite, veilinghuis Christie’s en nog zo wat van die leuke dingetjes.

De Britse Damien Hirst, rijkste kunstenaar van nu en ooit bekend geworden met zijn haaien op sterk water, had in Venetië alles uit de kast gehaald met wat je rustig een fake-expositie kunt noemen. ‘Treasures from the Wreck of the Unbelievable’. Met zogenaamd boven water gehaalde kunstschatten uit een in de eerste eeuw voor de kust van de Indische Oceaan gezonken schip. Gewoon fake want alles wat er werd getoond was net in de jaren voor 2017 gecreëerd. Ik heb er destijds nog een bewonderend blog aan gewijd. Lees maar https://wp.me/p1I3dP-VO. Hier nog even een paar foto’s.

zo’n haai op sterk water waar Damien Hirst wereldberoemd mee werd
het Palazzo Grassi in Venetië
foto’s van het gigantisch grote beeld in de hal van Palazzo Grassi
een ander beeld in de Punta della Dogana

Dat gigantisch grote beeld in de hal van het Palazzo Grassi, lijkend op brons maar gegoten van kunststof, heeft nu een plek gekregen in Las Vegas. Bij het zwembad van dat Palms Casino Resort.

het grote beeld nu in het Palms Casino Resort, Las Vegas

Maar daarbij is ’t niet gebleven. Hirst mocht zich helemaal uitleven op een suite voor de superrijken. Maar welke gek betaalt er in godsnaam $100.000 voor een hotelnachtje. Dat doe je alleen als geld geen enkele betekenis meer voor je heeft. Als ’t een volstrekt abstract begrip is geworden. Als je volledig bent losgezongen van de aardse werkelijkheid. Als je niet meer beseft dat met dat geld heel veel belangrijkere zaken voor de mensheid kunnen worden bewerkstelligd. Hier nog wat foto’s van dat hotel.

delen van de suite ontworpen door Damien Hirst

ach, nog wat stukjes haai over
de gang naar het casinodeel van het hotel

Dat Hirst er nog wat haaien op sterk water tegenaan gooit? Ach, hij moet ten slotte ook leven! En als dat nog steeds wordt gepikt, waarom niet? En dat de gang naar het casino er een beetje leuk uit moet zien? Logisch toch? Want de gasten dienen er natuurlijk wel in de juiste stemming binnen te komen. Maar dat er iets in onze wereld moet veranderen, staat voor mij buiten kijf. Als je de samenvattingen over het boek van Piketty leest, die 1200 pagina’s zijn me toch een tikje teveel, scoort hij heel wat punten. Tot volgende week.

TOOS

Coronavirus? ‘The 70-Series’ karavaan dendert gewoon door!


Statistisch gezien kun je wel met behoorlijk grote zekerheid stellen dat ik meer verleden heb dan toekomst. Dus heb ik in dat verleden zeer waarschijnlijk ook al meer exposities achter de rug dan ik er in de toekomst nog te vieren krijg. Maar zo voelt dat op dit moment beslist niet. Want al is de tweede  editie van mijn ‘The 70-Series and More’, bij Galerie Persoon in Eersel, net afgelopen, de derde staat alweer op stapel. In De Lier.

de middeleeuwse kerk in De Lier

In die Westlandse plaats waakt de stoere gotische kerktoren al wel eeuwen over de bevolking, maar galerist Piet Vellekoop waakt er, samen met zijn vrouw Francien, ook al weer tientallen jaren als een spin in het Westlandse cultuurweb over het niveau van de beeldende kunst.

Ooit, lang geleden dus, benaderde hij mij met de vraag of ik wat voelde voor een tentoonstelling bij hem in de grote kas van Zuidkoop Natural Projects. Zuidkoop? Zei me niks. In een kas? Nou, dat wilde ik dan eerst wel eens even zien.

Wat Zuidkoop betekende, met Piet daarin als mede-eigenaar, werd me al snel duidelijk. De inrichting van beurzen over de hele wereld tot in China toe.  En ook alles wat met bloemen en de Oranjes in de Nieuwe Kerk van Delft van doen had. Zoals bijvoorbeeld bij begrafenissen van het koninklijk huis.

