Tagarchief: Haarlem

Vrouwelijk Feest in de Schildershemel


foto van de Eregalerij in het Rijksmuseum die ik nam in betere tijden

Of er in het Hiernamaals, Nirwana, Walhalla en de Eeuwige Jachtvelden speciale plekken zijn voor beeldende kunstenaars? Echt geen idee. Maar zo ja, dan had daar een paar weken geleden op de Internationale Vrouwendag vast een luid en duidelijk gejuich opgeklonken. Vooral uit vrouwenkelen. Toen maakte het Rijksmuseum namelijk bekend dat de Eregalerij, zeg maar rustig ‘the place to hang’, verrijkt was met schilderijen van een paar vrouwelijke kunstenaars uit onze Gouden Eeuw. Zomaar ineens twee en een halve vrouw te midden van Rembrandt, Vermeer, Frans Hals, Jan Steen, Jacob van Ruisdael en nog zowat van die wereldberoemde  schilderscoryfeeën. Eindelijk,eindelijk!! Want anders was het Rijks echt over de datum geraakt.

een schilderij van Rachel Ruysch wordt opgehangen in de Eregalerij

Hoe dat zit met twee en een half? Nou, Judith Leyster en Rachel Ruysch ieder helemaal en Gesina ter Borgh half. Half? Komt zo. Op zich nog niet veel, maar toch! Als begin in ieder geval stukken beter dan dat helemaal niks, niente, nada van de laatste twee eeuwen sinds de oprichting van het Rijksmuseum. Van de tijd waarin vrouwelijke kunstenaars een heel dikke mist ingestuurd werden.

Maar nu die halve Gesina ter Borch (1633-1690). Kende je die? Misschien wel haar achternaam. Want vader Gerard ter Borch was al een bekend schilder, maar zijn zoon en Gesina’s halfbroer, ook een Gerard ter Borgh (1617-1681), is degene naar wie heel wat straten in Nederland zijn vernoemd.  En degene waarvan twee en een half schilderijen in het Rijksmuseum zijn te bewonderen. Kijk, weer die halve. Sinds Internationale Vrouwendag hangt er in de Eregalerij namelijk een gezamenlijk werk van Gesina en Gerard.

portret van Moses ter Borch, geschilderd door Gesina en Gerard ter Borch (1667-69)

Een schilderij dat ze maakten in memoriam voor Gesina’s broer Moses (1645-1667). Ook een talentvolle Ter Borgh, zoals zijn zelfportret wel duidelijk maakt.

Zelfportretje van Moses ter Borch (1660 – 61)

Maar hij koos ervoor bij de marine te gaan, in dienst van Michiel de Ruyter. Op 22-jarige leeftijd werd hij een slachtoffer van de Tweede Engelse Oorlog bij de aanval op een fort aan de Engelse kust. Daarna hebben zus en halfbroer hem in dit portret geëerd. Gesina kon dus net als Gerard het penseel uitstekend hanteren. Maar dat bleef alleen bekend binnen de kleine kring van familie en vrienden. Echt naar buiten treden deed ze niet. Haar talent en kunde leefde ze vooral uit in een drietal heel bijzondere albums die gelukkig bewaard zijn gebleven. Albums met gekalligrafeerde liedjes, gedichten, tekeningen, aquarellen, prenten, krantenknipsels en bijvoorbeeld onderstaand zelfportret.

Tot rond 1880 bleven deze boeken familiebezit tot ze uiteindelijk als een kunstzinnige verrassing ter veiling kwamen. Toen sloeg de Vereniging Rembrandt een prachtige slag waardoor ze nu eigendom zijn van het Rijksmuseum. Een heel waardevol en volstrekt uniek onderdeel van de collectie. Hier nog wat voorbeelden eruit.

aquarel/tekening van Moses die heel veel weg heeft van het schilderij dat Gesina en Gerard van hem maakten

Veel meer over die boeken is te beluisteren in deze podcast. Waarin journalist Janine Abbring, de laatste paar jaar ook de interviewer van dat unieke tv-programma Zomergasten, een gesprek voert met conservator Ilona van Tuinen. Echt leuk om te beluisteren. En nu is Gesina dus ineens, heel verrassend vind ik, gepromoveerd naar de Eregalerij. Veel minder opmerkelijk is dat voor Judith Leyster (1609-1660). Alhoewel ook die heel erg lang in die dikke mist moest verkeren. Aan haar gaf ik hier al eens aandacht.

twee zelfportretten van Judith Leyster, op jongere en oudere leeftijd
Judith Leyster, De serenade, het schilderij dat nu in de Eregalerij hangt

Diverse van haar schilderijen zijn lang toegeschreven geweest aan bijvoorbeeld Frans Hals. Al eeuwen lang veel beroemder, ook woonachtig in Haarlem, schilderend in dezelfde stijl en veel meer waard dan Judith. Dus de ondertekening van Judith valselijk overschilderen met die van Frans Hals was een interessant verdienmodel. Reken maar dat er de komende jaren nog wel  meer ‘Leysters’ ontdekt gaan worden.

