Over fonteinen, de Oortwolk en de Heilige Martinus


één van de elf nieuwe fonteinen in Friesland

Een wat warrige titel? Klopt! En dat zit zo. Ruim een maand geleden, oftewel zo’n vijf blogs terug, verkeerde ik in onze Europese Culturele Hoofdstad van 2018. Leeuwarden dus. Om er de Reuzen-manifestatie uit Frankrijk te aanschouwen. De reis erheen verliep via de Afsluitdijk en tussenstops inHarlingen en Franeker. Twee van die bekende Elf Friese Steden. Maar waarom die tussenstops? De verklaring zit ‘m in fonteinen.

Kijk, die winterse Elfstedentocht kunnen we vanwege de warmere toekomst waarschijnlijk wel op onze buik schrijven, maar die steden willen natuurlijk toch wel een beetje in de toeristische running blijven. En vrijwilligers om die hele tocht elk jaar op heroïsche wijze zwemmend af te leggen zullen na Maarten van der Weijden waarschijnlijk dun gezaaid zijn. Maar daar hebben ze in Friesland iets op gevonden. Een Elffonteinentocht. In het kader van dat culturele hoofdstad zijn van Leeuwarden mochten de andere steden en stadjes ook meedoen. Ze kregen elk een fontein, ontworpen door een bekende, meestal buitenlandse kunstenaar. Over dat hele proces zijn op NPO zelfs drie documentaires vertoond (nog steeds terug te zien). Heel interessant op diverse manieren. Maar dat is een ander verhaal.

de walvis-fontein in Harlingen

Voor mij was dit een reden om onderweg al vast twee van de elf te bezoeken. Eerst die, op z’n Fries, in Harns en daarna die van Frentsjer. Die van Harlingen (zie foto hierboven) vind ik echt een sof. Een heel af en toe wat magertjes spuitende walvis in de Waddenzeehaven, veel te ver weg om te belopen en nog slecht zichtbaar ook. Jammer. Maar in Franeker wachtte een verrassing.

de fontein in Franeker waarover ik de uitleg sta te lezenWant waar stond daar die fontein? Precies op de plek waar ik in het verleden wel de auto parkeerde om schilderijen uit te laden voor mijn grote exposities in de Martinikerk. Zie daar dus die Heilige Martinus uit de titel. De Romeinse soldaat die bij een stadspoort van Amiens met zijn zwaard de helft van zijn Romeinse soldatenmantel afsneed om die aan een bedelaar te geven die het stervenskoud had. Heel wat middeleeuwse kerken, ook die in Franeker, benoemden hem tot schutspatroon.
de Martinikerk in volle glorie, nog zonder de fontein

In die prachtige 14e eeuwse pseudobasiliek had ik in 1996, 2004 en 2013 grote solotentoonstellingen in samenwerking met Anita van Os van galerie De Roos van Tudor. En dan moet je toch werk kunnen uitladen. ’t Liefst vlak bij de ingang. Nu dus de plek die defontein zich heeft toegeëigend. Op het verklarende bordje las ik waardoor de Franse kunstenaar Jean-Michel Othoniel zich voor zijn kunstwerk had laten inspireren. Namelijk door de in Franeker geboren wereldberoemde Nederlandse astronoom Jan Hendrik Oort (1900-1992) en zijn hypothese van de Oortwolk (klik maar hier voor meer astronomische informatie). Levensgezel, nog druk aan het fotograferen, bleek blij verrast bij mijn mededeling hierover. Goh, wat leuk, een fontein met wetenschappelijke inspiratie. En ja, met zijn natuurkundige achtergrond kende hij natuurlijk zowel Oort als de Oortwolk. Maar dat Oort in Franeker was geboren? Dat was nieuw voor hem.

Die Martinikerk heeft een dierbaar plekje in mijn hart. Vanwege die exposities en de vele uurtjes die ik er op mijn knieën doorbracht. Nee, niet om boete te doen. Maar wel om er op nog maagdelijk witte doeken delen van eeuwenoude grafstenen over te nemen met de rubbing techniek. Doek op de steen leggen en er dan met een oilstick overheen te wrijven. Zie onderstaande foto’s uit de verschillende jaren maar.