En de grote kas? Toen ik die zag, ging ik gelijk overstag. Een formidabele plek om te exposeren. Zie onderstaande foto’s maar van mijn eerste tentoonstelling daar.

in overleg met Piet Vellekoop bij die expositie in de kas van Zuidwijk

Prachtig zoals die florale omgeving harmonieerde met mijn schilderijen! Nu hebben we met elkaar al aardig wat exposities achter de rug, Piet en ik. Sinds een aantal jaren wel ergens anders. Want toen hij wat meer rust wilde en Zuidkoop achter zich liet, bruiste zijn kunstbloed nog wel steeds. Dus creëerde hij met Francien aan hun eigen huis in De Lier een nieuwe, mooie expositieruimte van twee verdiepingen. Opnieuw een plek waar ’t voor kunstenaars goed toeven is. De galerie Vellekoop en Vellekoop Kunsthandel (https://www.vellekoopkunsthandel.nl/) . Ook van daaruit heeft flink wat werk van mij een weg gevonden in de omringende Westlandse dreven. Logisch dus dat Piet opteerde voor één van de stops bij de trektocht door Nederland van mijn ‘The 70-Series and More’. Binnenkort is dat zover. Een geconcentreerde periode van twee weken met de twee open weekeinden van 21/22 en 28/29 maart en verder op afspraak. Maar daarvoor moest van te voren nog wel even worden gewerkt.

in mijn atelier aan het werk met de aanvulling voor ‘The 70-Series’

Zoals bijvoorbeeld aan nieuwe schilderijen van 20-20 en 25-25 cm voor die zeventig van ‘The 70-Series’. Want bij Galerie Persoon in Eersel kreeg een flink aantal van de zeventig daar een nieuwe eigenaar. En natuurlijk moest de hele expositie ook nog in De Lier belanden. In de nog lege galerieruimtes daar.

Piet Vellekoop behulpzaam bij het uitladen van mijn bus

 

Dat gebeurde eind vorige week. Nu is ’t aan Piet Vellekoop om er bij de inrichting iets moois van te maken. Maar hem kennende zal dat geen probleem zijn. Donderdag 12 maart ga ik dat zien want dan worden er voor de regionale omroep filmopnamen gemaakt waarbij mijn aanwezigheid is gewenst.

Voor mij is dat extra leuk omdat ik in de omgeving  de nodige wortels heb liggen. Mijn opa van vaders kant was er namelijk al koetsier en de naam Van Holstein laat in ’t Westland nog steeds heel veel belletjes rinkelen.

opa Van Holstein met zijn koets in , vermoed ik, Naaldwijk

Mijn vader mag dan in 1944 vertrokken zijn naar Brabant om daar een tuinderij te beginnen, andere Van Holsteinen bleven achter om een bouwbedrijf, een kwekerij, een schoonmaakdienst en nog zo wat op te zetten. Zo doorkruisen er van ‘S. van Holstein Transport’ volop grote trucs de EU. Wel even iets anders dan dat koetsje van mijn opa. En dat mijn allereerste voorvader in de 17e eeuw vanuit de Duitse streek Holstein verver werd in Delft, dat is natuurlijk weer een ander verhaal. Tot volgende week.

TOOS

Piketty op stoom en de kunstwereld volstrekt op hol


In 2013 werd Fransman Thomas Piketty met zijn ‘Kapitaal in de 21ste eeuw’ binnen de kortste keren wereldberoemd en dé rockstar onder de economen. Net een paar weken geleden kwam zijn nieuwe boek uit. ‘Kapitalisme en ideologie’. En dan weet je dat het dringen wordt met opinies bij alle andere economen. Een aanval op de superrijken, zo heet ‘t! Ik moest daarom gelijk denken aan de kunstwereld. En dan specifiek aan dat volstrekt op hol geslagen en krankjoreme topsegment van wereldberoemde 20ste eeuwse namen en rijzende jonge kunststerren. Een doorgeslagen gekte, geheel te wijten aan die superrijken. Dat selecte groepje van miljardairs en de wat armere miljonairs. Wel de miljonairs natuurlijk flink boven de 100 miljoen. Anders tel je niet echt mee. Of dat dan in dollars of euro’s is? Of in Britse ponden? Niet echt belangrijk, denk ik zomaar.

Zo las ik toevallig vorige week dat een voormalig casinomagnaat, Steve Wynn, al vast maar voor 105 miljoen dollar twee Picasso’s heeft gekocht uit een particuliere kunstverzameling die pas over een paar maanden openbaar op de markt komt.