En die derde vrouw, Rachel Ruysch? Laat ik aan haar nou stom toevallig recent één, twee, drie afleveringen hebben gewijd! Lees maar. Nu wordt ’t afwachten wanneer nog twee andere Gouden Eeuwse coryfeeën de Eregalerij mogen komen opluisteren. Maria van Oosterwijck en Clara Peeters.

schilderij van Maria van Oosterwijck, in de collectie van het Mauritshuis
schilderij van Clara Peeters, in de collectie van het Rijksmuseum

Dat zou pas een echte inhaalslag zijn. Alhoewel, Clara Peeters? Mauritshuis en Rijksmuseum mogen van haar dan twee prachtige stillevens bezitten, ze werkte vooral vanuit Antwerpen. En die stad hebben ‘we’ in de Tachtigarige Oorlog nou net niet kunnen heroveren op die vuige Spanjaarden. Dus mag ze dan wel meedoen in Amsterdam? Maar ach, de Eregalerij is voorlopig toch corona-gesloten  dus ze hebben bij het Rijks nog wel even de tijd om daar over na te denken. Tot volgende week.

TOOS

Zou de beroemde schilder John Constable (1776-1837) een Brexit voorstander zijn geweest?


Wat hebben we er toch lekker veel natuurfanaten bij gekregen in deze coronatijd! Zo bleek een dikke week geleden wel. Want zeg nou zelf,dat moet je toch wel zijn als je met z’n allen uitgebreid in de file gaat staan om een flinterdun laagje sneeuw op het Drielandenpunt bij Vaals te gaan bewonderen. Hoezo het aantal verkeersbewegingen terugschroeven tijdens de lockdown? Bij zoveel overenthousiasme hadden ze eigenlijk ook nog even moeten doorrijden naar Madrid om daar op de veel dikkere sneeuwlaag te gaan langlaufen. Maar goed, door hun idolate gedrag moest ik ineens denken aan nog zo’n grote natuurliefhebber. Aan John Constable (1776-1837) en de expositie over hem in het prachtige Haarlemse  Teylers Museum. Die kon ik nog net bezoeken toen het flipperkastenbeleid  voor musea dat weer even toestond.

Bovenstaande foto met het Teylers Museum op de achtergrond maakte levensgezel deze zomer. Toen we met vrienden in hun sloep op de Spaarne in Haarlem voorbij dat gebouw voeren. Met de wind in de haren en natuurlijk een glas witte wijn in de hand. Helemaal dus zoals ’t heurt volgens het Amsterdamse grachtengordel-sloep-reglement. Dat oudste museum van Nederland (1784) is ook absoluut een toost waard. Sowieso vanwege het oude gebouw zelf, met die magnifieke Ovale Zaal middenin. Maar ook vanwege de wetenschappelijke verzameling fossielen, mineralen en oude natuurkundige instrumenten. Waar levensgezel, met zijn achtergrond, altijd even likkebaardend moet ronddwalen.  En natuurlijk door de voor Nederland unieke kunstexposities die er regelmatig te bewonderen zijn.

de Ovale Zaal

Zoals nu die  overzichtstentoonstelling van John Constable. Zelfs de eerste in Nederland. Eigenlijk heel raar. Want in Engeland heeft hij een sterrenstatus. Daar is hij voor zijn bewonderaars nog steeds een van de beste landschapsschilders ooit. Niet zomaar wordt Suffolk, het gebied waar Constable zijn beroemdste schilderijen maakte, Constable Country genoemd. Er wordt zelfs geprobeerd om plekken die hij ooit schilderde terug te transformeren naar de toestand van zo’n twee eeuwen geleden.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is con-06.jpg
bomen worden omgehakt om het landschap, met de kerktoren op de achtergrond, er weer Constable-like uit te laten zien

’t Moet er weer zoveel mogelijk uit gaan zien als op zijn schilderijen. In feite een vorm van omgekeerd photoshoppen. Idolatrie en idiotie? Hoezo! Zou onze goede vriend Obelix dan toch gelijk hebben met zijn uitspraak in de strip ‘Asterix bij de Britten’: Ils sont fous, ces Anglais, ze zijn gek, die Engelsen?

Maar waarom Constable zo speciaal is voor Engeland en voor de schilderkunst wordt heel prettig en kundig uitgelegd in onderstaande video over de expositie in Haarlem.

Persoonlijk vind ik de olieverfschilderijen die hij in zijn atelier maakte nogal braaf.

