Tagarchief: Niki de Saint Phalle

Én een dijk van een wijf én one of the boys, Niki de Saint Phalle


Vrijdag de 13e een ongeluksdag? Hoezo! Donderdag 12 maart kom ik aan in Nice, vrijdag 13 maart loop ik daar met mijn Nicoise vrijkaart gratis het Mamac binnen, het museum voor de moderne kunst, en zaterdag 14 maart sluit dat plotsklaps voor onbepaalde tijd. Parijse corona-beslissing! Ik had dus gewoon dikke mazzel op die vrijdag de dertiende. Want ik wilde in de week dat ik in Nice zou zitten hoe dan ook absoluut beslist per se naar dat Mamac. Dat zit zo.

in het Mamac bij een werk van Niki de Saint Phalle
Niki de Saint Phalle

Als ik in Nice ben, ga ik sowieso altijd wel een keer. Voor de speciale tijdelijke tentoonstelling én zeker ook voor de zalen gereserveerd voor de ruime collectie van het museum zelf. Met meestal werk van kunstenaars uit de zogenaamde École de Nice.  Maar die zogenaamde School van Nice komt nog wel eens. Dit keer ging ik gericht voor Niki de Saint Phalle (1930-2002), een vrouwelijke kunstenaar die ik steeds meer ben gaan waarderen. En dan niet zozeer vanwege al haar kleurige, rondborstige, dijïge, reuzengrote en ook kleine Nana’s die je over de hele wereld kunt vinden. Nee, veel meer vanwege de kunst die ze maakte in aanloop naar die aaibare, vrolijke Nana’s. Kunst die ik leerde kennen juist in het Mamac. Want uit die periode waarin ze zich ontwikkelde als feministe, als een vrouw die zich niet weg liet blazen in de kunstwereld van de mannen, als iemand die duidelijk succes wilde hebben, als een dijk van een wijf dus, heeft het Mamac een grote verzameling. Honderd en negentig kunstwerken. Door Niki, Française van geboorte, in 2001 aan het museum geschonken bij een grote overzichtsexpositie van haar.

een kunstwerk uit haar schenking

Maar waarom wilde ik hoe dan ook absoluut beslist per se gaan kijken in die week in maart? Omdat ik niet lang daarvoor een grote tentoonstelling van haar werk had gezien in het Scheveningse ´Beelden aan Zee´. Een prachtig aan de boulevard gelegen en toch verscholen in de duinen gebouwd museum. Met een teleurstellende expositie. In mijn ogen dan. Want heel veel andere bezoekers vermaakten zich uitstekend met al die vrolijke Nana´s en met de gekleurde fantasiekatten, slangen en andersoortige fabeldieren. Die zelfs op carrouselachtige platforms alsmaar aan het ronddraaien waren.

een paar foto’s van de expositie in Beelden aan Zee

een oer-nana, uitgeleend door het Mamac

Juist dat irriteerde me. Net zoals het feit dat ’t vooral om die welbekende Nana´s draaide, letterlijk dus, en veel te weinig over de aangrijpende, intrigerende kunst die ze eerder maakte. Zoals de oer-nana’s en haar schietschilderijen uit de jaren 60/70 waar juist in het Mamac de nadruk op ligt. Zonder kermistoestanden er omheen. Kunst ook met een achtergrond.

in de Niki de Saint Phalle zaal van het Mamac

Geboren in Frankrijk, opgegroeid in de USA, als kind misbruikt door haar vader, van een katholieke school weggestuurd, een paar jaar in een meisjesinternaat, daar het feminisme ontdekt, fotomodel, op 19-jarige leeftijd getrouwd, twee kinderen, naar Frankrijk om daar al snel te scheiden waarbij de kinderen aan de vader worden toegewezen, zonder opleiding met kunst begonnen en juist in de kunstwereld je levenspartner, de opkomende ster Jean Tinguely, tegengekomen. Zoiets vormt natuurlijk je karakter. Ze werd daardoor ook, zoals ik dat interpreteer, one of the boys. Kijk alleen maar naar onderstaande foto’s. Gemaakt toen ze meedeed met een expositie in het Amsterdamse Stedelijk Museum, nog onder leiding van de legendarische directeur Sandberg. Die beelden spreken voor zich.

in Amsterdam, met links van Niki haar levenspartner Jean Tinguely
ook in Amsterdam, met Sandberg zittend op de trap

Of haar oer-nana’s mogelijk uit dat misbruik in haar jeugd voortkomen? Zou heel goed kunnen. Maar zoiets duiden laat ik liever aan de Freuds in onze wereld over. In ieder geval zijn ze uniek.

twee van de oer-nana’s in het Mamac met rechts die uitgeleende van een foto hierboven

Net zoals haar schietschilderijen, de zogenaamde Tirs. Kijk maar eens naar dit filmpje.

Sommigen zullen ’t niks vinden, ik geniet ervan. In het Mamac hangt onderstaande. En op internet kwam ik nog een foto tegen dat ze juist op dit werk aan het schieten is.