1996
2004
groot door mij beschilderd blauw zeildoek met de Heilige Christoffel (2004)
2013

Zo zie je ook gelijk mijn eigen verschillende jaargangen voorbij komen. Ik heb ’t altijd heerlijk gevonden er in de zomermaanden te kunnen werken en exposeren. Hierbij nog een paar foto’s van mijn expositie ‘Helden’ daar in 2013.

Prachtig toch, die kerk? En elke keer zo’n tienduizend bezoekers. Ook niet onaardig. Over die laatste expositie staat trouwens ook nog een filmpje op YouTube https://youtu.be/H3JmKOUojZQ. (als de video geblokkeerd blijkt deze link gebruiken)

En die resterende negen fonteinen? Die komen hier vast nog wel een keer voorbij. Tot volgende week.

TOOS

Advertenties

Barocker Rubens centraal in Antwerpen


aanzicht van Antwerpen in de tijd van Rubens met heel wat kerktorens meer dan tegenwoordig
standbeeld van Rubens bij de kathedraal

Stel dat Antwerpen in 1585 niet was heroverd door het Spaanse regime en daardoor onderdeel zou zijn gebleven van de Noordelijke Nederlanden. Van de calvinistische Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden dus. Zou die stad dan dit jaar de manifestatie ‘Antwerpen Barok 2018. Rubens inspireert’ hebben kunnen organiseren? Een intrigerende vraag die in me opkwam na een huizenruil met vrienden. Zij voor een paar dagen in mijn Middelburgse pakhuis en wij in hun appartement in het centrum van Antwerpen. Om daar op ’t gemakkie dat groots aangepakte evenement te kunnen bewandelen. Met barok, heel veel swingende barok. Het kunstige paradepaardje van de roomse Contrareformatie in de 17e eeuw. Dat die kunststroming ’t in ons landje van Reformatie en protestante ketters nooit echt heeft kunnen maken is natuurlijk wel duidelijk.

Wij hebben natuurlijk wel ‘ons’ schildergenie Rembrandt (1606-1669) en het woord Rembrandtesk. Maar de Antwerpenaren hebben als antwoord daarop ‘hun’ barokke ster Rubens (1577-1640) en zijn voluptueuze Rubensiaanse vrouwen. Rembrandt en Rubens, beiden dus min of meer tijdgenoten en beiden heel succesvol. Alhoewel bij Rubens de florijnen zijn leven lang in grote golven bleven binnenstromen terwijl dat bij Rembrandt uiteindelijk nog hooguit golfjes waren. Maar zou de roomse Rubens zonder die Spaanse overwinning in een calvinistisch Antwerpen zijn internationale kunstcarrière wel hebben kunnen ontplooien? Met al die opdrachten uit o.a. Frankrijk, Spanje en van de katholieke kerk? Of zou hij dan verhuisd zijn? En had Antwerpen dan niet, zoals nu, met hem kunnen uitpakken? Want dat doen ze, uitpakken!

interieur van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal

Ben je ooit in Antwerpen in de Sint-Carolus Borromeuskerk, de Sint-Jacobskerk of de Sint-Pauluskerk geweest? Ik tot onlangs in ieder geval niet. Ja, wel natuurlijk in de overal bovenuit torenende Onze-Lieve-Vrouwekathedraal. Dat grote kerkse museum met prachtige kunst in een middeleeuwse ambiance van hooggotiek.

kathedraal: Rubens, De kruisoprichting 1609-10
Rubens, De kruisafname 1611-14
Rubens, Tenhemelopneming van Maria 1626

Maar in die andere, wat meer verscholen liggende eeuwenoude kerken? Nee dus. En nu? Gaan, zeg ik enthousiast! Zoals naar die Sint-Jacobskerk. Rubens eigen parochiekerk waar zich ook zijn graf bevindt. Met natuurlijk een altaarstuk van zijn hand.

de Sint-Jacobskerk
de graftombe van Rubens met zijn altaarschilderij geheimzinnig verlicht via een glas-in-lood-raam

Mooi ook dat er in die kerken heel enthousiaste gidsen rondlopen. Vrijwilligers met mappen vol informatie in hun hand die ongelooflijk veel weten van de kerken, van de Antwerpse geschiedenis en van de kunst. Je kunt ze zomaar in het wild aanspreken en anders doen ze dat jou wel. Vrouwen en mannen met heel veel plezier in hun vrijwilligerstaak. Zo spraken we minstens een half uur lang in die Jacobskerk met een gids die een uitstekende bron van informatie bleek.