De Hooiwagen, Constable’s beroemdste schilderij, niet te zien op de expositie
wel op de expositie
tekening van Constable, in het bezit van Teylers Museum

Maar de olieverfschetsen waarop in de tentoonstelling terecht veel nadruk ligt, zijn toch heel bijzonder. Want wie ging er in die tijd buiten zitten schilderen met olieverf? Waarom kennen we niet dergelijke olieverfschetsen van Rembrandt? Waarom maakte die buiten alleen snelle schetsen en mogelijk enkele  etsen om ze later in zijn atelier verder uit te werken? Heel simpel, Rembrandt en Constable kenden de verftube nog niet. Die o zo handige tinnen tube stamt namelijk pas van 1841. Daarna werd het buiten schilderen ineens  veel makkelijker. Met als gevolg de nu zo beroemde School van Barbizon, het impressionisme van bijvoorbeeld Monet en het expressionisme van ons aller Vincent. Maar dat zijn andere verhalen.

zo’n olieverfschets van Constable op de expositie, zie ook de volgende foto’s

Wat nu dus een fluitje van een cent is, was in Constable’s tijd een ware expeditie waarin hij als een echte pionier bepakt en bezakt op stap moest. Met bijvoorbeeld dichtgebonden varkensblazen waarin zijn thuis gefabriceerde olieverven niet uitdroogden. Naast ook nog de nodige glazen flesjes met medium en pigmenten. En dan moest hij met deze primitieve middelen maar even snel die prachtige momentane luchten met hun ingewikkelde lichte en donkere wolkenpartijen neerzetten.

Vooral door die olieverfschetsen in Teylers ben ik hem meer gaan waarderen.

Want zoals hierboven al gezegd, ik vond hem altijd wat braaf. Altijd maar diezelfde soort olieverfschilderijen van diezelfde plaatsen, ’t liefst in zijn geboortestreek Suffolk. Zelfs toen hij op latere leeftijd bekender werd en in Frankrijk zowaar meer schilderijen verkocht dan in eigen land weigerde hij het Kanaal over te steken. Liever arm in eigen land dan rijk daarbuiten, zo zei hij eens. Vandaar dus de titel van dit stukje. Een volstrekt irrelevante vraag natuurlijk. Maar, zo vond ik, wel een leuke opener.

nog een paar foto’s van de tentoonstelling

Nu maar hopen dat de musea weer open kunnen voor 28 februari. Want tot dan staat de noodgedwongen al verlengde tentoonstelling gepland. As ’t effe kan gewoon nog gaan. Tot volgende week.

TOOS

Konstighe Wereldwijven van Toen


als ik in een museum rondloop, ben ik altijd op zoek naar werk van vrouwelijke kunstenaars

Eerst even een tamelijk afschrikwekkend citaat uit het politiereglement van Aardenburg (Zeeuws-Vlaanderen). Voor alle duidelijkheid, uit 1444. ‘Een man mach sijn wijf slaen ende steken, upsniden, splitten van beneden tot boven ende waermen zijn voeten in haer bloet’. Wel op voorwaarde dat ze bleef leven. Maar dat is natuurlijk vanzelfsprekend.

Dit komt uit het nieuwe boek ‘Oefeningen in Genot. Liefde en lust in de late Middeleeuwen’ van Herman Pleij. Misschien zeg je nu ‘oh ja, die Pleij uit DWDD met zijn heerlijke, enthousiaste geschiedenisverhalen’. Ja, die dus.

Nog wat citaten, maar dan van begin 20e eeuw. Bij de invoering van het algemeen vrouwenkiesrecht in 1919. ‘Maar wat blijft er dan over van de huisvrouw, wier hooge plicht het is zich bezig te houden met dagelijksche dingen’ (A.F. de Savornin Lohman, fractievoorzitter CHU). En ‘Deze beweging die bedoelt is de vrouw minstens als gelijk met den man te stellen en, zoo mogelijk hooger, acht ik in strijd met Gods Woord’ (E.J.Beumer, kamerlid ARP). Er veranderde in de tussenliggende eeuwen dus best wel iets qua toonzetting. Maar kun je ’t een echt fundamentele verandering noemen in het beeld over de vrouw bij deze mannen?

 En toch zijn er zelfstandige vrouwelijke kunstenaars geweest in de tussenliggende eeuwen.  Ik schreef er een paar weken geleden al over en noemde i.v.m. de Gouden Eeuw Judith Leyster, Clara Peeters, Rachel Ruysch en Maria van Oosterwijck (lees hier maar). Dat moeten beslist dijken van wijven zijn geweest. Echte wereldwijven. Oké, je had wel dat bekende zaklantaarntje nodig, maar toch! Rond 1720 verscheen het bekende, drie delen tellende overzichtswerk ‘De groote schouburgh der Nederlandsche konstschilders en schilderessen’ van Arnold Houbraken. En die schreef, zoals de titel al aangeeft, de kunstvrouwen niet weg. Zoals later in de 19e en 20e eeuw wel is gebeurd. Je moet er echt naar zoeken tussen de vele honderden mannennamen, maar hoe dan ook, ze zijn er.