Aaibaar zoals de latere Nana’s? Nou nee, niet direct! Dat geldt trouwens ook voor een reeks altaren die ze maakte. Misschien iets vanwege haar niet in dank afgenomen katholieke opvoeding?

zo’n altaar in Beelden aan Zee
een veel groter altaar in het Mamac, met lekker veel pistolen erop

Maar uiteindelijk stroomde door het wereldwijde succes van haar Nana’s de bankrekening zodanig over dat ze in Toscane een droom kon realiseren. Haar nu beroemde Giardino dei Tarocchi, gebaseerd op figuren van Tarotkaarten. Twintig jaar werk zit daarin. Hier vind je een uitgebreide documentaire over die tuin die ooit op NPO2 werd uitgezonden.

Ik moet er nog trouwens steeds heen, echt een lacune in mijn kunstontwikkeling. Maar wie weet lukt dat in het jaar 1 n.C. van onze nieuwe jaartelling. Het jaar 1 na Corona. Tot volgende week.

TOOS

Waarom een cholera-epidemie de Côte d’Azur groot maakte


op een door coronaperikelen hallucinant lege Promenade des Anglais in Nice wordt een wandelaar gecontroleerd of hij daar wel mag lopen

Stel nou eens dat er van 1832 tot 1834 geen heftige cholera-epidemie door Frankrijk heen had geraasd. En dat die niet had gedreigd over te slaan naar Italië. En dat dus het rijtuig van Lord Brougham en zijn dochter, op doorreis naar Italië, niet bij de rivier de Var ten westen van Nice was tegengehouden. Zou Henri Matisse dan in 1917 onderstaand schilderij van de toen al iconische Promenade des Anglais in Nice hebben geschilderd?

Matisse, Promenade des Anglais, 1917

En had ik dan afgelopen 13 maart in het Mamac, het Musée d’Art Moderne et d’Art Contemporain van Nice, kunnen ronddolen?

deel van het Mamac in Nice

Bij dit soort als-vragen trekt levensgezel altijd lichtelijk z’n wenkbrauwen op en weet ik dat er zo’n soort opmerking komt als ‘als ik nog een broer had gehad, had die dan bruine bonen gelust?’. Maar zeg nou zelf. De nieuwsstroom begin maart raakte bijna volledig verstopt door een pandemie aan corona-berichten. Terwijl bovendien de dag na mijn bezoek het Mamac werd gesloten voor onbepaalde tijd. Logisch toch dat toen die als-vragen in me opkwamen gezien de epidemiegeschiedenis van de Franse Rivièra?

Lord Henry Brougham

Goed, Lord Henry Brougham dus. Een voormalige Britse minister van Financiën die er net niet in slaagde Prime Minister te worden. Derhalve dus niet onbemiddeld. Met zijn wat ziekelijke dochter Eleonore Louise via Zuid Frankrijk op weg naar Italië voor het aangename klimaat en de geëigende Grand Tour. Die voor elke Engelse jongeling van stand verplichte tocht om klassiek en cultureel doorvoed te geraken. Maar ja, domme pech. Cholera in Frankrijk en grens dicht. Niet bij Menton, maar bij de rivier de Var. Want toentertijd viel Nice nog onder het Koninkrijk Sardinië waartoe ook de regio Piemonte met als hoofdstad Turijn behoorde en waar de Hertog van Savoye de scepter zwaaide en de titel koning was geschonken door de Habsburgse keizer in Wenen. Hoezo verwarrend! Eén van de vele redenen waarom ik zo’n voorstander ben van de EU. Maar dat terzijde.

De Var ten westen van Nice vormde een natuurlijke grens met Frankrijk. Daar werd Brougham dus tegengehouden. Nee meneer, blijft u maar lekker aan uw kant, wij willen aan onze kant geen cholera. Dat werd dus omkeren. Maar waar nu te overnachten? Nice was ten slotte het volgende reisdoel geweest, daar bivakkeerde in de winter al vaker een handvol vermogende Engelsen. In het suffige vissersdorpje Cannes werd een eenvoudig onderkomen gevonden. De herberg van Monsieur Pinchinat. Veel meer dan dat had je in die streek in die tijd ook niet aan onderkomens. De rest is geschiedenis.

Brougham was binnen een paar dagen volstrekt verkikkerd op de streek, het eten, de ambiance, het weer en nog zowat van die zaken. Als man van een paar losse centen kocht hij binnen de kortste keren een stuk grond en twee jaar later, in 1836, hield hij een groot, duur en deftig feest voor de upper ten van politiek, adellijk en kapitalistisch Great Britain in zijn nieuwe, grootse villa op dat terrein. Globalisatie iets van deze tijd? Vergeet ’t maar, toen wisten ze er ook al van.

het bordes van de villa Eleonore van Lord Brougham in Cannes

In enkele tientallen jaren groeide het kleine dorpje Cannes uit tot een stad waar Europese rijken, de Russische adel inbegrepen, graag verkeerden. Zeker toen Brougham er zich tegenaan bemoeide om een betere haven te krijgen en in 1863 de spoorlijn vanaf Parijs naar de Franse Rivièra was doorgetrokken.

