Tagarchief: James Bond

Mijn schatplichtigheid aan Alighieri, Dante Alighieri, nog springlevend 700 jaar na zijn dood


Alighieri, Dante Alighieri! Bond, James Bond stelt de verschijning van zijn nieuwe film telkens maar weer opnieuw uit, maar Alighieri, Dante Alighieri heeft in 2021 première na première. Schrijvend aan mijn blog van vorige week dacht ik ineens aan hem bij het tikken van ‘scriptorium’. De mallemolen onder mijn hersenpan ging direct in de vierde versnelling met allerlei persoonlijke Dante pop-ups. Dante700, scriptorium, klooster in de Marche, Gubbio, zeefdrukken, Carros, galerie Quadrige, kunstroute Middelburg, mijn expo De Mens op Weg, the Dutch Church in Londen. Oh ja, en ook nog Perugia. Dat alles draaiend rond Dante’s ultieme La Divina Commedia, De goddelijke komedie, het belangrijkste werk uit de Italiaanse literatuur. Dante’s virtuele reis via Hel en Louteringsberg naar het Paradijs waar hij zijn vroeg gestorven liefde Beatrice zou ontmoeten. Daar ging ik over schrijven!Bij deze.

het dodenmasker van Dante met het officiële certificaat van echtheid erbij

Dante, de beroemdste dichter van Italië (Florence 1265-Ravenna 1321). De man van wie gezegd wordt dat hij aan de basis stond van wat de officiële Italiaanse taal is geworden. Want zijn beroemdste boek, La Divina Commedia, schreef hij niet in het toen gebruikelijke Latijn, Nee, dat deed hij in het Toscaanse dialect. Zijn eigen volkstaal, die van Florence en omstreken. Razend populair werd dat boek. Door alle stadstaatjes en onafhankelijke streken van de Italiaanse laars heen. Met al hun verschillende dialecten. En met al hun elkaar altijd maar weer bestrijdende machthebbers. Wilde je dus die middeleeuwse bestseller kunnen lezen of aanhoren, dan moest je dat Toscaanse dialect beheersen. De taal die nu het Italiaanse woordenboek vult.

Nog één van de gevolgen? Een heel jaar Dante700. Eén grote Dantemanifestatie gewijd aan zijn sterfdag op 14 september 700 jaar geleden. Dat mag ik niet zomaar voorbij laten gaan gezien mijn schatplichtigheid aan hem. Die begon in 2002 in Carros, een plaats even ten noorden van Nice.

bezig in het zeefdrukatelier in Carros (Frankrijk)

Of beter gezegd, het begon met Jean-Paul Aureglia in zijn galerie Quadrige in Nice. Want Jean-Paul had het plan opgevat een nieuwe uitgave te maken van La Divine Comédie. Een speciale Franstalige kunstuitgave van de Divina Commedia in beperkte oplage. Met illustraties  van de hand van kunstenaars uit zijn ‘stal’. Of ik mee wilde doen? Ja, natuurlijk! En bij welk onderdeel  ik dan afbeeldingen wilde maken? Bij De Hel, De Louteringsberg of Het Paradijs? Dat werd de Louteringsberg, het Purgatorium. En bij welke van de 33 Canto’s, de 33 Verzen, daarin?  Ik koos voor de nummer 25 t/m 29. Die spraken mij wel aan. Toen was de uiteindelijke vraag wat voor soort multiples ik dan wel wilde gaan maken. Steendrukken, gravures, zeefdrukken, houtsneden, etsen? Laat nou in dat Carros dicht bij Nice en dus makkelijk aan te rijden een zeefdrukatelier zitten. Keus gemaakt! Net zoals dus uiteindelijk een aantal zeefdrukken. Dat was trouwens makkelijker gezegd dan gedaan. Want de laatste keer dat ik er een maakte was in 1987.

die zeefdruk ‘Kloof’ uit 1987

Dat was voor een speciaal kunstproject bij Elegance. Destijds de eerste glossy in Nederland,HET maandelijks magazine over lifestyle. Een geselecteerde groep van 99 kunstenaars maakte in samenwerking met het zeefdrukatelier van Wout van der Vet voor het decembernummer van 1987 honderdduizend zeefdrukken. Die los werden bijgesloten in de Elegance oplage van 100.000. Op die manier zijn er aardig wat exemplaren van mijn ‘Kloof’ verspreid geraakt. Af en toe zie ik er nog wel eens eentje voorbij komen op internet kunstveilingen. Allemaal natuurlijk handgesigneerd, gewoon zoals ’t hoort. Dat hele project staat trouwens ook vermeld bij het Guinness Book of Records.