Dat daarbij wat haar op de vrouwentanden heel nuttig kon zijn, bewijst Judith Leyster (1609-1660). Absoluut een eigenzinnig en ondernemend typje. In Haarlem werd ze in 1633 als meesterschilder, en als enige vrouw, ingeschreven bij het gilde voor de kunstschilders, de vakbond van toen. Als ongetrouwde vrouw zelfs! Dat zegt wel iets over haar omdat je dan een eigen atelier moest hebben en leerlingen mocht aannemen.

links haar beroemde zelfportret van rond 1630, recht een recent ontdekt zelfportret van rond 1650

Ze ging ook conflicten met mannelijke collega’s niet uit de weg. Dat blijkt uit een juridisch akkefietje van haar met de beroemde Haarlemse schilder Frans Hals bij wie ze vermoedelijk zelf eerst nog in de leer was geweest. Een leerling uit haar atelier liep over naar Frans Hals terwijl Judith nog leergeld van hem te goed had. Dat pikte ze niet en dus stelde ze Hals daarvoor aansprakelijk. En ze won! Maar zelf kreeg ze weer een boete omdat ze die leerling, toen die bij haar kwam, niet bij het gilde had aangemeld. Want gilderegels waren er natuurlijk wel om nageleefd te worden.

Dat ze bij Frans Hals in de leer is geweest, staat niet voor 100% vast, maar wordt afgeleid uit de overeenkomsten tussen haar en zijn schilderijen. Beiden waren ze namelijk heel goed in de zogenaamde genrestukken, afbeeldingen uit het dagelijks leven. Een typisch Lage Landen genre dat heel populair was in de 17e eeuw en daarom door veel kunstenaars werd beoefend. Allemaal mannen. De enige uitzondering in Holland? Judith Leyster.

hier een aantal van die genreschilderijen, zoals ‘Vrolijk gezelschap’, rond 1629

Twee kinderen met een kat, 1629

Een gelukkig stel, 1630

werk uit 1635

De laatste druppel, rond 1639

Dat is vermoedelijk ook, afgezien van haar vrouwzijn, een reden geweest om in de eeuwen daarna schilderijen van haar aan Hals toe te schrijven. Tja, onder die naam bracht een werk nu eenmaal veel meer op en hun stijl was gelijkwaardig. Wat natuurlijk wel weer iets zegt over haar kwaliteiten.

die kwaliteiten blijken ook uit haar ‘muziekschilderijen’ en portretten, zoals bij ‘Serenade’, 1629

Jonge fluitspeler, rond 1635

Meisje met luit, 1631

portret van onbekende man met baard

portret van onbekende vrouw

het beroemde schilderij ‘Het voorstel’, 1631, gefotografeerd in het Mauritshuis

Die lagen trouwens ook op het zakelijk vlak. Met haar man Jan Miense Molenaer, ook schilder,woonde ze op verschillende plekken waarbij zij hun woonhuizen kocht en zij hun kunsthandel bestierde. Tussendoor kreeg ze nog even vijf kinderen. ’t Zou heel goed kunnen dat er daardoor van haar na 1640 maar weinig schilderijen bekend zijn. Nog steeds een bekend euvel trouwens voor veel vrouwelijke kunstenaars die kinderen krijgen en daardoor minder aandacht kunnen geven aan hun carrière. Maar ’t zou natuurlijk ook heel goed kunnen dat er in de toekomst meer werken van haar worden ontdekt die nu nog aan anderen zijn toegeschreven. Een verschijnsel dat veel vrouwelijke kunstenaars is overkomen. Maar dat is weer een ander verhaal.

aquarel van een tulp, 1643

‘Blompotje’, 1654

En die andere konstighe wereldwijven als Clara Peeters, Rachel Ruysch en Maria van Oosterwijck? Die schuiven gewoon door naar een volgend blog. Tot volgende week.

TOOS

“Schrijf op, Verwey voelt zich een miskend genie” en Rob Ruggenberg deed aldus


foto van Kees Verwey in zijn atelier bij aanvang van de expositie

als jonkie in Dordrecht

Bij Dordrecht komen al eeuwen drie rivieren samen. Dat verklaart gelijk de ligging van deze ooit grootste stad van Holland. Maar ook voor mij knopen er zich in Dordrecht telkens opnieuw levenslijnen samen.