Maar nu nog Nice en Matisse. In 1860 verdween de Var als grens. De Piemonte tot voorbij Menton, het vroegere Comté de Nice, kwam bij Frankrijk. Nice werd ook booming. De beau monde van Europa kwam er flaneren. Over het van oorsprong smalle pad met de naam Promenade des Anglais waar de eerste Engelsen verpoosden die er al voor 1860 kwamen. Maar nu een steeds breder wordende boulevard waar de hotels zich aaneenregen. Queeen Victoria kwam er zelfs overwinteren in het imposante, tegen de heuvels gebouwde La Régina.

Promenade des Anglais in 1886
La Régina, waarvan Queen Victoria de helft in beslag nam als ze ter verpozing in Nice verkeerde

Nadat Paul Signac zich in 1892 als eerste kunstenaar vestigde in het vissersdorpje Saint Tropez kwamen daarna al gauw kunstenaarsvrienden op bezoek. Renoir kocht in 1903 in Cagnes-sur-Mer een villa en Matisse, daar is ie, logeerde in 1917 voor het eerst in Nice. Aan de Promenade des Anglais natuurlijk. Bonnard, Dufy, van Dongen, Picasso, Braque, Modigliani, Cocteau en Chagall volgden.

Raoul Dufy, Uitzicht op de Promenade des Anglais

Is ’t gek dat er daarom nu heel veel musea in Nice zijn? Zoals dat Mamac?

uitzicht op het Mamac met een beeld van Niki de Saint Phalle ervoor

Op die genoemde vrijdag 13 maart liep ik daar nieuwsgierig naar binnen om nog even de zalen met de eigen collectie te bezoeken. Zou er weer ander werk van Niki de Saint Phalle getoond worden uit de grote collectie eigen werk die ze ooit aan het museum schonk? Overigens, zou dat wel zijn gebeurd als Lord Brougham in 1834 ….? Maar ik zie de wenkbrauwen van levensgezel alweer omhoog gaan. Oh ja, Italië werd in 1835 toch getroffen door de cholera en levensgezel heeft wel een zus maar inderdaad geen broer. Tot volgende week.

TOOS 

‘Sesam open u’ met de Rembrandtpas


voorkant van de Rembrandtpas 2020

Ali Baba had in het bekende sprookje die toverspreuk ‘Sesam open u’ nodig om de schatkamer van de veertig rovers te openen. Ik heb in werkelijkheid alleen maar een pasje nodig om zomaar heel veel museale kunstschatkamers gratis voor niemandal te ontsluiten. De Rembrandtpas!

Ja maar, hoor ik al zeggen, dat kan ik met mijn Museumkaart ook. Klopt. Toch heeft de Rembrandtpas ideële en financiële voordelen waaraan de Museumkaart niet kan tippen. Maar dat komt straks. Eerst hoe ik hier op kom. Dat is omdat levensgezel en ik onze Rembrandtpassen de laatste tijd veelvuldig gebruikten. Ik had dit stukje namelijk ook als titel kunnen geven ‘Wat ik zag en waarover ik nog niet schreef’. En dat is best veel.

Als ik naarstig naar een expositie heb toegewerkt, zoals mijn ‘The 70-Series and More’ die nu gaande is bij Galerie Persoon in Eersel, moet ik daarna even stevig afkicken. Met veel lezen en met kunst, hoe gek dat laatste dan misschien ook kan lijken. Maar ja, mijn kunstgenen zijn nu eenmaal sterk overheersend. Dus komen dan de tentoonstellingen aan de beurt waaraan ik niet toekwam tijdens mijn verblijf in die zelf verkozen isoleercel, mijn atelier. Zodoende zwaaiden wij de afgelopen tijd uitbundig met onze Rembrandtpassen op allerlei locaties.

het Prinsenhof in Delft

Bijvoorbeeld bij het Haagse Mauritshuis en het Delftse Prinsenhof, heilige grond voor onze 17e eeuwse Republiek met nog de kogelgaten in de muur van de moord op aartsvader Willem van Oranje. Want de tentoonstellingen ‘Pieter de Hooch in Delft, uit de schaduw van Vermeer’ en ‘Nicolaes Maes- Rembrandts veelzijdige leerling’ over tijdgenoten De Hooch (1629-1684) en Maes (1632-1675) moest ik natuurlijk zien. Beide prachtige en interessante exposities.  Waarbij voor mij die in Delft door de hele aanpak toch won. Het Prinsenhof, waar ik al veel te lang niet was geweest,  bleek ook nog eens een zeer aangename, architectonische metamorfose te hebben ondergaan. Heel goed gedaan.

Pieter de Hooch in het Prinsenhof
Nicolaes Maes in het Mauritshuis, Den Haag

Nog een paar van die museumstops? Beelden aan Zee in Scheveningen met ‘Niki de Saint Phalle aan Zee’. Een prachtig in de duinen verstopt museum met dit keer een, naar mijn smaak, heel rommelige tentoonstelling. Niki de Saint Phalle is beter waard. Maar dat is een komend verhaal .