Picasso, Woman with beret and collar, 1937
Picasso, Femme assise (Jacqueline), 1962

En wat te denken van de 30 miljoen die een zogenaamd ‘zwembadschilderij’ van de nog levende David Hockney op een veiling moet gaan opbrengen.

David Hockney, The splash, 1966

Eigenlijk best een koopje als je beseft dat begin 2019 een ander werk in die reeks rond de $90 miljoen opbracht.

David Hockney, Portrait of an Artist (Pool with Two Figures), 1972

Wie kan nou zoiets betalen en wie is er daarbij ook nog zo gek om dat te doen? Die superrijken van Piketty dus! Denk bijvoorbeeld aan de rijkste 42 mensen in 2019 die volgens ontwikkelingsorganisatie Oxfam/Novib evenveel bezitten als de armste 3,7 miljard bewoners van onze globe. Om dit nog even verder in perspectief te zetten, in 2009 waren hiervoor nog 380 van die rijkste miljardairs nodig. Een gezonde ontwikkeling? Ach, bepaal dat maar voor jezelf.

Maar dat dit die volstrekt bezopen ontwikkeling in de kunstwereld veroorzaakt, spreekt voor mij voor zich. Want waar moet je in godsnaam met je geld heen als ’t toch tegen en over de plinten klotst? Gebruik dan de moderne kunst maar als beleggingsvehikel. Want al heb je ruim voldoende voor een leuke oude dag, je geld moet per definitie natuurlijk wel renderen. As ’t effe kan tot aan je doodskist toe en liefst ook nog daarna.

Dagobert Duck moest er voor mij toch ook wel bij

Dus dan sluit je je aan bij dat heel selecte groepje van galeriehouders die deze speciale kunstwereld bestieren. Als zij heilig verklaren dat die veelbelovende jonge kunstenaar over een paar jaar het multivoudige waard zal zijn, geloof je hen direct op hun blauwe of bruine ogen. En soms komt dat door marktmanipulatie nog uit ook. Kassa! Op je spaarrekening lukt je zoiets niet. Een voorbeeldje? Dat

Jeff Koons, Rabbit

stalen konijn van Jeff Koons hier.

In 1986 in een oplage van vier verkocht voor $40.000 per stuk. Koopje toch? Vorig jaar werd er op een veiling meer dan 90 miljoen voor betaald. Door de rijke baas van een groot hedge fund. Of zo’n duur kunstwerk dan ooit nog eens ergens te zien zal zijn, is trouwens maar de vraag. Bij de vliegvelden van bijvoorbeeld Genève, Singapore en New York heb je zogenaamde freeports, kunstvrijhavens. Met streng beveiligde loodsen waar kunst in het diepe duister verborgen ligt zonder dat iemand er weet van heeft. Met daaromheen de sfeer van vermogensbelastingontduiking, zwart geld en witwassen. Zo zouden er bij Genève meer dan 1 miljoen kunstwerken opgeslagen liggen. Eigenlijk een gigantisch museum waarvan niemand weet wat er zich bevindt.

Zo’n wereld kan alleen bestaan bij de gratie van die zeer beperkte groep superrijken waarvoor Piketty voorstelt om daar belastingtechnisch maar eens iets aan te gaan doen. Van mij mag dat. Want als er van de wereldvermogenstoename van 9.000 miljard dollar in 2016 en 2017 meer dan 80% bij de 1% rijksten ter wereld terechtkomt (weer Oxfam/Novb), is er iets goed mis. En de hier beschreven kunstwereld is daarvan een wel heel sprekende illustratie. Maar wie weet valt er wel een parallel te trekken met de beruchte tulpenmanie in de jaren 1634-37 in onze eigen Republiek der Verenigde Nederlanden. Ook een zeepbel die plots klapte. Erg? Mwah.

Trouwens, er is ook best iets goedkopere kunst te vinden. Bijvoorbeeld binnenkort bij Kunsthandel Vellekoop & Vellekoop in De Lier. Want wat kosten de werken uit mijn ‘The 70-Series’ die daar dan komen te hangen? €250 per stuk.

in mijn atelier: een deel van ‘The 70-Series’ voor Kunsthandel Vellekoop

Tot volgende week.