Maar nu wachtte er een nieuwe zeefdrukklus die technisch ook wat anders in elkaar stak. Met zeefdrukrasters die elke keer apart belicht moesten worden voor elke aparte kleurdrukgang.

weer dat zeefdrukatelier in Carros

1 van mijn 4 zeefdrukken bij la Divine Comédie

Vier zeefdrukken maakte ik voor Jean-Paul en zijn nieuwe Divine Comédie. Kunstwerken die nu ook deel uitmaken van een regelmatig rondreizende expositie. Eigenlijk lag ’t wel voor de hand dat die dit jaar in Italië zou neerstrijken. Dante700 tenslotte. En ja hoor, laatst vernam ik van Jean-Paul dat het Perugia gaat worden. Corona volente natuurlijk. Ik veerde echt even op toen hij dat vertelde. Perugia? Daar liep ik zomer 2019 nog rond! In die prachtige oude hoofdstad van Umbrië.

Perugia 2019

Ik werkte toen voor een maand in Gubbio, nog zo’n eeuwenoude stad in die streek. De streek ook waar ik dankzij mijn gastheer en keramist Giampietro Rampini een persoonlijke rondleiding kreeg van de abt in een middeleeuws klooster waar ook Alighieri, Dante Alighieri, had verbleven. Het Monastero di Fonte Avellana, midden in de bergen op de grens van Umbrië en de Marche. Daar stond ik dan, in het scriptorium waar Dante rond 1318 ongetwijfeld ook had gezeten.

met Giampietro en de abt in het scriptorium van het Monastero di Fonte Avellana

Echt goud, dat moment. Je merkt, over mijn ‘persoonlijke’ Dante ben ik nog niet uitgeschreven. Tot volgende week.

TOOS

Kleur en chaos


In India moest ik natuurlijk wel gelijk mijn hand laten beschilderen

Lang geleden reisde ik rond in Rajasthan en omgeving in het noordoostelijk deel van India. Een reis die me altijd is bijgebleven. Een aantal weken geleden landde ik na flink wat uren vliegtuiggenoegen (of ongenoegen, ’t is maar hoe je dat ervaart) vroeg in de morgen, stram van lijf en leden, op het vliegveld van Chennai . Het vroegere Madras, in het zuidwestelijk deel van India. En al zitten er een paar duizend kilometers tussen die gebieden, want India is echt héééél groot, gelijk was er weer die herkenning van twee elementen. Uitbundige kleuren en heerlijke chaos. Twee Indiase kenmerken die in ons strak georganiseerde landje juist vaak ontbreken. Zie bijvoorbeeld onderstaand filmpje met een paar verkeersshots.

Menig Nederlands chauffeur zou er een stevige hartverzakking aan overhouden, zo niet een eersteklas hartaanval. En toch loopt ’t allemaal. Wel met heel veel getoeter maar zonder van die vreselijke opgestoken Nederlandse middelvingers en chagrijnige hoofden en ook vrijwel zonder stoplichten! Voor ons gevoel gaan ze tot het gaatje, of ook regelmatig tot in het gaatje, maar daar houden ze allemaal gewoon rekening mee. Echt een Hindoeïstisch wonder!

Claxonneren is zelfs verplicht zoals achterop veel vrachtauto’s valt te lezen: sound horn!

De chauffeurs zijn namelijk gewend vooral vooruit te kijken en de zijspiegel is er meer om je haar goed te kunnen kammen. Dus als achteropkomend verkeer geef je gewoon even een zo hard mogelijk toetersignaal dat je eraan komt. Middenin de stad is het dan ook altijd echt een klereherrie. Het zien vergaat je niet, het horen wel. Wettelijke normen voor de geluidsbelasting in decibel van gevels aan de verkeersweg? Ja hallo, dit is India!

Aan dat aantal verkeersdB’s dragen de claxons van de tuktuks, dat ongelooflijk grote leger van gele, heel wendbare wagentjes, substantieel bij. Je weet wel, die drie of vierwielertjes waarmee je voor een luttel bedrag van hot naar haar komt. Ideaal. Als je ten minste van te voren met de chauffeur maar een prijs afspreekt. Want toeristen zijn natuurlijk per definitie een prooi voor afzetterij. Maar is dat in Nederland fundamenteel anders?