Beelden aan Zee, verscholen liggend aan de Scheveningse boulevard
een deel van de expositie over Niki de Saint Phalle

In Singer Laren daarentegen werd ik blij verrast met twee heel afgewogen exposities: ‘Spiegel van de Ziel, Toorop tot Mondriaan’ en ‘Van Barbizon tot Bergen’. Wat een heerlijk rustgevende lust voor het oog vergeleken met het kermisgedoe in Scheveningen.

een zaal in Singer Laren nu
in het Singer dit schilderij van Mondriaan, de toren van de Catharinakerk in Zoutelande, die moest natuurlijk op de foto vanwege mijn officiële eerste voornaam Catharina

Waar ik trouwens met mijn Rembrandtpas kon zwaaien tot ik een ons woog was bij Museum Voorlinden in Wassenaar. Maar dat wist ik van te voren. Want dit nieuwe museum is een particulier initiatief van de puissant rijke kunstverzamelaar Joop van Caldenborgh. Gewoon betalen, € 17,50 pp! Niks geen vrije toegang met Rembrandtpas en Museumkaart. Maar absoluut de moeite waard.

Museum Voorlinden met een beeld van Louise Bourgeois
Museum Voorlinden, bij een werk van de door mij zeer bewonderde Anselm Kiefer

En nu dan die ideële en financiële voordelen van de Rembrandtpas, een initiatief van de Vereniging Rembrandt.

Levensgezel en ik hebben er elk één, maar wel aan elkaar gekoppeld. Voor € 110 samen. Tweemaal een Museumkaart? € 140 incl. administratiekosten. Bij Pieter de Hooch in Delft € 5 extra toeslag voor Museumkaart-houders. Met de Rembrandtpas? Niets en niemandal. Bij Niki de Saint Phalle € 3,50 extra met de Museumkaart. Met de Rembrandtpas? Nada, niente.

Bij de Rembrandtpas minimaal twee keer per jaar een speciaal event. Bijvoorbeeld een preview van een komende blockbustertentoonstelling of een speciale avond ergens. Zoals vorig jaar bij ‘Rembrandt en Velàzquez’ in het Rijksmuseum voor alleen leden. Waardoor ik, door handig te zijn, af en toe Rembrandt bijna helemaal alleen voor mezelf had.

‘Rembrandt en Velàzquez’, vorig jaar in het Rijksmuseum

Daarnaast nog driemaal per jaar een speciaal  magazine. En, echt heel belangrijk, de Vereniging Rembrandt steunt regelmatig musea in Nederland bij aankopen voor hun kunstcollecties. Toevallig net de afgelopen weken nog met een belangrijk schilderij van Dirck van Baburen (1595-1624) voor het Centraal Museum in Utrecht.

het aangekochte werk van Utrechter Dirck van Baburen

En voor het Amsterdam Museum een collectie met werk van kunstenaar en uitvinder Jan van der Heyden (1637-1712), ook wel eens de Nederlandse Da Vinci genoemd.

Van der Heyden verbeterde de brandspuit spectaculair

Daaraan mee te kunnen helpen met mijn Rembrandtpas geeft een prettig gevoel. Kijk maar eens bij https://www.verenigingrembrandt.nl/. Tot volgende week.

TOOS

How nice to be in Nice


Een aantal jaren huurde ik aan de Côte d’Azur telkens een andere plek om daar zo’n drie maanden te kunnen werken. Tot er in Nice een appartement met ateliermogelijkheid voorbij kwam waaraan ik echt geen weerstand kon bieden. Dat ‘Palais de Venise’ uit 1908 was te aantrekkelijk. Middenin het echte Nice, het bruisende stadshart dat in de 19e eeuw vanuit het middeleeuwse deel sterk werd uitgebouwd. Een soort ‘Parijs in het klein, maar dan op z’n Italiaans’ zoals levensgezel dat dan kort en bondig uitdrukt.

links het Palais de Venise met de koepeltjes

Sommigen zoeken voor de rust een klooster, ik heb in Nice mijn retraite oord. Rust om te werken en rust om na te denken. Met voor de grofstoffelijke voeding, heel praktisch, ’s morgens een dagelijkse groente en fruitmarkt voor het Palais. Een beeld dat ’s middags een metamorfose ondergaat tot restaurantterrassen.

En kunstzinnige voeding? Geen probleem in een stad vol kunst en musea. Daarbij nog  heel vaak zon met een heerlijke temperatuur en de uitdrukking ‘leven als God in Frankrijk’ behoeft geen verdere verklaring.