Datzelfde gebeurde trouwens ook nog eens in de dominicaner Sint-Pauluskerk met weer een enthousiaste verteller.

in de Sint-Pauluskerk bij een altaarstuk van Rubens
nog meer werk van Rubens daar

En als je ’t over barok hebt? Nou, dan daar wel. Met vanzelfsprekend weer  Rubens. Maar ook met beroemdheden als Anthony van Dijck (1599-1641) en Jacob Jordaens (1593-1678), beiden Antwerpenaren van geboorte. Opnieuw zo’n gratis museum waar je overal je ogen de kunstkost kunt geven.

Het mooie van deze kerkenzoektocht is dat je straatjes en pleintjes ontdekt waar je anders nooit komt. En dan te beseffen dat er in al die eeuwen ook heel wat kerken zijn verdwenen. Door vernielingen tijdens de Reformatorische beeldenstormen in 1566. Door rigoureuze afbraak onder het zeer antiklerikale, revolutionaire regiem van de Fransen, zo tegen 1800. Of gewoonweg door brand en verval. Maar de Sint-Carolus Boromeuskerk staat er nog.

de Sint-Carolus Boromeuskerk
Rubens, De terugkeer van de Heilige Familie 1620

Met ook weer barok in een overdadig en toch groots interieur. En van wie is er daar natuurlijk weer kunst te zien? Inderdaad, Rubens! Ten minste, zijn handtekening staat eronder. En niet die van één van zijn vele medewerkers. Want zou hij al die vele joekels van doeken in zijn eentje hebben vol geschilderd? Reken maar van niet. Dat komt wel tot uiting in het Rubenshuis.

het oorspronkelijke atelier van Rubens en zijn medewerkers in het Rubenshuis
in de achtertuin van het Rubenshuis

Nu een museum, destijds zijn woonhuis annex atelier. Niet onaardig toch, zo’n verblijfplaats?

In Nederland gaan we nu trouwens ook een flink Rubensgraantje meepikken. Met een net geopende en alom al bejubelde expositie in Museum Boymans. Barocker Rubens swingt hier dus vast nog wel weer een keertje voorbij. Tot volgende week.

TOOS

Kunst op stal bij de Kunst10daagse van Bergen


 “Toos”, vroeg Elisabeth mij eind vorig jaar, “voel jij ervoor mee te doen met de expositie die ik organiseer bij de komende Kunst10daagse in Bergen?” Nou, dacht ik, Elisabeth kennende, dat zou best leuk kunnen zijn. “Maar”, voegde ze er aan toe, “het is wel in een koeienstal. Zonder koeien trouwens, die staan er al een aantal jaren niet meer.” Oeps!! Een koeienstal? Maar geen koeien? Dat is in ieder geval een pluspunt. En omdat ik wel van een kunstavontuur houd, ben ik een flink aantal maanden geleden dus eens in Bergen gaan kijken.

bezoek aan de stal met Elisabeth begin dit jaar

Want in Elisabeth Leijen heb ik zondermeer vertrouwen en de plaats Bergen in Noord Holland staat niet voor niets bekend als behoorlijk cultureel en kunstzinnig. Ga maar na.

Literaire grootheden als Adriaan Roland Holst, ooit onze Prins der Dichters, en schrijver Eduard du Perron woonden er. Adriaan van Dis is er geboren en schilder/dichter Lucebert was er kind aan huis. Daarbij maakten kunstenaars als Leo Gestel, Mathieu Wiegman en Charley Toorop de Bergense School tot een belangrijke schildersbeweging in Nederland. Met als gevolg een prachtige museum.

Museum Kranenburgh in Bergen

Ook die  befaamde Kunst10daagse van Bergen komt natuurlijk uit dit culturele klimaat voort. Dit jaar al weer voor de 26se keer met een verwacht bezoekersaantal van rond de 40.000. Niet gek toch voor zo’n dorp?