Soms ook waant zo’n tuktukchauffeur zich een kloon van James Bond. Dan zit je ineens in een zinderende achtervolging waarbij een paar centimeter afstand van voorliggers ruim voldoende is terwijl een ruime centimeter aan weerszijden zijn tuktuk en de naastrijdende vervoersmiddelen schaafvrij houdt. Wat of wie hij dan achtervolgt? Geen idee! Want heeft hij het ene doelwit achter zich gelaten, dan springt hij wel weer achter een volgend aan. Ik heb mijn hart daarbij regelmatig vastgehouden, net als de hand van levensgezel, maar altijd weer kwam ’t goed.

Dan dat tweede kenmerk. Die uitbundige kleuren. Destijds in Rajasthan had ik daar al volop van genoten. De mensen zelf, de kleurrijke sari’s van de vrouwen, de aardkleuren van de eeuwenoude mogolpaleizen, al die beschilderde muren van de huizen, de chaos aan reclameborden. En met natuurlijk die vele overkleurige Hindoetempels met al hun beelden. Nu was ’t nog steeds niet anders.

Ik ging echt weer kopje onder in een andere cultuur, in een andere wereld. Een wereld die vanwege de in dit jaargetij altijd wel aanwezige zon de hele dag door schittert van de kleur. En iedereen die mijn werk kent, weet dan wat ik bedoel. Dat het daarbij overdag boven de 30 graden komt bij een vaak behoorlijk hoge vochtigheidsgraad? Ach, wie maalt daar om in zo’n sfeer.

Je kunt in India dan ook wel aan het fotograferen blijven. Gelukkig hebben we daarbij niks meer te maken met dat noodgedwongen zuinige gedoe in de ‘oertijd’ fotografie van een paar decennia geleden. Hoeveel rolletjes heb ik nog? Maak ik die foto nou wel of niet? Oeps, mijn rolletjes zijn bijna op! Toch maar niet dan. Kun je je dat nog voorstellen? Nu schiet je maar gewoon, raak of niet raak, weggooien kan altijd nog.

Voor deze aflevering heb ik tamelijk willekeurig even een heel snelle en heel kleine keus gemaakt uit de gigantische hoeveelheid die nu op de harde schijf staat. Hoe levensgezel en ik daar een uitgebreid fotoboek uit gaan brouwen? Dat wordt keuzestress tot en met. Beslist veel erger dan wanneer je tegenwoordig de Mediamarkt binnenloopt om een televisie uit te zoeken. En hoeveel stress roept dat al niet op!

Hoe dan ook, reken maar dat er de komende tijd meer ‘India’ voorbij gaat komen. Tot volgende week.

TOOS

Toos in ’t Rijksmuseum? Zou best wel eens kunnen!


Of ik het leuk zou vinden als er kunst van mij in het Rijksmuseum in Amsterdam te vinden zou zijn? Allicht! Maar Toos, dat Rijks is toch alleen voor ouwe en heel ouwe knarren die ook al heel lang dood zijn? En dat ben jij toch nog niet? Ja en ja. Maar ons Nederlandse kunstwalhalla is al een poosje bezig met een inhaalslag. Hedendaagse kunst mag een grotere rol gaan spelen. Om dus op de titel hierboven terug te komen en daarbij de titel van een oude James Bond film aan te halen, Never Say Never Again.

Of ik me met bovenstaande op drijfzand begeef? Nee hoor, zeker niet! Er zit zelfs een interessant verhaal achter. Een verhaal dat begint bij een bericht van ene Elisabeth dat een poosje geleden plompverloren in mijn digitale IN-bak viel en een daarop volgend bezoek van diezelfde Elisabeth aan mijn atelier.

samen met Elisabeth in mijn atelier

Maar eigenlijk begint dat verhaal nog heel veel jaren eerder. Bij de toen 11-jarige Elisabeth in haar woonplaats Bergen. Dat bekende dorp in Noord-Holland, vlak achter de ter plekke zeer hoge duinen. Een dorp met een groot kunstverleden. Bijvoorbeeld omdat Adriaan Roland Holst (1888-1976), destijds de Prins der Dichters, er woonde. Omringd natuurlijk door een grote schare bewonderaars en mededichters en schrijvers. En ook omdat een uitgebreide kunstenaarskolonie daar de stoot gaf tot het ontstaan van de Bergense School. Een artistieke stroming die een belangrijk hoofdstuk vormt in de Nederlandse kunstgeschiedenis van de eerste helft van de 20ste eeuw.

Roland Holst, geschilderd door Wiegman, 1934

Je kunt dus stellen dat de jonge Elisabeth opgroeide in een van cultuur doordesemde omgeving. Adriaan Roland Holst, Jani voor haar met zijn intimi-naam, kwam vaak bij haar ouders over de vloer. Matthieu Wiegman, één van de belangrijkste figuren binnen de Bergense School, woonde bij hun op het erf en had daar ook zijn atelier. Eigenlijk logisch dus dat beide kunstenaars iets maakten voor het poëzie-album dat Elisabeth kreeg op haar 11de verjaardag.  En daarmee de basis legden voor een kunstqueeste van Elizabeth. Eerst in Bergen en later door heel Nederland. Een queeste die nog steeds voortduurt.