Dat ik tijdens zo’n verblijf op bezoek ga bij Jean-Paul Aureglia, mijn galerist van Galerie Quadrige, met wie ik al jaren samenwerk, spreekt voor zich. Laat er deze maand nou ook nog een vernissage zijn! Logisch dat ik daar acte de présence gaf.

vernissage bij Galerie Quadrige

Logisch ook dat ik tijdens zo’n retraite af en toe wat kunstige bedevaartstochtjes maak. Zoals naar het MAMAC, het Musée d’Art Moderne et d’Art Contemporain. Ik heb er vanwege mijn appartement in Nice altijd vrij toegang. Dus kan ik zomaar binnenlopen. Bijvoorbeeld om te zien of men ter verandering voor de vaste zaal van echte Niçois en kunsticoon Yves Klein (1928-1962) nog wat heeft gerommeld in de kunstopslag. Vooral van zijn beroemde, prachtig intens vibrerende Yves-Klein-blauw is ’t elke keer weer genieten.

zaal van Yves Klein in het MAMAC
werk van Niki de Saint Phalle in haar zaal

Niki de Saint Phalle (1930-2002) vind ik ook altijd zo’n bedevaartstochtje waard.  Voordat ze wereldberoemd werd door haar grote Nana’s heeft ze nog heel wat andere interessante en gekke dingen gedaan. Ooit gehoord van haar ‘schietschilderijen’? Google maar eens. Uit de grote collectie die ze naliet aan het MAMAC kan de curator nu te kust en te keurkiezen voor de ‘Nikizaal’.

Tijdens mijn MAMAC-rondgang stond ik plotsklaps voor werk van een Nederlander. Marinus Boezem (1934), één van de grondleggers van de conceptuele kunst in Nederland. Dat werk hing  op de tijdelijke expositie ‘Cosmogonies, au Gré des Éléments’. Een onbegrijpelijke titel? Ach, dat strookte dan gelijk met het ‘Wheather Drawing’s, 1969′ van Boezem. Een verzameling foto’s van met de hand getekende weerkaarten. Je moet er maar op komen!

Marinus Boezem, Wheather Drawings 1969

Nee, dan liever “Matisse&Picasso, la comédie du modèle” in het Musée Matisse. Een prachtig gelegen oude villa bij een groot olijfbomenpark en Romeinse ruïnes. Met voor mij opnieuw kostenloze toegang.

Musée Matisse

Dit jaar gaan die twee grote kunstenaars, zowel elkaars bewonderaars als enigszins na-ijverige concurrenten, er een kunstzinnige strijd aan. De al wat oudere maestro Matisse en macho en ego Picasso! Echt een prachtige tentoonstelling die een uitgebreidere beschouwing verdient. Maar voor nu laat ik ’t hieronder bij een paar foto’s, want mijn bedevaartjes voerden ook nog naar het Musée National Marc Chagall.

Matisse en Picasso naast elkaar: wat is van wie?

een imposante reeks steendrukken van Picasso

Dat werd ook wel weer eens tijd. Een mooi museum dat destijds architectonisch om een geschonken verzameling Bijbelse schilderijen van Chagall heen is gebouwd. Boeiend om er na wat jaartjes weer eens rond te lopen. Vooral door de extra expositie over Chagall’s plannen voor een door hem aan te pakken kapel. Die kwam er niet, terwijl zoiets wel lukte aan Matisse, Picasso en Jean Cocteau. Oei, oei, niet goed voor het kunstenaarsego!

voorstudie met knippen en plakken voor glas-in-lood ramen voor de beoogde kapel
een al verder gevorderde voorstudie
genieten op z’n Niçois op Place Garibaldi

Trouwens beslist een verhaal waard, die kapellen. Maar misschien komt dat nog wel eens. Nu eerst bijkomen van al die kunstbedevaarten op mijn favoriete plein Place Garibaldi.

 

Tot volgende week.

TOOS

École de Nice en de luiheid van kunstrecensenten


MAMAC met een sculptuur van Niki de Saint Phalle ervoor

Je hebt de Haagse School, de Larense School, de goeie ouwe lagere school en in België de Latemse School. Of in Frankrijk de School van Barbizon en de École de Paris. Overal Scholen met een hoofdletter. Afgezien dan van die vertrouwde lagere school allemaal verzinsels van schrijvers over kunst. Die gedachte kwam in me op toen ik kort geleden in Nice in het MAMAC, het museum voor de moderne kunst, een overzichtsexpositie bezocht van de École de Nice.

Want ’t is natuurlijk lekker makkelijk als je een stelletje heel diverse kunstenaars die uit een bepaalde streek komen en heel soms ook nog in een overeenkomstige stijl werken allemaal in een achteraf verzonnen hokje te plaatsen. Onze chaotische wereld toch maar overzichtelijke ingedeeld in rubriekjes en tabelletjes is ten slotte wel zo prettig. Zo bestaat die School van Barbizon uit kunstenaars die voor het eerst  echt buiten gingen schilderen. In de buurt van Barbizon dus, niet al te ver van Parijs. Dat werd mogelijk door de uitvinding van de zinken tube in 1841. Eindelijk konden ze olieverf  langdurig bewaren. Een revolutionaire vinding die de kunstwereld definitief veranderde. Want zonder verftube geen impressionisten! Maar dat is een ander verhaal.

installatie van Martial Raysse op de tentoonstelling

Zo is ooit ook achteraf de École de Nice, de School van Nice, verzonnen voor een zeer diverse groep kunstenaars van na de Tweede Wereldoorlog. Kunstenaars die allemaal wel wat met Nice en omgeving hadden te maken. Omdat ik daar regelmatig verkeer, kan ik moeilijk om ze heen. Daar zorgt dat MAMAC wel voor. Dat is ’t aan zijn Niçoise stand natuurlijk verplicht die kunstenaars voortdurend in een mediterraan zonnetje te zetten.