Maar wat heeft Elisabeth met dit alles te maken? Ik schreef hier vorig jaar al eens over haar in een blog ergens in oktober. Geboren en getogen in Bergen, Roland Holst over de vloer in het ouderlijk huis, Mathieu Wiegman met zijn atelier op hun erf. Niet gek dus dat haar bloed behalve witte en rode ook heel veel cultuur bloedlichaampjes bevat. Dat alles leidde tot een levensproject, al vanaf haar elfde, waarin ze Nederlandse schrijvers, dichters en kunstenaars verenigt in een aantal boekwerken. Met daarin door hen eigenhandig geschreven teksten en speciaal gemaakte kunstwerken. Namen? Roland Holst natuurlijk en Wiegman. Verder  bijvoorbeeld Gerrit Kouwenaar, Neeltje Maria Min, Juul Deelder, Simon Vinkenoog, Remco Campert en Adriaan van Dis. Naast Kees Verkade, Matthijs Röling, Armando, Jan Wolkers, Anton Heyboer en Dick Bruna. Allemaal door haar benaderd voor een bijdrage. En sinds vorig jaar ook Toos van Holstein. Want zo heb ik Elisabeth leren kennen.

mijn bijdrage aan het levensproject van Elisabeth

Elisabeth’s koeienstal bleek een kunstzinnige uitdaging. Ik kreeg gelijk al ideeën over de manier van inrichten van het grote, achterste deel dat ze mij had toebedeeld. In zo’n geval is mijn iPad een heerlijk werktuig om die vloed aan ideeën te stroomlijnen. Foto van de stal erop en intekenen en plakken maar.

Maar of die ideeën dan allemaal ook haalbaar zijn? Vandaar dus afgelopen week een tweede bezoek. Met rolmaat en de fotograferende levensgezel erbij om ook technische details vast te leggen.

stalbezoek vorige week
koffie en gebak na, samen met de boerin

Wat het uiteindelijk gaat worden in die 10-daagse periode van 19 tot 28 oktober? De kunstradertjes in mijn hersenen draaien op volle toeren.

Wil je meer weten over die Kunst10daagse en het expositieproject van Elisabeth? Kijk dan maar eens hier voor algemene informatie en op https://www.dekunst10daagse.nl/bekijk-kunstenaars-groep/990/exposanten-stalkunst9 voor het koeienstalproject. Tot volgende week.

TOOS

Zeeuwse Zomer aan Zee


Jan Toorop, Zee en duin bij Westkapelle 1907

De zomervakanties zijn voorbij. Ten minste die van de scholen. Wat niet wil zeggen dat de drukte aan de Walcherse kust dan ook voorbij is. Nu wordt ‘t, zoals levensgezel dat uitdrukt, grijze-koppen-tijd. Een paar jaar geleden zagen we dat begin september op een zaterdag levendig geïllustreerd. Zeeland  binnenrijdend vanaf Bergen op Zoom constateerden we dat het tegemoet komend verkeer substantieel bestond uit met gezinnen gevulde campers en gezinsauto’s met fietsen en fietsjes achterop of met de bekende sleurhut er achter. En Zeeland in? Ook zoiets, maar dan met een vulling van veelal ‘grijze koppen’. Een Zeeuwse Zomer aan Zee bestrijkt tegenwoordig dan ook flink wat maanden. Was die periode begin 20ste eeuw absoluut korter en rustiger, ze was er niet echt minder zomers door. Kijk maar.

Ferdinand Hart Nibbrig, Gezicht op het dorp Zoutelande 1912

Dit schilderij maakt deel uit van ‘Aan Zee’, een heerlijk zomerse tentoonstelling in het Haags Gemeentemuseum helemaal gewijd aan Walcheren. De rust die Zoutelande hier nog uitstraalt is deze stralende zomer trouwens wel anders geweest. Zou de hit ‘Zoutelande’ van het Zeeuwse Bløf hier ook een aandeel hebben gehad? ’t Is maar een vermoeden! Grappig dat in de bijbehorende video ook een soortgelijk vogelvluchtoverzicht van het dorp wordt gegevens als op het schilderij.