Dat begon al toen ik er op 19-jarige leeftijd neerstreek. Met mijn op de academie in Tilburg behaalde MO-A  diploma deed ik er mijn eerste, niet licht te vergeten onderwijservaringen op. Maar ook, zoals dat gaat, nieuwe vrienden en een Dordtse stamkroeg. Nog zo’n echte bruine. Daar probeerde ik eens mijn oudste zus te koppelen aan de van oorsprong Franse Jean Boulanger. Hij leek me wel wat voor haar. Maar ik had me deerlijk vergist. Zij zag alleen maar de stralend blauwe ogen van Rob Ruggenberg. Destijds journalist en mijn beste vriend daar.

mijn stamkroeg destijds en een tekening die ik er toen van maakte voor een film over die kroeg

 De rest is historie. Rob bleef boezemvriend, werd zwager en katapulteerde zich in 2006 de kinderboekenwereld in met zijn eerste boek ‘Het verraad van Waterdunen’. Nog zes andere historische jeugdromans en vele prijzen volgden. Zoals de door velen begeerde Thea Beckmanprijs en die van de Jonge Jury. Maar heel recent overleed Rob plotseling. Een heftige schok die ik nog steeds aan het verwerken ben. In dat proces paste mooi een bedevaart naar Dordrecht. Naar een expositie over schilder Kees Verwey in het Dordrechts Museum (zie de foto’s tussendoor). De link?

Rob Ruggenberg in Groenland voor onderzoek voor zijn jeugdroman ‘IJsbarbaar’

Hiervoor eerst een citaat uit de doorslag van een bijna 35 jaar oude brief van Rob aan de destijds beroemde, wat norse en ook provocerend ingestelde maestro Verwey (1900-1995). Zo’n met carbonpapier gemaakte pre-digitale doorslag, getikt op zijn journalisten-typemachine.

” Ik neem de vrijheid ook nog terug te komen op mijn telefonische vraag, vorige vrijdag. Ik zou echt heel graag een aquarel willen kopen, met name een die ik in de Vishal zag hangen en die mij in het hart trof. Daar U mij te verstaan heeft gegeven dat die mogelijkheid afhangt van de wijze waarop ik over U heb geschreven, buig ik thans het hoofd en wacht ootmoedig Uw oordeel af, Met gevoelens van hoogachting en bewondering, Uw dienstwillige dienaar, Rob Ruggenberg.”

aquarel van Verwey op de expositie in het Dordrechts Museum

Waar kom je dat soort brieven tegenwoordig nog tegen. Maar ’t was wel de manier waarop je de toen 85 jaar oude Kees Verwey geacht werd te benaderen. Reactie en aquarel zijn er nooit gekomen. Niet ootmoedig genoeg geschreven? Wel jammer, geen ‘Verwey’ dus in de familie. Maar wel verscheen in diverse regionale dagbladen het grote interview van Rob met Verwey waarnaar het citaat indirect verwijst. Met als kop “Schrijf op, Verwey voelt zich een miskend genie”.

deel van de expositie

Een aantal jaren geleden gaf Rob me een dikke ordner over Verwey.  Zo van ‘lijkt me wel interessant voor jou’. Met daarin allerlei knipsels en kopieën  die hij had verzameld als voorbereiding op dat interview. Nu kwam dat mooi van pas voor mijn Dordtse bedevaart.

stilleven met bloemen van Verwey

Verwey leek langzaam aan op weg naar de kunstvergetelheidshoek. Daar waar zich al heel veel kunstenaars hebben verzameld. Toen echter was hij nog steeds een NAAM. Met een rijk tentoonstellingsverleden. Het Stedelijk Museum in Amsterdam, Boymans in Rotterdam, Frans Hals Museum in Haarlem en het Van Abbe in Eindhoven. En dat ondanks het Cobrageweld dat hem vanaf de jaren 50 kwelde. Want eigenlijk vond de moderne kunstwereld toen al dat zijn stijl ‘niet meer kon’. Stel je voor! Figuratief met, oké, af en toe wat abstractie, en dan ook nog een mix van impressionisme en expressionisme? Dat deed je voor je goeie kunstfatsoen niet meer. En toch bleef hij zijn unieke zelf. ‘Een kunstenaar wiens toekomst ligt in zijn schitterend verleden’ zoals hij zichzelf ooit eens typeerde.

kijkje in het beroemde atelier van Verwey met de bekende gipsen Egyptische kop die vaak terugkeert in zijn schilderijen

In Dordrecht zag ik een mooie doorsnee van zijn werk. Met zijn befaamde aquarellen maar ook met die beroemde stillevens van zijn atelier. Het beroemde atelier waar in geen tientallen jaren was schoongemaakt en waarvan hij steeds opnieuw een aanzicht schilderde. Voortdurend onderzoekend hoe hij ’t met compositie, stijl, licht en kleur anders kon doen.