Nana’s van Niki de Saint Phalle

Zelf heb ik dat al eens gedaan met Yves Klein (1928-1962) en zijn speciaal door hem ontworpen en gepatenteerde Yves Klein blauw. Ook kwam Niki de Saint Phalle (1930-2002) al wel ter sprake. Overgewaaid vanuit Amerika en door de liefde en de kunst aan de Côte d’Azur verbonden geraakt. Maar er zijn ook nog de beroemd geworden Ben (1935), Arman (1928-2005) en César (1921-1998). Naast diverse anderen die ’t niet wereldwijd hebben gemaakt. Het grootste deel ervan is trouwens al overleden. Maar sommigen van die nu ouwe knakkers schuurden al op jonge leeftijd tegen die École de Nice-groep aan  en houden zich nog steeds min of meer op de been. Dat weet ik omdat ik hun broze verschijningen nog wel eens meemaak bij vernissages van  Galerie Quadrige. De galerie waarmee ik al sinds de jaren 90 samenwerk. Maar wie hier in Nederland ooit heeft gehoord van Aloco, Monticelli of Viallat mag nu een vinger opsteken. Dat worden er vast niet veel.

Dit jaar zijn voor een aantal maanden twee verdiepingen van het MAMAC gewijd aan een overzichtstentoonstelling van de hogere en de lagere goden van de groep. Altijd is er van die hogere wel ’t nodige te zien in de vaste collectie. Maar nu heeft men de magazijnen eens heel goed doorgeplozen op meer. Interessant om te zien dat veel van die toen nog jonge kunstenaars vaak werkten met goedkoop afvalmateriaal om hun kunstdrang te kunnen uiten. Een soort recycling avant la lettre.

assemblages van diverse kunstenaars met restmateriaal

Zo begon Arman bijvoorbeeld meubels en oude muziekinstrumenten door te zagen en de losse stukken weer esthetisch met elkaar te verbinden. Dat werd zo gewaardeerd dat ’t uitgroeide tot zijn core-business.

de core-business van Arman

César had waarschijnlijk ooit in een grote pers een autowrak zien verfrommelen tot een groot metalen blok en bedacht dat dit ook kon met andere afvalmaterialen van metaal. En zie daar, César werd er bekend mee.

werk van César

Ben Vautier, maar zijn achternaam laat hij weg, zocht ’t in de jaren 60 meer in de meest maffe performances in de straten van Nice (https://vimeo.com/64392276)

Ook begon hij allerlei zelf verzonnen korte teksten op papier te zetten. En zie, nu sieren die de tramhaltes in Nice.

installatie van Ben
teksten van Ben bij de tramhaltes in Nice

En Yves Klein was behalve met zijn blauw ook al bezig met photoshoppen ver voordat de computer op onze bureaus terecht kwam.

Hoezo dus een School? Van Arman zag ik trouwens nog een installatie waarvoor hij in 1975 in New York zijn slaapkamer enigszins had verruïneerd met een bijl. Er zijn dronken popsterren onder de dope die ’t hem niet nadoen.

Best grappig, je moet ’t maar durven dat als kunst te tonen. Maar het interessante was dat ik gelijk moest denken aan onderstaande foto.

Een installatie uit 1998 van de nu wereldberoemde Engelse Tracey Emin. Ooit verkocht voor ongeveer een miljoen Engelse ponden. Duur bedje dus. Maar ja, bij de prijs inbegrepen waren wel een aantal gebruikte condooms. Toeval, die gelijkenis? Geen idee! Overigens wel een intrigerende gedachte. Tot volgende week.

TOOS

Tinguely, spelen als kunst


Jean Tinguely
Jean Tinguely

Als je alle interessante tentoonstellingen van dit moment in Nederland wilt zien, moet je kilometers gaan vreten en de tank van je auto zeker een paar keer volgooien. Tenzij je een fervent aanhanger bent van het openbaar vervoer. Maar ook dan blijven die kilometers er. Ga maar na. Alma-Tadema in Leeuwarden en Russische schilders in Assen. Over beide schreef ik al eens. Of Rodin in Groningen, De Lairesse in Enschede en “Het Vleiend Penseel van Caesar van Everdingen” in Alkmaar. Of toch maar liever de “Hollandse Meesters uit Boedapest” in Haarlem, Hercules Segers in het Rijksmuseum en Daubigny in het Van Gogh? Niet te vergeten trouwens de renaissanceschilder Fra Bartolomeo in het Rotterdamse Boymans Van Beuningen en “Hollanders in Huis” uit de Britse koninklijke collectie in het Haagse Mauritshuis. Hoezo keuzestress? Alleen bij het op een rijtje zetten hiervan krijg ik al de bibbers.