TOOS

De Wondere Wereld van Verknoopte Levenslijnen in de Kunst


In mijn nieuwe boek ‘TOOS VAN HOLSTEIN II, for me art is travelling the mind’, is een aantal pagina’s gewijd aan de steendrukken die ik in de loop der jaren heb gemaakt. Zo staat op pagina 194 van dat bijna anderhalve kilo zware kunstboek een verhaal waarin Ernst Hanke een belangrijke rol speelt. De door kunstenaars alom geroemde Zwitserse meestersteendrukker met wie ik diverse keren samenwerkte om litho’s te creëren.

die p.194 in mijn boek met rechts de steendruk ‘Amparo’, gemaakt bij Ernst Hanke
het uitzicht bij het atelier van Ernst Hanke in Zwitserland

Hanke mag dan alweer een paar jaar zijn welverdiende Zwitserleven gevoel  ondergaan, toch kom ik zijn naam nog regelmatig tegen. Heel recent nog. Daarbij kwam toen plots de associatie in me op van zo’n plastic zak waarin je een aantal snoertjes bewaart. Van die absoluut noodzakelijke snoertjes waarzonder  het moderne leven niet geleefd kan worden. Bij laptop, muis, tablet, mobiel, fototoestel en dat hele scala aan bijbehorende oplaadapparaten. Je snapt vast wat ik bedoel. En als je dan zo’n snoer nodig hebt, blijkt zich in die zak geheel spontaan een nog net niet Gordiaanse knoop te hebben gevormd. Eigenlijk zoals in het echte leven diverse levenslijnen zich ook onverwacht met elkaar kunnen verknopen. Recent dus met Ernst Hanke als zo’n knooppunt. Ik ga dit even voor je ontwarren.

Levenslijn één. Toen ik levensgezel leerde kennen, maakte ik ook kennis met zijn goeie vriend en beeldend kunstenaar Poen de Wijs. Na mijn eerste, niet geheel tot tevredenheid verlopen steendrukervaringen in Nederland zei Poen ‘jij moet naar Ernst Hanke in Zwitserland, die is pas goed’. Poen werkte toen al een aantal jaren met hem samen. Zo gezegd, zo gedaan. Ik naar Zwitserland. De uitkomst? Meer dan tevreden! Dus ben ik nog een paar keer terug geweest.

samen met Ernst bezig in zijn steendrukpers
met Ernst en zijn vrouw Erika bezig een drukgang van een steendruk door de pers te halen

Maar Hanke ging stoppen na jaren keihard gewerkt te hebben met vele beroemde kunstenaars. En heel droef, Poen is vijf jaar geleden veel te vroeg overleden.

Levenslijn twee. Toen ik levensgezel leerde kennen, leerde ik ook zijn goede vriend en collega Martin Impelmans kennen. En Martin was door de schuld van levensgezel heftig besmet geraakt met het kunstvirus. Dat is dan wel niet levensbedreigend en je hoeft er ook niet voor in quarantaine, maar reken maar dat het voor de rest van je leven blijft doorwoekeren. Uiteindelijk bestieren daardoor Martin en zijn vrouw Wilma nu hun expositieruimte Studio Imspa in Ridderkerk en de Stichting Grenze(n)loze Kunst. Dat ook zij Poen leerden kennen en werk van hem kochten spreekt eigenlijk voor zich.

Levenslijn drie. Na Poen’s dood  liggen jammer genoeg heel veel van zijn steendrukken lichtelijk te verstoffen. Want ooit waren steendrukken in, nu zijn ze uit. Foto’s, reproducties, zeefdrukken, giclees, goedkoop spul bij Ikea, dat heeft de overhand gekregen. En die prachtige steendruktechniek? Nu een kleine niche in de kunstwereld. Maar daar hoef je je natuurlijk niet persé bij neer te leggen. Dus is er nu in Studio Imspa de expositie ‘Poen de Wijs and Friends’.

op de tentoonstelling ‘Poen de Wijs and Friends’ bij een portret van Poen door zijn succesvolle leerling Meg den Hartog
enkele van de prachtige steendrukken van Poen op de tentoonstelling

Een expositie met als kern een aantal prachtige steendrukken van Poen zelf met daar omheen die van een aantal bevriende kunstenaars . Vanzelfsprekend van zijn vrouw Marion van Nieuwpoort, ook beeldend kunstenaar. Maar ook van de wereldberoemde magisch realist Michael Parkes. En van mij. En van Ernst Hanke zelf. Want in zijn vrije tijd leefde ook hij zich kunstzinnig uit op zijn eigen stenen en zijn eigen pers. Zo kan ik mezelf de trotse bezitter van een paar van zijn litho’s noemen.

mijn steendruk ‘Entrada’
een steendruk van Ernst Hanke zelf
een steendruk van Ernst die bij mij thuis hangt

Al die oorspronkelijk losse levenslijnen hebben zich nu dus in een expositie met elkaar verknoopt. Geen vervelende Gordiaanse maar een aangename verknoping. Met Ernst Hanke als de meesterverknoper van kunstenaars. Zoals op onderstaande foto met Poen, Ernst en mij.