een paar van de grote stillevens van zijn atelier

Dat hij ook nog wat abstracte schilderijen maakte voor de overzichtsexpositie in Haarlem bij zijn 85e verjaardag? Even een heerlijk citaat uit het interview van Rob met hem bij die gelegenheid. “Abstract? Dát willen ze, anders tel je niet mee. Je moet eigentijds zijn. Dus heb ik speciaal voor deze tentoonstelling eens een paar abstracten gemaakt. Het is heel gemakkelijk. Grote penselen, dus gauw klaar. Een liniaal is het belangrijkste. Je begint met een stel lijnen te trekken en dan komt de rest ook wel. Bovendien hoef je het niet helemaal af te maken. Dat ziet toch geen mens.” De provocateur Verwey ten top!

Het is bewonderenswaardig dat het Dordrechts Museum na zoveel jaren opnieuw een terechte ode brengt aan deze schilder en waarnemer pur sang (tot 5 januari). Voor mij is dit stukje trouwens ook een soort ode, een eerbetoon aan mijn grote vriend Rob. Zijn apotheose komt echter nog. Als in april volgend jaar zijn laatste historische jeugdroman verschijnt. Postuum dus. Ingeleverd bij uitgever Querido een paar dagen voor hij stierf.

Oh ja, en die Dordtse stamkroeg bestaat nog steeds, maar nu als restaurant.Tot volgende week.

TOOS

Museum Musiom met ook mijn werk in de kerncollectie


Hoeveel van alle dode en nog levende Nederlandse kunstenaars zouden wereldwijd, of zelfs alleen maar in Nederland,  in een museum hangen? Werk van hun hand dan natuurlijk, niet zij zelf. Ik schat zo in dat dit maar een heel klein percentage is. Ga maar na. Tegenwoordig studeren er per jaar vele, vele honderden af aan de kunstacademies. Per jaar dus! Die komen echt niet allemaal in een museum terecht. Want daar gaat in de loop der tijden een selectie aan vooraf die o.a. sterk beheerst wordt door trends. Door de waan van de dag en die van museumdirecteuren en bijbehorende kunstcuratoren. Klein klassiek voorbeeldje? Frans Hals (1582-1666), wereldberoemd toch? Maar wel helemaal uit na zijn leven tot hij ineens een soort afgod werd voor de  Franse impressionisten in de tweede helft van de 19e eeuw. En nu? Zie het Frans Hals Museum in Haarlem.

Daarom zijn een paar enthousiastelingen in Amersfoort een eigen museum begonnen. Het ‘Musiom, huis voor hedendaagse kunst’. Een museum bedoeld voor kunstenaars geboren rond 1950. Want velen uit die tijd hebben zich nooit in een hokje laten stoppen, zich nooit aan heersende kunst en museumdirecteurentrends aangepast. Ze zijn gewoon helemaal hun eigenste gang gegaan, hebben door de kwaliteit van hun werk een mooie carrière opgebouwd maar zijn nooit doorgedrongen in het gesubsidieerde museale  circuit. Te on-Cobra of te weinig abstract expressionisme of veel te figuratief. Of geen verwantschap met min of meer onbegrijpelijke kunstperformances en installaties. Enzovoort. Niet passend dus in het aankoopbeleid van de grotere musea. Gewoon te eigenwijs en teveel werkend vanuit hun eigen fantasie, vanuit hun eigen beleving.

voorkant van het Musiom

Op die manier is een kunstenaarsgeneratie die juist volwassen werd in de roerige jaren 60 en 70 en die zich niets aantrok van stromingen nooit museaal aan bod gekomen. Allemaal individualisten die zich niet lieten vangen in een kunsthokje. Nee, ze waren gewoon allemaal apart allemaal hun eigen kunststroming. Maar wel op zo’n manier dat een deel van hen nationaal en ook internationaal bekendheid kreeg. Met als gevolg dat ze bij heel veel particulieren hangen en staan met hun schilderijen en beelden. Omdat heel veel ‘gewone’ kunstliefhebbers wel wat zagen in hun werk.  En vergeet ook niet bepaalde bedrijfscollecties die eigenwijs hun gang gingen met verzamelen.

deel van de huidige expositie in het Musiom

met kunstenaar Hans Vanhorck, een van de initiatiefnemers, kijkend naar een werk van mij voor de kerncollectie

Het Musiom (www.musiom.art) aan de Stadsring 137 in Amersfoort springt nu in dit museale gat. Waarbij ik mag meespringen. Want vorige week bracht ik er wat schilderijen heen die deel gaan uitmaken van de kerncollectie. Samen met werk van bijvoorbeeld Hans Vanhorck, Richard Smeets, Poen de Wijs, Saskia Pfaelzer, Sjer Jacobs, Ad Arma, Arvee en Jan van Lokhorst. Allemaal kunstenaars met een mooie carrière en vaak ook nog volop bezig in de kunst. Daar ben ik best een beetje trots op.

met Hans Vanhorck voor een werk van Richard Smeets

Elke drie à vier maanden is er in het Musiom weer een nieuwe expositie te zien van enkele van de Musiom-kunstenaars aangevuld met een keus uit die kerncollectie. Wanneer ik aan de beurt ben? Reken maar dat ik dat hier meld. Tot volgende week.