Maar waarom nu juist Walcheren in het Gemeentemuseum? Gewoon omdat ze er de grootste verzameling Mondriaans ter wereld bezitten. En daar willen ze af en toe natuurlijk wat mee. In dit geval in samenhang met werken van Jan Toorop, Jacoba van Heemskerck en dus Ferdinand Hart Nibbrig. Want al die kunstenaars kwamen rond 1910 een aantal zomers lang samen in Domburg. Destijds the place to be voor de adel en de rijken van Europa. En daardoor dus ook voor kunstenaars. Een kwestie van follow the money. Maar dat is weer een ander verhaal.

Het viertal kwam er trouwens niet alleen om te schilderen bij het beroemde Zeeuwse licht maar ook om te discussiëren en filosoferen over kunst in het algemeen in samenhang met hun eigen werk.

Jan Toorop (1858-1928), al behoorlijk beroemd tijdens zijn leven, was daarvan de aanstichter. Hij maakte de anderen enthousiast voor Domburg en omstreken en introduceerde bij hen ook het zogenaamde pointillisme. Een manier van schilderen met kleine kleurige puntjes die hij meenam vanuit zijn verblijf in Brussel waar dat weer was komen aanwaaien vanuit Parijs. Destijds het magisch en episch kunstcentrum van de wereld. Maar ook dat zijn weer andere kunstverhalen.

Jan Toorop, Zee en duinen te Domburg 1908
Jan Toorop, Dijkweg bij Westkapelle 1910
Ferdinand Hart Nibbrig, Zeeuws meisje 1914

Hart Nibbrig (1866-1915) bleef daarna zijn leven lang dat pointillisme trouw. Ook was hij zo enthousiast over Zoutelande dat hij er maar gelijk Huize Santvlught liet bouwen. Een nog steeds bestaande villa. Hij zal vast wel een paar losse familiekapitaalcenten hebben gehad want met zijn schilderen heeft ie ’t vermoedelijk

niet verdiend.

Jacoba van Heemskerck (1876-1923) zag uiteindelijk meer in het kubisme en de Duitse Expressionisten.

Jacoba van Heemskerk, Twee bomen 1908-1910
Jacoba van Heemskerk, Kasteel van Westhove 1913
overzicht van contributies voor het chique Badpalviljoen van Domburg

Maar ze bleef Domburg wel trouw. Niet zo moeilijk trouwens. Want haar rijke vriendin Marie Tak van Poortvliet, de eerste Nederlandse verzamelaar van moderne kunst, hoefde daar geen villa meer te laten bouwen, die bezat ze namelijk al. Villa Loverendale, een huis van zoete inval voor kunstenaars, kunstcritici en verzamelaars. Een grotendeels niet onbemiddeld gezelschap. Want ga maar na. Het boven op de duinen gelegen oude Badpaviljoen, een prachtig cultureel trefcentrum voor de toenmalige jetset, was alleen voor leden en introducees toegankelijk via een contributie van 10 gulden voor 4 maanden (zie foto). Beslist een hoop geld meer dan een eeuw geleden. Maar daarvoor had je dan ook wat met vanzelfsprekend een speciale herenzaal en aparte leesruimte voor de dames.

Badpaviljoen linksboven op het duin

En Mondriaan? Voor hem waren die Walcherse zomers en de schilderijen die hij er maakte van kerktorens en duinlandschappen vooral de opmaat naar zijn nu wereldberoemde abstractie met vlakverdeling door verticale en horizontale lijnen.

Mondriaan, Duin IV 1909
Mondriaan, Duinlandschap 1911
Mondriaan, Kerk te Domburg 1911
Mondriaan, Kerkgevel I-kerk te Domburg 1914

Hij is duidelijk de meest zoekende en vernieuwende van de vier kunstenaars, zo blijkt wel uit de expositie. Echt een aanradertje (nog tot 18 november). Je houdt er gewoon een heel blij en zomers gevoel aan over. Zie ook nog maar de officiële video van het museum.

Tot volgende week.

TOOS

MCE, Leeuwarden en het oneindige zoeken


De Reuzen hebben Europese Culturele Hoofdstad Leeuwarden al een paar weken verlaten. Een ander interessant evenement daar, een tentoonstelling in het Fries Museum, duurt echter nog wel even. Absoluut de moeite waard en vandaar dit stukje.