Maar één expositie heb ik hier bewust nog overgeslagen. Die wilde ik echt absoluut zien! De overzichtstentoonstelling “Machinespektakel” van Zwitser Jean Tinguely (1925-1991) in het Stedelijk Museum van Amsterdam. Hieronder al vast een klein YouTube filmpje dat ik ervan maakte.

Voor die Tinguely kan ik echt bewondering opbrengen. Hoe die in de jaren 60 en 70 de kunstwereld letterlijk maar ook figuurlijk in beweging zette met zijn kinetische kunst, in één woord magnifiek.

Probeer ’t maar eens. Van schroot, tandraderen, motortjes en gewoon ouwe rotzooi  allerlei bewegende gekkigheid zodanig in elkaar lassen, schroeven en timmeren dat iedereen er gefascineerd naar blijft kijken. Want dat deed ie. Gewoon lekker ludiek spelen met spullen uit de oudijzerhandel. Al ruim voor de ludieke tijden van onze Nederlandse Provobeweging aanbraken en voordat de hippiebeweging op gang kwam. Heel goed de tijgeest aanvoelend zoals bleek uit populaire exposities in het Stedelijk in 1961 (Bewogen Beweging) en 62 (Dylaby). Ook ruim voordat de Beatles in 1964 hun eerste en enige optreden in Nederland in Blokker hadden. En voordat de Rolling Stones in datzelfde jaar zorgden voor een in een mum van tijd verbouwd Kurhaus in Scheveningen.

Heerlijk toch dat je als kunstenaar zo de tijdgeest kunt aanvoelen? Door met volstrekt idiote, zinloos bewegende machientjes al die toekomstige maatschappelijke veranderingen op een prettig gestoorde manier van te voren symboliseren. Ten minste, zo zie ik ‘t.

tinguely03
nooit zomaar ouwe rotzooi weggooien
tinguely04a
tekenmachine, door de toeschouwer zelf te bedienen

tinguely02a tinguely05

In het Stedelijk is in “Machinespektakel”zijn hele ontwikkeling vanaf eind jaren 50 mooi te volgen. Van klein naar steeds groter en ingewikkelder. Van zomaar naar meer symbolische lading. Van roestig schroot naar zwartgeschilderde installaties. Want dat vond Tinguely na verloop van tijd toch chiquer. En daarin kan ik hem alleen maar gelijk geven.

Mooi ook dat zijn levensgezellin Niki de Saint Phalle (1930-2002) in de tentoonstelling goed aan bod komt. De kunstenaar van de zogenaamde vaak meer dan levensgrote Nana’s. Opgeblazen vrouwenfiguren die nu over de hele wereld zijn terug te vinden.

Tinguely met Niki de Saint Phalle
Tinguely met Niki de Saint Phalle
kop beschilderd door Niki de Saint Phalle
kop beschilderd door Niki de Saint Phalle

Maar ook de kunstenaar die, voordat ze daarmee begon, al heel wat experimenten achter de rug had. Zoals haar schietschilderijen. Schietschilderijen? Ja, inderdaad. Maar dat is weer een ander verhaal dat nog wel eens ter sprake zal komen. Want ze heeft veel van haar kunst geschonken aan het Mamac, het museum voor de moderne kunst in Nice. En zoals je weet, verkeer ik daar nog wel eens.

Terug naar Tinguely. Want er moet bij die expositie toch nog wel een negatieve noot geplaatst worden. Er heerst namelijk in de Tinguely-zalen veel te vaak een serene rust. Waar is dat bijbehorende schuren en piepen, knarsen en kraken van zijn installaties? Dat is er dus meestal niet. Want het grootste deel van de tijd staat alles stil. Te oud, te fragiel, te versleten. ’t Mag allemaal niet meer te veel bewegen. Dan zou  er namelijk tegen het eind van de tentoonstelling in maart geen tentoonstelling meer over zijn. Dan zou alles als een vorm van recycling weer op één grote schroothoop kunnen worden gegooid. Alleen eens in de zoveel tijd begint er iets te bewegen. En dan moet je er ook snel bij zijn. Want tegen de tijd dat je met gezwinde pas  vanuit zo’n stille zaal in die ineens schurende en piepende ruimte aankomt, kan alles daar al weer zijn stil gevallen. Dat is echt jammer. Want zo heeft Tinguely het natuurlijk nooit bedoeld.

tinguely08

tinguely09
tekening van Tinguely
deel van de installatie Mengele-Totentanz, 1986
deel van de installatie Mengele-Totentanz, 1986

tinguely11

Maar elk nadeel hep ze voordeel. Zo moet je gewoon veel geduld opbrengen tot de volgende bewegingscyclus begint en kun je alles rustig laten bezinken. Ook een onthaastingstentoonstelling dus. Maar gelukkig kon ik toch nog het nodige filmen waarvan het filmpje bovenaan getuigt. Een uitgebreidere documentaire over deze expositie van Tinguely? Klik dan op de volgende link http://bit.ly/2iTwQEg . Tot volgende week.