Een foto gemaakt in het Nederlands Steendrukmuseum in Valkenswaard in 2013. Waar Poen en Ernst toen een steendruk maakten op de gigantisch grote pers daar. Een heel korte impressie daarvan zie je op onderstaand YouTube-filmpje.

Een absolute must trouwens voor de kunstliefhebber, dat museum waar ik op diezelfde pers  ook al eens  litho’s maakte. En wie weet in de toekomst ook nog weer. Want ik blijf de steendruk trouw. Tot volgende week.

TOOS

Schandalige Vergetelheid


portret van Maria van Oosterwyck, geschilderd door Wallerant Vaillant, Rijksmuseum

In Dresden, Wenen, Augsburg, Kopenhagen, in de Royal Collection van het Britse koningshuis, in Kroatië, Montreal en diverse musea van de Verenigde Staten, op al die plaatsen vind je schilderijen van de Nederlandse kunstenaar Maria van Oosterwyck (1630-1693). En in ons eigen land? Alleen het Mauritshuis heeft een bloemstilleven van haar in bezit. Eentje! Dat hangt dan nog niet eens in het Mauritshuis zelf, maar in de Galerij Prins Willem V. De wat? De Galerij Prins Willem V, schertsend wel eens de verborgen parel van Den Haag genoemd. Vanuit het Mauritshuis rechtsaf over het Binnenhof naar het Buitenhof en daar ligt schuin rechts aan de overkant die in 1774 gebouwde Galerij. Feitelijk het eerste museum van Nederland dat stadhouder Willem V destijds een paar dagen per week open stelde om een ieder zich aan zijn grote collectie kunst te laten vergapen. Hutje mutje hangen de wanden daar nu weer vol met een deel van de Mauritshuis-collectie. Net als toen. Met dus ook dat ene schilderij van Maria van Oosterwyck in onze nationale collectie. Eigenlijk te gek voor woorden. Maar dat heeft natuurlijk een oorzaak.

deel van de Prins V Galerij met links in het midden tegen het grote schilderij aan het enige werk van Maria van Oosterwyck in de Nederlandse Collectie
dat enige schilderij

Domineesdochter Maria schilderde eigenlijk alleen fabelachtig goeie bloemstillevens. Net zoals die paar andere nationaal en internationaal doorgebroken vrouwelijke Gouden Eeuw kunstenaars, die ik een paar blogs geleden al noemde, zich vooral in stillevens specialiseerden. Met de genreschilderijen van Judith Leyster als uitzondering (lees hier maar). Dat vrouwen vooral stillevens schilderden heeft natuurlijk ook weer een oorzaak. Maar dat is een ander verhaal.

een vanitas stilleven, 1668

Haar schildertalent kon Maria van Oosterwyck, dankzij de connecties van haar domineesvader,  ontwikkelen in de ateliers van Abraham van Beijeren (1620/1-1690) en Jan Davidsz.de Heem (1606-1683/4). Beiden al bekende stillevenschilders. Dat ze dichter, diplomaat, reiziger, geleerde en kunstliefhebber Constantijn Huygens ook goed kende, heeft ongetwijfeld bijgedragen aan haar internationale doorbraak. Want nadat keizer Leopold I van Oostenrijk en de Florentijnse prins Cosimo III de’Medici werk van haar hadden gekocht, zong haar naam goed rond aan de grote Europese hoven.

een werk dat eerst was toegeschreven aan Jan van Huysum. Iets dat vrouwelijke kunstenaars na hun dood vaker overkwam, je schilderijen toegeschreven aan een man. Nu te zien in het Fitzwilliam Museum (USA)

De zaken gingen zelfs zo lekker dat ze zich een duur eigen grachtenpand in Amsterdam kon veroorloven. En het bleef haar door al die adellijke buitenlandse aankopen voor de wind gaan toen de economische malaise toesloeg in en na het zogenaamde Rampjaar 1672. De gebroeders De Witt vermoord, strijd tussen de Orangisten en Republikeinen, Lodewijk XIV die met zijn Franse troepen zelfs Utrecht brandschatte, verloren zeeslagen met de Engelsen en Bommen Berend, de bisschop van Münster, die Groningen aanviel, dat was iets teveel voor de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Zelfs al was die tijd van de Gouden Eeuw een heel bijzondere. Een tijd waarin de bloeiende economie ook aan velen uit de lagere klasse van boeren en arbeiders ten goede kwam. In een land met een voor die tijd relatief laag analfabetisme. En, ook belangrijk, een verbeterde positie van de vrouw door grote vraag naar arbeid. Maar ja, al die tegenslagen in een land afhankelijk van internationale handel, dat was toch iets teveel. Dan kon je ineens ook weer arm en berooid zijn.

Maar Maria floreerde. Ze kon ’t zich zelfs veroorloven ongetrouwd te blijven wat op zich al bijzonder is. Daarover staat in het naslagwerk ‘De groote schouburgh der Nederlandsche konstschilders en schilderessen’ van Arnold Houbraken nog een leuke roddel.

In haar atelier in Amsterdam keek ze uit op het atelier van de stillevenschilder en levensgenieter Willem van Aelst bij wie ze eerst nog assistent was geweest. Deze  kreeg, zo valt te lezen, op een bepaald moment wel ‘bevallen in haar’. Maria echter,’zedig en buiten gemeen godsdienstig en bijzonder yverig in ’t voortzetten van haar Konst’ (zoals het een vrouw natuurlijk betaamt!), zag dit absoluut niet zitten, maar liet ’t niet blijken. Zij maakte met Willem de afspraak dat, wanneer hij een jaar lang elke dag een aantal vastgestelde uren zou schilderen, zij hem wel te woord wilde staan ‘om van minnery te spreken’. Als zij op die vastgestelde uren naar hem riep in zijn atelier en hij niet antwoordde, zette ze een streepje met krijt. Na een jaar stonden er evenveel streepjes ‘als er staan op de Schuldly van een Antwerpsche Herberg, die rykelijk is beneeringt met Schilders kalanten’. Van Aelst kon het dus wel schudden en berustte in zijn lot.

Bloemstilleven

Is ’t eigenlijk niet heel erg beschamend dat er over zo’n in Europa beroemde 17e eeuwse Nederlandse vrouwelijke kunstenaar nooit een behoorlijke tentoonstelling is georganiseerd? Kom op museumcuratoren, doe er wat aan! Tot volgende week.

TOOS

‘Sesam open u’ met de Rembrandtpas


voorkant van de Rembrandtpas 2020

Ali Baba had in het bekende sprookje die toverspreuk ‘Sesam open u’ nodig om de schatkamer van de veertig rovers te openen. Ik heb in werkelijkheid alleen maar een pasje nodig om zomaar heel veel museale kunstschatkamers gratis voor niemandal te ontsluiten. De Rembrandtpas!

Ja maar, hoor ik al zeggen, dat kan ik met mijn Museumkaart ook. Klopt. Toch heeft de Rembrandtpas ideële en financiële voordelen waaraan de Museumkaart niet kan tippen. Maar dat komt straks. Eerst hoe ik hier op kom. Dat is omdat levensgezel en ik onze Rembrandtpassen de laatste tijd veelvuldig gebruikten. Ik had dit stukje namelijk ook als titel kunnen geven ‘Wat ik zag en waarover ik nog niet schreef’. En dat is best veel.

Als ik naarstig naar een expositie heb toegewerkt, zoals mijn ‘The 70-Series and More’ die nu gaande is bij Galerie Persoon in Eersel, moet ik daarna even stevig afkicken. Met veel lezen en met kunst, hoe gek dat laatste dan misschien ook kan lijken. Maar ja, mijn kunstgenen zijn nu eenmaal sterk overheersend. Dus komen dan de tentoonstellingen aan de beurt waaraan ik niet toekwam tijdens mijn verblijf in die zelf verkozen isoleercel, mijn atelier. Zodoende zwaaiden wij de afgelopen tijd uitbundig met onze Rembrandtpassen op allerlei locaties.