Fries Museum: een wat overmaatse affiche met mij rechtsmidden

Eerst even een rijtje namen: Rembrandt, Vermeer, Van Gogh, Mondriaan. Die altijd opduikende rij als ’t gaat over Nederlandse kunstenaars die echt over de hele wereld gekend zijn. Maar stel nou dat je de vraag krijgt om er een vijfde kunstenaar aan toe te voegen. Dus ook iemand die in alle werelddelen herkenning oproept. Dan kom ik zelf direct uit op Maurits Cornelius Escher (1898-1972). Oftewel MCE, de ondertekening die je op al zijn werk vindt. Want wie kent niet die befaamde houtsneden en steendrukken van zijn realistische en toch onmogelijke bouwwerken waarin het spel met onder en boven je hersenen op zijn kop zetten? Constructies die niet kunnen maar in Eschers verwerking toch weer wel.

En wat te denken van die serie razend knappe Metamorfosen waarin verschuivende plant, dier of mensvormen heel ‘normaal’ in elkaar veranderen en verglijden?

Zou je je nu nog kunnen voorstellen dat een plafond van hem van 15 bij 15 meter met daarin insectenfiguren bij een verbouwing zonder aandacht van wie dan ook verwijderd wordt? Afgezien van één oplettende geest aan wie we ’t danken dat het nu nog bestaat? Lijkt me van niet! Toch gebeurde dat met een in 1951 door Escher gemaakt plafond voor het nieuwe Philips laboratorium in Eindhoven. Bij de opening daarvan werd zijn naam niet eens genoemd, laat staan bij die verbouwing 15 jaar later toen men er even niets mee kon.

Tientallen miljoenen Escher-posters later, die kamers over de hele wereld hebben gesierd, lijkt zoiets een onmogelijke gotspe. Best bijzonder voor iemand die ooit tegenover muzikant Graham Nash ( ja, die van de wereldberoemde groep ‘Crosby, Stills and Nash’) opmerkte dat hij eigenlijk geen kunstenaar maar een wiskundige was. Zie onderstaande trailer maar van de zeer recente documentaire ‘Escher: het oneindig zoeken’. Ik zag die vorige week in de bioscoop. Conclusie: indien mogelijk, gaan!!

Je kunt overigens ook naar Ljouwert, naar dat al genoemde Fries Museum. Voor de tentoonstelling ‘Escher op reis’. Zeg dus maar eens dat Escher niet in de belangstelling staat. Pure mazzel in feite voor Leeuwarden dat hij daar geboren is. Konden ze er als Culturele Hoofdstad toch maar mooi mee uitpakken. En dat doen ze ook.

een stiekem gemaakte foto, fotograferen op de expositie mag officieel namelijk niet
leuk om te doen: links een selfie in die bekende bol van Escher, rechts de oorspronkelijke houtsnede met daarin Escher zelf
officiële foto waarin je goed kunt zien hoe klein in feite de houtsneden van Escher in werkelijkheid zijn

Op heel informatieve en logische wijze wordt je daar door zijn leven geleidt. Via de prachtig verfijnde houtsneden die hij tijdens zijn langdurig verblijf in Italië maakte. Met de schetsen van zijn bezoek aan het Alhambra in Granada waar de abstracte Moorse herhalingsmotieven als een mokerslag bij hem binnenkwamen. En met al die bekende afbeeldingen waarmee hij in de jaren 60 uiteindelijk pas echt beroemd werd via de hippiecultuur die vanuit Californië de hele wereld overwaaide. Dol waren de hippies op zijn voor hen psychedelische afbeeldingen.

vroeg werk van Escher waarin al duidelijk is waarop hij heel veel later uitkomt
houtsnede gemaakt in Italië
schets van Escher, gemaakt in het Alhambra in 1936

Dat laatste komt in Leeuwarden jammer genoeg niet echt goed tot uiting. Maar daar is die documentaire dan weer goed voor. Expositie en film vullen elkaar in dat opzicht heel mooi aan. Zo wist ik niet dat Mick Jagger van de Stones ooit aan Escher gevraagd had een ontwerp voor een platenhoes te maken. Maar dat MCE daar door tijdgebrek geen zin in had. Hij begreep, curieus genoeg, trouwens helemaal niets van die hippietoestanden. Liever had hij contact met bètawetenschappers. Die begrepen ten minste waarmee hij bezig was in zijn zoektocht naar het weergeven van het begrip oneindigheid.