TOOS

 

 

 

 

 

 

 

 

Gitareske kunst


Kunsthandelaar Ferrero heeft een deel van zijn grote collectie geschonken aan zijn stad Nice. Nou, dat is dan leuk voor Nice zul je misschien denken,maar  moet ik daar verder iets mee? Niet persé natuurlijk. Maar het leuke is wel dat ik daardoor vorige week onverwacht naar een werk met doorgezaagde gitaren stond te kijken .

ferrero1a

Kirke
Kirke

Een kunstwerk van de best redelijk wereldberoemde Niçoise kunstenaar  Arman (1928-2005.) In een nieuw museum in Nice dat aan die collectie van Ferrero is gewijd. En dat terwijl er op dit moment in Venetië ook een kunstwerk met gitaren is te vinden, maar dan van mij. Mijn Kirke die met haar rok van doorgezaagde gitaren en gitaarstukken gewoon lekker staat te staan in de Sala del Portale aan de Campo San Lorenzo.

Toeval? Zeker weten! Maar toch wel een heel frappant toeval waaruit opnieuw blijkt dat in de kunst alles al wel eens een keer is gebeurd. Ook met doorgezaagde gitaren dus. Het is eigenlijk net als kok spelen. Bij voedsel staat je een beperkt aantal ingrediënten ter beschikking, maar daarmee is een ongelooflijk aantal variaties te bedenken.

Nu zit er bij die gitaren van mij wel een verhaal. Zoals eigenlijk altijd bij mijn schilderijen en beelden. Een verhaal dat ik meestal voor mijzelf bewaar. Want kijkers, vind ik, moeten gewoon zonder verhaalbezwangering van mijn kant hun eigen ideeën kunnen vormen. Maar voor die gitaren maak ik hier nu even een uitzondering vanwege dat toeval.

Kirke, ook wel als Circe geschreven, is een tovenares uit de Odyssee van Homerus en woont op het eiland Aeaea. Ze vindt het wel spannend om mannen in beesten te veranderen. Letterlijk dus! Dat gebeurt ook met de scheepsbemanning van onze grote held Odysseus als hun schip na veel omzwervingen bij Aeaea aankomt. Zijn mannen worden veranderd in varkens, overigens wel met behoud van hun verstand. Om een lang verhaal verder kort te maken, onze moedige en slimme Odysseus weet, met een beetje hulp van de god Hermes,  Kirke die betovering ongedaan te laten maken. Maar daarvoor moet hij wel al zijn mannelijke charmes in de strijd gooien. Hij weet haar zo te  bespelen dat ze verliefd op hem wordt en hem zelfs nog kinderen baart. Vandaar dus die rok van doorgezaagde gitaren. Een metafoor voor dat bespelen van Kirke door Odysseus.

Kon ik ook zo’n verhaal bedenken bij die gitaren van Arman toen ik daarvoor stond? Nee, eigenlijk niet. Hij heeft destijds, als kunstenaar in de stroming van het Nouveau Réalisme, gewoon een compositie gemaakt van al die verzaagde gitaaronderdelen en dat was het dan. In die tijd, de jaren 60 en later, hebben heel wat van dit soort werken zijn atelier verlaten om verspreid te raken over de wereld. In zowel musea als particuliere verzamelingen. En zeker dus in die collectie van galerie eigenaar Ferrero die hem vertegenwoordigde. Op weg naar de Promenade des Anglais aan het strand ben ik heel wat keertjes bij Galerie Ferrero langs en soms ook binnengelopen. Met in de etalage en binnenin altijd wel werk van Arman. Of van Yves Klein, César of Niki de Saint Phalle, ook wereldberoemde Franse kunsticonen.

Espace Ferrero
Espace Ferrero

ferrero4 Maar nu is er dan sinds kort de Espace Ferrero met daarin werk van al die kunstenaars. Een gebouw grenzend aan de Cours Saleya. Dat zal veel toeristen weinig zeggen. Maar bij de naam Marché des Fleurs, de Bloemenmarkt, zullen vele ogen wellicht oplichten. Oh, daar! Ja, inderdaad, daar. In een groot pand waar destijds, zoals ik bij een bezoek wel eens heb ervaren, altijd ijverig stadsplanningambtenaren met mapjes onder de arm heen en weer liepen. Nu heerst er de serenere museumsfeer. Al weer een museum erbij dus! Nice begint als culturele hoofdstad van de Côte d’Azur ook een echte museumstad te worden. Naast alle andere aantrekkelijkheden die de stad al heeft.

still uit de Taiwanese video
still uit de Taiwanese video

Dat ervaar ik telkens weer als ik er voor een poosje in mijn atelier neerstrijk. Zoals nu. Even bijkomen van de Venetiaanse vermoeienissen voordat ik over een paar weken opnieuw richting Dogenstad ga. Voor het einde van mijn expositie daar en voor de Biënnale. Want daar heb ik nog maar een klein stukje van kunnen zien. Wel zag ik al de landenbijdrage  van Taiwan. Een video waarin een bepaald muziekinstrument een belangrijke rol speelt. Je mag één keer raden welk. Heel goed, een gitaar! Een opvouwbare nog wel. Toch wel frappant, al die kunstige gitaren. Tot volgende week.

TOOS