TOOS

Een Haarlemse Leonardo da Vinci: groots in klein en groot


het Teylers Museum in Haarlem aan de Spaarne

Tegenwoordig schijn je zonder bucket list geen noemenswaardig bestaan meer te kunnen hebben. Zo van ‘wat heb jij nog op je bucket list staan?’ Een raar woord, dat bucket list. Hoezo bucket? Dat is toch een emmer? Een emmerlijst! Nou, gooi maar in mijn emmer!Dan blijf ik toch liever bij dat goeie Nederlandse verlanglijstje. En op mijn lijstje staat al heel lang ‘Milaan’. Toch komt ’t er op de een of andere manier maar niet van. Van een bezoek aan de wereldberoemde kathedraal daar. Of aan de musea met kunstschatten uit de roemrijke renaissancetijd. Een tijd waarin Milaan en Florence elkaar letterlijk en figuurlijk de tent uitvochten op kunst en oorlogsgebied .

kaart van Milaan in de Renaissancetijd

Óf, en dat staat echt bovenaan, Leonardo da Vinci’s muurschildering van Het Laatste Avondmaal. In het Santa Maria delle Grazie klooster. Gelijk bij het ontstaan in de jaren 1495 tot 1498 al beschouwd als een  kunstwonder van de bovenste orde. De expressiviteit in gezichtsuitdrukkingen en lichaamshoudingen die Leonardo in Jezus en zijn apostelen aanbracht, was volstrekt revolutionair. Toen al moest iedereen het zien en ook nu nog is het een trekpleister van jewelste. Ondanks de, achteraf gezien, verkeerde materialen die de experimenteel ingestelde Leonardo gebruikte waardoor al heel snel verval optrad. En ondanks alle vele en foute restauraties die er daarna overheen zijn gegaan.

Het Laatste Avondmaal van Leonardo da Vinci in het Santa Maria delle Grazie

Gelukkig heb ik nu die Milaanschade op mijn verlanglijst ietwat kunnen bijwerken. Nog wel heel dichtbij ook. In Haarlem namelijk. In het Teylers Museum. Want daar hangt nu in een aparte zaal een waarheidsgetrouwe replica van dat Laatste Avondmaal op de ware grootte van 4,40 bij 8,80 meter.

kopie van Het Laatste Avondmaal in Teylers Museum

detail

 Wel in combinatie met, in andere zalen, veel tekeningen van Leonardo die soms het formaat van een beetje overmaatse postzegel nauwelijks te boven gaan. De naam van die expositie? ‘Leonardo da Vinci’. Daar is vast heel heftig over gebreinstormd. Maar dat doet niets af aan een voor Nederland absoluut unieke tentoonstelling. Zoveel werk van die wereldberoemde homo universalis is er volgens mij nog nooit in ons land te zien geweest.

Leonardo da Vinci: kunstenaar, wetenschapper, ingenieur, lopende encyclopedie en al eeuwenlang een onuitputtelijke bron voor speculatief nieuws en mysteries. Is die ‘Salvator Mundi’ die vorig jaar voor $450.000.000 naar Abu Dhabi verdween nou echt wel door hem zelf geschilderd? Eigenlijk best grappig dat zo’n volstrekt christelijk schilderij nu goede sier moet maken in een nieuw museum in een islamitisch land. En heeft Leonardo zelf nog meegeschilderd aan een kopie van Het Laatste Avondmaal die na wat rondzwervingen rond 1545 terecht kwam in de abdij van het Belgische Tongerlo? Een behoorlijk exacte kopie waarvan nu een fotografische kopie in Haarlem hangt tegenover die kopie van het werkelijke werk uit Milaan. Het copyright is hopelijk allemaal goed geregeld.

kopie in Haarlem van de kopie van Het Laatste Avondmaal in de abdij van Tongerlo

Da Vinci hoeft in de kunstenaarshemel blijkbaar maar met zijn ogen te knipperen of ’t wordt in de aardse pers breed uitgemeten. Zijn Mona Lisa? Er wordt nog steeds wat nieuws bij bedacht. Of zijn verloren gewaande fresco ‘De Slag van  van Anghiari’? Heeft ie dat nou echt wel gemaakt?  Of zit het in het Palazzo Vecchio van Florence verborgen achter een muur met daarop een fresco van Giorgio Vasari (1511-1574)?Allemaal prachtige, andere verhalen.

zaaloverzicht van de tekeningen van Leonardo in het Teylers

Ik zou maar gewoon naar het Teylers Museum gaan. Voor reële ‘da Vinci’s’. Met als kern de vele tekeningen die hij maakte van krijgerskoppen, volkse types, misvormde tronies en mooie vrouwen. Levensechte gezichten naast karikaturen die in de Muppetshow niet zouden hebben misstaan.