Nu, zo’n 55 jaar later, is dat eerste poëzie-album uitgegroeid tot een serie unieke kunstboeken. Met als opzet een werk van een bekend kunstenaar op de ene pagina en op de andere een begeleidende tekst van óf die kunstenaar óf een dichter/schrijver. Wel alles origineel natuurlijk, geheel en al speciaal voor dat album. Wat namen naast die twee eersten? Gerrit Kouwenaar, Bert Schierbeek, Neeltje Maria Min, Juul Deelder, Simon Vinkenoog, Remco Campert, Adriaan van Dis en Ivo de Wijs als dichters/schrijvers. Niet de minsten dus. Dat een aantal van hen al overleden is? Dat geeft aan hoe lang Elisabeth al met haar project bezig is.

Bij de beeldende kunstenaars is ’t van hetzelfde laken en pak.  Ans Wortel, inwoonster van Bergen met ooit een expositie in het Stedelijk Museum Amsterdam en met door het Rijksmuseum aangekocht werk. Nu onterecht wat weggezakt in de aandacht. Jan Wolkers , als schrijver in feite nog beroemder dan als kunstenaar. Herman Gordijn, met net een prachtige expositie in het nieuwe museum MORE in Gorssel. Of Anton Heijboer van wie nu een tentoonstelling in het Haags Gemeentemuseum gaande is. Wie kent ‘m niet vanwege vooral zijn levensstijl? En wie kent niet de zelfs wereldberoemde schrijver en illustrator Dick Bruna met zijn Nijntje? Een maand voor zijn dood maakte hij nog met veel plezier een bijdrage voor Elisabeth.

bezig met mijn tekst in het album

tekst af en al vast een oefentekeningetje

Maar veel namen in de albums behoren gelukkig bij nog springlevende kunstenaars. Kees Verkade, Matthijs Röling en Armando. Sam Drukker en Jeroen Hermkens, beiden verkozen tot Kunstenaar van het Jaar. Of theaterman Herman van Veen. Schildert die dan? Jazeker. Er hangen werken van hem in galerie Onze Lieve Vrouwe in Maastricht waar ook schilderijen van mij zijn te vinden.

Nu mag ik dus ook mijn naam toevoegen aan dat illustere rijtje. Want dat was natuurlijk het verzoek van Elisabeth in dat in het begin genoemde mailtje. Of ik ook een bijdrage wilde leveren? En dat deed ik dus. Twee zelfs, zodat ze nog een keus had ook. Iets dat ik ook vaak doe bij opdrachten. Dan maak ik twee schilderijen opdat de opdrachtgever/geefster een keus heeft.

de aquarel van de twee die ’t niet geworden is

mijn uiteindelijke bijdrage in het album

Blijft over dat Rijksmuseum. Want het is Elisabeth’s bedoeling haar uiteindelijk tot zeven albums uitgegroeide verzameling aan het Rijks te schenken. Als ze dat willen hebben natuurlijk. En ze zouden natuurlijk wel gek zijn dat te weigeren. Want is Elisabeth in de loop der jaren niet al drie keer op verzoek van de redactie van ‘Tussen Kunst en Kitsch’ in dat kunstprogramma opgetreden? Met die albums! Trouwens, wat ze in haar hoofd heeft zitten, dat zit niet enz…. Daarvoor ken ik haar nu wel goed genoeg. Zeker na onlangs nog een heerlijke Surinaamse maaltijd bij haar thuis in Noord-Holland. Tot volgende week.