het Prinsenhof in Delft

Bijvoorbeeld bij het Haagse Mauritshuis en het Delftse Prinsenhof, heilige grond voor onze 17e eeuwse Republiek met nog de kogelgaten in de muur van de moord op aartsvader Willem van Oranje. Want de tentoonstellingen ‘Pieter de Hooch in Delft, uit de schaduw van Vermeer’ en ‘Nicolaes Maes- Rembrandts veelzijdige leerling’ over tijdgenoten De Hooch (1629-1684) en Maes (1632-1675) moest ik natuurlijk zien. Beide prachtige en interessante exposities.  Waarbij voor mij die in Delft door de hele aanpak toch won. Het Prinsenhof, waar ik al veel te lang niet was geweest,  bleek ook nog eens een zeer aangename, architectonische metamorfose te hebben ondergaan. Heel goed gedaan.

Pieter de Hooch in het Prinsenhof
Nicolaes Maes in het Mauritshuis, Den Haag

Nog een paar van die museumstops? Beelden aan Zee in Scheveningen met ‘Niki de Saint Phalle aan Zee’. Een prachtig in de duinen verstopt museum met dit keer een, naar mijn smaak, heel rommelige tentoonstelling. Niki de Saint Phalle is beter waard. Maar dat is een komend verhaal .

Beelden aan Zee, verscholen liggend aan de Scheveningse boulevard
een deel van de expositie over Niki de Saint Phalle

In Singer Laren daarentegen werd ik blij verrast met twee heel afgewogen exposities: ‘Spiegel van de Ziel, Toorop tot Mondriaan’ en ‘Van Barbizon tot Bergen’. Wat een heerlijk rustgevende lust voor het oog vergeleken met het kermisgedoe in Scheveningen.

een zaal in Singer Laren nu
in het Singer dit schilderij van Mondriaan, de toren van de Catharinakerk in Zoutelande, die moest natuurlijk op de foto vanwege mijn officiële eerste voornaam Catharina

Waar ik trouwens met mijn Rembrandtpas kon zwaaien tot ik een ons woog was bij Museum Voorlinden in Wassenaar. Maar dat wist ik van te voren. Want dit nieuwe museum is een particulier initiatief van de puissant rijke kunstverzamelaar Joop van Caldenborgh. Gewoon betalen, € 17,50 pp! Niks geen vrije toegang met Rembrandtpas en Museumkaart. Maar absoluut de moeite waard.

Museum Voorlinden met een beeld van Louise Bourgeois
Museum Voorlinden, bij een werk van de door mij zeer bewonderde Anselm Kiefer

En nu dan die ideële en financiële voordelen van de Rembrandtpas, een initiatief van de Vereniging Rembrandt.

Levensgezel en ik hebben er elk één, maar wel aan elkaar gekoppeld. Voor € 110 samen. Tweemaal een Museumkaart? € 140 incl. administratiekosten. Bij Pieter de Hooch in Delft € 5 extra toeslag voor Museumkaart-houders. Met de Rembrandtpas? Niets en niemandal. Bij Niki de Saint Phalle € 3,50 extra met de Museumkaart. Met de Rembrandtpas? Nada, niente.

Bij de Rembrandtpas minimaal twee keer per jaar een speciaal event. Bijvoorbeeld een preview van een komende blockbustertentoonstelling of een speciale avond ergens. Zoals vorig jaar bij ‘Rembrandt en Velàzquez’ in het Rijksmuseum voor alleen leden. Waardoor ik, door handig te zijn, af en toe Rembrandt bijna helemaal alleen voor mezelf had.

‘Rembrandt en Velàzquez’, vorig jaar in het Rijksmuseum

Daarnaast nog driemaal per jaar een speciaal  magazine. En, echt heel belangrijk, de Vereniging Rembrandt steunt regelmatig musea in Nederland bij aankopen voor hun kunstcollecties. Toevallig net de afgelopen weken nog met een belangrijk schilderij van Dirck van Baburen (1595-1624) voor het Centraal Museum in Utrecht.

het aangekochte werk van Utrechter Dirck van Baburen

En voor het Amsterdam Museum een collectie met werk van kunstenaar en uitvinder Jan van der Heyden (1637-1712), ook wel eens de Nederlandse Da Vinci genoemd.

Van der Heyden verbeterde de brandspuit spectaculair

Daaraan mee te kunnen helpen met mijn Rembrandtpas geeft een prettig gevoel. Kijk maar eens bij https://www.verenigingrembrandt.nl/. Tot volgende week.

TOOS