Koppen die, zo blijkt in Haarlem, ook inspiratie opleverden voor talloze andere kunstenaars. Zowel nog tijdens als na da Vinci’s leven. En terecht. Want zoals hij kon tekenen? Hoe hij met maar een paar harde of zachte pen en krijtlijntjes ogenschijnlijk achteloos geweldige accenten kon creëren? Een heel groot kunstenaar die niet voor niets nog steeds fascineert. Tot volgende week.

de wetenschapszaal van het Teylers vroeger en nu

TOOS

Een vrolijke Frans in Haarlem


Ik was er al heel lang niet meer geweest.  Zeker wel vijfentwintig jaar, zo niet dertig. Dus werd ’t wel weer eens tijd. En de tentoonstelling “Frans Hals- Oog in oog met Rembrandt, Rubens en Titiaan” was daarvoor, in combinatie met een afspraak in Haarlem, de perfecte aanleiding.

Frans Hals 1Het 100-jarige Haarlemse Frans Hals Museum is één van die kleinere musea die een ongekende kwaliteit bieden. Met bijvoorbeeld een rijke collectie  aan 16de en 17de eeuwse schilderkunst uit en over Haarlem. De lakenhandel had de stad rijk gemaakt. En zoals vaak, de rijkeren omringden zich graag met kunst. Van Jan van Scorel, Maerten van Heemskerck, Cornelis van Haarlem in de 16de eeuw. Willem Claesz Heda, Gerard ter Borch, Saenredam en natuurlijk vooral Haarlemmer Frans Hals (Antwerpen 1582/83-Haarlem 1666) in de 17de. Zoals schrijver Louis Couperus ooit zei “Zoo ik iets ben , ben ik een Hagenaar”, zo zou je van Frans Hals kunnen zeggen “zo hij iets was, was hij een Haarlemmer”. Dat bleek wel toen de grote portretschilder Anthony van Dyck, hofschilder van de Engelse koning Karel I, hem in 1632 probeerde over te halen ook naar Londen te komen. Hij weigerde. Hals was voor Haarlem zelfs zo belangrijk dat hij in de laatste periode van zijn leven jaarlijks een lading turf en een soort pensioen  kreeg. Maar hij was dan ook een wijd en zijd beroemd kunstenaar die van jongs af aan als één van de weinigen de zogenaamde “ruwe” stijl van schilderen tot in de perfectie beheerste. Zoals ook Rembrandt dat op latere leeftijd deed.

Met je neus bovenop schilderijen als “Lachende jongen” en “Pekelharing” kun je dat heel Frans Hals 2goed zien. Probeer maar eens met zo’n ruwe toets de lach in een gezicht te vangen. Kunstboeken uit die tijd  beschrijven hoe moeilijk dat was. Maar Hals deed ’t moeiteloos. “Pekelharing”, destijds de benaming voor een kannekijker oftewel drinkebroer, hing waarschijnlijk in een bekende Haarlemse kunstenaarskroeg die ook door Frans werd gefrequenteerd. Blijkbaar was hij daarbij niet altijd consequent in het betalen, gezien een proces dat door de kroegeigenaren eens tegen hem werd aangespannen. Maar hij deed er vast ook heel veel gratis inspiratie op voor dit soort genrestukken die toen heel populair waren.

Net zoals trouwens de schutterstukken. We kennen natuurlijk allemaal “De Nachtwacht” als het ultieme voorbeeld. Maar Hals kon er ook wat van.

Frans Hals 3

In de grote zaal van het museum hangen er vijf van hem. Dat is so wie so al imposant, maar ze zijn ook heerlijk los geschilderd. Deze schilderijen werden in opdracht gemaakt als na een aantal jaren de stadsbeveiliging, de schutters, plaats moest maken voor een nieuwe groep. Dat werd dan gevierd met een grootse maaltijd die blijkbaar nog wel eens behoorlijk kon uitlopen. Maximaal  vier dagen was toegestaan! Zo staat dat ten minste In een stadsverordening uit 1633. Voldoende tijd dus om een goed beeld te krijgen van die burgers en ze daarna levendig te kunnen schilderen. Beslist de moeite waard, die tentoonstelling. Nog tot einde juli. Tot volgende week.

TOOS

www.toosvanholstein.nl

www.toos.biz

YouTube  http://bit.ly/ij4Pag