TOOS

Rome


moderne Romeinse soldaat
moderne Romeinse soldaat

Associaties zijn rare dingen. Onverwacht, onbestuurbaar, onvoorspelbaar. In moderne terminologie een soort pop-ups in je hersenen in plaats van op een pc, laptop, tablet of smartphonescherm. Dat kwam als tweede pop-up in me op toen ik in oktober 2015 over het plaveisel van Rome liep en als eerste pop-up plots aan mei 1527 had gedacht. En dat dan weer vanwege de gigantische geschiedenis die verborgen ligt onder het Romeinse straatdek. Een geschiedenis in de vorm van een puinhoop. Letterlijk. Niet alleen van het klassieke Rome, maar ook van een Rome van vele eeuwen later.  Vandaar die associatie met mei 1527. Want toen vond de zogenaamde Grote Plundering plaats. De stad waar de Paus als opperbestuurder van de Rooms-Katholieke Kerk resideerde, werd bestormd en ingenomen door de troepen van het Heilige Roomse Rijk. Tegenstrijdig? Nee hoor, niet voor die tijd. Karel V, als katholieke keizer van het Habsburgse en Rooms-Duitse rijk, had wat appeltjes te schillen in Italië. Vandaar dat katholieke Spaanse soldeniers en ,veelal protestante, Duitse landsknechten, beide groepen al lang zonder soldij zittend, het katholieke Rome na verovering mochten plunderen, platbranden en verwoesten. Met vanzelfsprekend het bijbehorende vermoorden van burgers en geestelijken, het verkrachten van alles wat vrouwelijk was, dus ook nonnen, en het opzuipen van alles dat maar naar alcohol rook.

El Saco de Roma, Francisco J. Amérigo, 1884
El Saco de Roma, Francisco J. Amérigo, 1884

Best wel ingewikkelde tijden dus. Met geloof, geweld, macht en politiek gekonkel tot in het kwadraat. Noem dat maar eens geen pop-up, daar in centrum van Rome. Met daarbij nog de gedachte dat het tegenwoordig toch wel heel veel prettiger wonen is in Europa dan destijds. Geef mij de huidige  EU met nu al meer dan 70 jaar vrede. Iets dat hier nog nooit zo lang het geval is geweest. Ook iets dus om over na te denken bij al die wilde kreten van de laatste jaren over  die EU. Maar dat terzijde.

Rome, van binnen naar buiten
Rome, van binnen naar buiten

Ik liep dus in Rome. Waarom ik daar liep? Trouwe lezers herinneren zich misschien dat ik afgelopen oktober en november een poosje verdwenen was onder de internetradarhorizon. Zonder daarvoor toen een nadere verklaring te geven. De reden? Ik zat een paar weken lang op een schip dat de grote plas overstak  richting Amerika. Vanuit Civitavecchia, dicht bij Rome. Vandaar een aantal dagen Rome vooraf en een vrijwel internetloze periode midden op de Atlantische Oceaan.

’t Kwam er maar niet van daaraan eens een paar blogjes te gaan wijden. Telkens was er wel weer iets anders om de aandacht op te richten. Maar dat verandert de komende weken.

De Eeuwige Stad eerst maar. Waar het bulkt van de kunst. Niet alleen in musea, maar ook in de vele kerken. Zo staat ergens een kerkdeur open, loop ik uit nieuwsgierigheid naar binnen en wat hangt er? Een onvervalste Caravaggio (1571-1610). Dat is typisch Rome!

rechts een werk van Caravaggio
rechts een werk van Caravaggio

Net zoals smaakvolle moderne kunst geïntegreerd in oude, gerestaureerde kerkfronten.

Rome e klein

Maar dat kost natuurlijk klauwen met geld. Ons Nationaal Restauratiefonds heeft ’t er al heel moeilijk mee om in Nederland de monumentenzorg te bekostigen. Laat staan hoe ze dat in Rome moeten doen. Dan heiligt het doel de middelen. Dan bedek je een te restaureren kerkgevel met uitbundige reclame voor de nieuwste James Bond film. Mooi meegenomen dat die kerk bovenaan de wereldberoemde Spaanse Trappen staat. Heel lege trappen trouwens want ook die werden gelijk maar opgeknapt.  Teveel uitgesleten zeker door alle toeristenachterwerken die er normaal de traptreden dag en nacht bezetten.

de Spaanse Trappen
de Spaanse Trappen

Ook het Rome van al die pleinen. Als er al geen fonteinen spuiten waar Feyenoord supporters zich aan te buiten kunnen gaan, dan staan er wel van die heerlijke barokke beeldengroepen. Die trouwens ook wel weer eens een schoonmaakbeurt kunnen gebruiken.

Rome g klein

Net zoals onderdoorgangen bij viaducten of coupés van de metro. Of moeten ze die graffiti toch maar laten zitten? Want eigenlijk kan dat er toch ook wel heel modern kunstzinnig uitzien.

Rome h klein

Rome i klein

En zou die straatkunstenaar wel beseffen hoeveel kunstzinnigs er zich nog onder zijn knieën kan bevinden?

Rome j klein

Van oude Romeinse overblijfselen van een paar duizend jaar geleden tot verruïneerde kunst bij die grote plundering van Rome in mei 1527? Ik denk haast van niet. Maar ’t zou natuurlijk toch zomaar wel kunnen. Want associaties zijn rare dingen. Tot volgende week.

TOOS