Eschers weergave van oneindigheid met een verdwijnpunt in het midden
kijkend door een grote loep naar zo’n verfijnde houtsnede

Die weigering bij Mick Jagger kon hij zich destijds financieel ook wel permitteren. In de jaren 50 zou dat wel een tikje anders zijn geweest. Door artikelen in 1951 in de Amerikaanse tijdschriften Time en Life brak hij daar wel door, maar met een verdienste van zo’n 2200 dollar bij de verkoop van 150 door Escher zelf gedrukte houtsneden in 5 jaar tijd kun je niet echt over een vetpot spreken. Vergelijk dat eens met de tienduizenden euro’s die nu voor sommige van zijn originele prenten worden neergeteld. ’t Kan verkeren. Maar het is wel terecht. Dus zullen we dat rijtje namen in het vervolg maar houden op Rembrandt, Vermeer, Van Gogh, Mondriaan en Escher? En wil je in 4 minuten tijd nog wat meer over hem opsteken? Kijk dan eens naar de volgende BBC minidocumentaire.

Tot volgende week.

TOOS

De Duiker, het Meisje en de Hond


Op doorreis van Friesland naar huis maakte ik afgelopen zaterdag een tussenstop in Breukelen. Bij Galerie Peter Leen. En toen ik daar mijn aluminium meisje zag staan op haar trapje (foto hierboven) dacht ik ineens ‘stom, stom, zet ik mijn meisje wel op een trapje en vergeet ik zelf zo’n ding mee te nemen’. Want dat zou daar in het Noorden verrekte handig zijn geweest. Waarom? Nou, ik was vrijdag in Ljouwert. Of op z’n Nederlands, Leeuwarden. Voor de manifestatie daar met de Reuzen van het Franse straattheatergezelschap Royal de Luxe. Verkeren in grote mensenmassa’s is niet echt mijn ding, maar dit mocht ik toch niet missen. Ljouwert is ten slotte niet voor niks dit jaar Culturele Hoofdstad van Europa en daar had ik tot nu toe nog niks aan gedaan. Iets waarin beslist verandering moest komen

Dus wilde ik het optreden van drie van Royal de Luxe’s gigantisch uit de kluiten gewassen marionetten, de Duiker, het Meisje en de Hond, live meemaken.

de Duiker nog in het water
het Kleine Reuzenmeisje en de Hond in ruste

Die 11 meter lange duiker zou om 11 uur vrijdagmorgen uit het water omhoog komen. Maar al tegen tienen bleken er ter plekke dichte en dikke rijen aan de waterkant te staan. Aanschuiven was het enig mogelijke in een daarna alsmaar uitgroeiende en steeds meer dichtslibbende mensenmassa. Vandaar dus in Breukelen dat veel te late idee van een trapje! Nu was ’t moeizaam om toch nog iets te kunnen zien, te fotograferen en te filmen. Daarmee vergeleken viel ’t op andere plekken langs de route in de loop van de dag dan weer mee. Hieronder vind je het resultaat van die filmerij dat nu ook op mijn YouTube kanaal staat (https://youtu.be/1aZU_knBRF4).

Ik heb er trouwens wel enkele videootjes van anderen in verwerkt. Met die bijna 100.000 bezoekers op vrijdag kon je ten slotte niet zomaar overal gaan en staan en tussendoor kruipen. Maar het was alleszins de moeite waard. De magie van zo’n mega-gebeurtenis kun je alleen maar voelen door er zelf ook te zijn. Dat is zoiets als die vibraties waar schilder Terpen Tijn, dat bekende karakter uit de Tom Poes strips, het altijd over had. “Eh … dinges!Vat je makker”. Zo’n magie die je af en toe ook overvalt bij toneelvoorstellingen, popconcerten of opera’s. Je moet er bij zijn om ’t te kunnen voelen.

het Meisje ’s morgens nog in slaap voor het station in Leeuwarden
de Duiker op stap in de stad
Lilliputters helpen de Duiker een handje

Nou, die vibraties, die magie waren volop aanwezig. Hoe al die op en rond de reuzenmarionetten heen en weer springende Lilliputters ze in beweging en tot leven brengen is echt fantastisch. Vooral hondje Xolo is daarbij heel speciaal. Nou ja, ….hondje? Kijk maar naar de scene in de video waarin Xolo en een echte hond elkaar besnuffelen. Overigens een video van een ander die dat toevallig meemaakte langs de route.

de Duiker in middagslaap

het meisje onderweg naar haar slaapplaats voor vrijdagnacht
de Hond vergezeld haar
overal een gigantische Reuzendrukte

Het heeft een lieve duit gekost om Royal de Luxe naar Leeuwarden te krijgen, zo’n 3,5 miljoen euro. Maar daarvoor heb je duidelijk ook wat. Die miljoenen zijn overigens al weer dik terug verdiend. Als je zag hoe alleen al op die vrijdag, de minst drukke van de drie Reuzendagen, de horeca draaide als een tierelierend orgel en las welke extreme prijzen werden betaald voor de laatste vrije hotelkamers, dan heeft Leeuwarden een gouden greep gedaan. En daarbij heb ik ’t nog niet eens gehad over die expositie van Escher in het Fries Museum. Want daar was ik natuurlijk ook. Daarover echter later. Tot volgende week.

TOOS

La Serenissima


Hierbij nog weer een van mijn serie speciale zomerblogs. ’t Is ten slotte augustus en nog steeds vakantie dus een versnellinkje lager mag best. Gewoon wat makkelijker. Één foto erin van een schilderij van mij met een daarop geïnspireerde tekst. Een praatje bij een plaatje zogezegd.

Toos van Holstein, Nebbia a Venezia, olieverf 65-45 cm

Vorige week schreef ik ’t nog. De stad, oud of modern, fascineert me altijd. Maar als er één oude stad is waarvoor dat geldt, is ’t wel Venetië. Een week Venetië is voor mij altijd een feest. En dat gebeurt meestal in de oneven jaren. Als de wereldberoemde kunstbiënnale daar weer bezit neemt van het bijbehorende expositieterrein, van het oude industriële Arsenale en van allerlei palazzi. Volgend jaar ben ik dus wel weer van de partij. Maar eens kijken of het er opnieuw drukker is geworden met al die horden toeristen die de stad het hele jaar lang overstromen. Want de stad zelf mag dan af en toe te lijden hebben van de aqua alta, de te hoge waterstand waarbij het water bezit neemt van bepaalde pleinen en straten, de toeristengolven spoelen er het hele jaar doorheen. Maar dan vooral in de Venetiaanse Kalverstraat, de wirwar van aan elkaar geschakelde straten en straatjes die het treinstation via de Ponte di Rialto verbindt met het Piazza San Marco. Want daar moeten en zullen alle dagtoeristen natuurlijk heen. Gelukkig, zou ik bijna zeggen! Want daardoor zijn er ook nog grote delen in de stad waar het veel rustiger is. Daar verkeer ik dan ook het liefst. Daar komen die eeuwenoude sfeer en schoonheid van La Serenissima nog steeds heel goed tot hun recht. Dan voelt ’t nog steeds als een voorrecht in die stad te kunnen ronddwalen en verdwalen en te genieten van al het moois dat de mens daar aan architectuur heeft gecreëerd. En loop je een kerk binnen, dan sta je eigenlijk altijd gelijk oog in oog met de prachtigste kunst van oude Italiaanse meesters. Echt genieten.

Dat is het ook als de dagtoeristen zijn verdwenen en de nacht over Venetië valt. Pure, feeërieke schoonheid. Net zoals bij de af en toe binnenvallende nevel. Vandaar bovenstaand schilderij Nebbia a Venezia. Mist in Venetië. Tot volgende week.

TOOS 

Een kunstinkijkje in de wereld van beeldend kunstenaar TOOS van Holstein: ervaringen, ideeën en ART

%d bloggers liken dit: