Tagarchief: Salvador Dali

Geweldig middeleeuws artistiek voer op weg naar het zuiden


Belofte maakt schuld. Voor mij in ieder geval. Vorige week liet ik de directe actualiteit even voordringen vanwege mijn nominatie voor de verkiezing van Kunstenaar van het Jaar 2022 (lees hier maar). Elke stem telt ten slotte. Met wel de belofte nu weer de al geplande draad op te pakken. Namelijk mijn enthousiasme en bewondering voor een paar prachtige middeleeuwse bouwwerken in la douce France. Indrukwekkende kerken waar ik altijd weer langskom als ik via Antwerpen, Brussel, Luxemburg, Metz, Dijon en lyon richting Nice rijd. Naar mijn appartement/atelier daar.

het Palais Venise in Nice met daarin mijn appartement/atelier

Metz? Als je die weg kent, zul je misschien denken ‘is dat niet waar je vanaf de autoroute die machtige, gelige kathedraal met dat groene dak boven alles ziet uittorenen? Ja, inderdaad!De Cathédrale Saint-Étienne de Metz.

Cathédrale Saint-Étienne de Metz

Ik probeer me wel eens voor te stellen hoe dat destijds voor de middeleeuwers is geweest die voor het eerst Metz betraden. Hoe moet hun gevoel zijn geweest als die kathedraal nu nog steeds zo’n grootse indruk maakt, zowel van buiten als binnenin? Volgens mij overweldigend in het kwadraat. Hoe die gotische bouwmeesters binnenin een  gigantische hoogte wisten te suggereren met de visuele truc van smalle, lange, in puntige bogen toelopende kerkramen! Visuele kunstenaars!

Wij zullen dat kwadraatgevoel zeer waarschijnlijk nooit meer zo kunnen ervaren, murw gebeukt als we zijn door alle moderne hoogbouw. Maar toch kreeg ik nog een lichte afspiegeling van die emotie in het kleine zusje van het Musée Centre Pompidou. Een annex van het beroemde Parijse Pompidou. Dat was toen ik daar plots voor een gigantisch groot raam stond met uitzicht op de kathedraal.

Een gouden greep van de architect. Middeleeuws en modern in één blik! Net zoals trouwens in de kathedraal zelf met de nieuwe vensterramen van Marc Chagall uit de jaren 60 van de vorige eeuw. Met afbeeldingen van het Oude Testament in prachtig heldere kleuren. Volkomen verantwoord, die moderne toevoeging. Een moetje dus als je in de buurt van Metz bent.

de moderne ramen van Chagall

Op die 1300 km van Middelburg naar Nice is het toch wel prettig om ergens te overnachten. Meestal zo tussen Dijon en Lyon. Halverwege ligt daar Tournus, een pleisterplaats met een speciaal plekje in mijn hart. En dat niet alleen door de prachtige abdij in Romaanse stijl. De eenvoudiger en robuustere stijl die opgeld deed voordat de gotiek zich in de 13e eeuw begon te ontwikkelen. Nee, ook om heel persoonlijke redenen.

deel van de Romaanse kerk in Tournus
een kijkje binnenin

Ergens rond 2000 maakte ik op m’n dooie gemakkie die lange reis met mijn moeder. Daarbij raakten we een zaterdagmiddag laat in Tournus verzeild. En mamma móést van mij natuurlijk die Abbaye Saint-Philibert zien. Dat werd zondagmorgen. Logisch dus dat daar de mis aan de gang is. In de oude stijl. Wat heeft mamma, gelovig katholiek, toen genoten! ’t Werd voor haar een diep indruk makende, unieke ervaring, die ouderwetse mis in die Bourgondische kerk uit de 11/12e eeuw. Iets waar we ’t later nog vaak over hadden.

Dan is er ook nog Pierre, Pierre Cottalorda, de nu al weer jaren hemelende oude compagnon van mijn galerist Jean-Paul Aureglia van galerie Quadrige in Nice. Echt zo’n heerlijk gedistingeerde oude Franse heer met een geweldige kennis van kunst. Met hem heb ik, ondanks mijn toch wel wat rudimentaire Frans, diepe gesprekken kunnen voeren. Toen Tournus eens ter sprake wees hij me natuurlijk op de abdij maar ook op het beroemde, klassiek-Franse sterrenrestaurant Greuze in dat stadje. ‘Toos, daar zou je toch eens een keer moeten gaan dineren’! Dat is er,eerlijk gezegd, nog nooit van gekomen. Maar stel nu eens dat levensgezel en ik toevallig de geldpest krijgen, dan is het zeker niet onmogelijk dat we in Greuze nog eens het glas hemelwaarts heffen op ‘mijn’ oude Pierre. Aan wie ik best nog eens een verhaal wil wijden vanwege de kunstverhalen die voor mij met hem verbonden zijn. Met bijvoorbeeld Salvador Dali en met mijn favoriete Leonor Fini.

uitzicht vanuit onze hotelkamer op het abdijcomplex met achter de bomen dat fameuze restaurant Greuze
restaurant Greuze

Nu is het gebleven bij een uitzicht op Greuze en de abdijtorens vanuit onze hotelkamer. Maar natuurlijk heb ik wel in de kerk nog een kaars voor mamma aangestoken. Een ritueel dat er ondanks mijn kerkelijke afvalligheid toch bij hoort.

even wat contemplatie na het aansteken van die kaars voor mijn moeder

De abdij, hoe machtig ook nog steeds de indruk, ziet er van binnen overigens echt niet meer zo uit als in de middeleeuwen. Toen waren de met kalk bestreken muren bedekt met fresco’s, nu zie je alleen de oude stenen ervan. Toen stond de kerk vol rekwisieten, nu zijn die vooral verdwenen.

recent ontdekte mozaïeken in de oude kerkvloer
nog wat details in het abdijcomplex
de crypte onder de kerk
ruimte bovenin de kerk
modern object is de abdijtuin

Want hebben we in Nederland onze Beeldenstorm gehad, in Frankrijk konden de Hugenoten er ook wat van, waarna de Franse Revolutie er eind 18e eeuw nog eens extra dik overheen is gegaan. Maar dat bewaar ik voor komende week, samen met de abdij van Cluny wat kilometers verderop. Waar ooit de grootste Rooms-katholieke kerk van zijn tijd stond.

maquette van het abdijcomplex in Cluny in de hoogtijdagen

TOOS

Nog net geen Tour de France maar al wel de 6e etappe van mijn Tour de Dante


De Tour de France begint aanstaande zaterdag, maar ik heb er al vijf etappes opzitten in mijn persoonlijke Tour de Dante. De resultaten? Gewoon even klikken op etappe 1, etappe 2, nummer 3, nummer 4 en 5.Nu dus nummertje zes.

Stel dat ik de Italiaanse taal machtig was en stel dat ik in zo’n praatgraag gezelschap Italianen de kans zou krijgen te beginnen met de zin “Nel mezzo del cammin di nostra vita“, dan schat ik de kans zeer groot dat velen direct, misschien wel in koor, invallen met

mi ritrovan per una selva oscura

ché la diritta via era smarrita“.

Want zo begint de Divina Commedia van Alighieri, Dante Alighieri, en zo hebben ze dat er op school allemaal in moeten stampen. Ter ere van hun grote dichter. Toch maar even in het Nederlands:

“Op ’t midden van ons levenspad gekomen

kwam ik bij zinnen in een donker woud,

want ik had niet de rechte weg genomen.” (vertaling Cialona en Verstegen)

de eerste van de reeks illustraties die Gustave Doré maakte voor de Divina Commedia: het ontwaken van Dante in het donkere woud

Hoe zou dat gaan in een Nederlands gezelschap bij het reciteren van de eerste regels van ons waarschijnlijk toch wel bekendste gedicht “Wilhelmus van Nassauwe ben ik, van Duitsen bloed,”? Zou iedereen dan gelijk invallen met “den vaderland getrouwe blijf ik tot in den doet. Een Prinse van Oranje …….. enz “? Ik heb zo mijn grote twijfels. Maar ja, de Italianen zijn nu eenmaal gekker en trotser met hun Dante dan wij met Filips van Marnix van Sint-Aldegonde(1540-1598), de vermoedelijke schrijver van ons volkslied. In Italië hebben de geleerden zelfs uitgedokterd dat Dante aan zijn reis door Hel, Louteringsberg en Paradijs begon op exact 25 maart 1300. Best knap bij zo’n volstrekt  imaginaire reis! Maar ja, kwestie van stand van de zon en de sterren zoals Dante die in het begin beschrijft. Nu is die datum zelfs officieel tot de jaarlijkse Dantedi, Dantedag, verklaard.

Ook dus de dag waarop in Italië dit jaar het Dante700 herdenkingsjaar begon. Terwijl hij toch echt pas komende 14 september 700 jaar geleden stierf. Maar ach,de duivel Lucifer zit bij Dante toch pas helemaal onderin de donkerste, stinkendste krochten van de laatste en negende cirkel van de Hel, het Inferno. Dus ’t duurde wel even voordat Dante hem daar kon aanschouwen. En geldt niet ook jede Konsequenz führt zum Teufel?

detail

Bovenstaande afbeelding van het Inferno door de beroemde renaissanceschilder Sandro Botticelli(1445-1510) is er een die hij maakte voor een unieke uitgave van de Divina Commedia. Maar hij was, heel voorzichtig uitgedrukt, niet echt de enige die zich liet inspireren door Dante’s verhaal. In de vorige etappes van mijn Tour de Dante heb ik er ook al enkele van mijn eigen schilderijen bij gehaald. Maar ik maakte er nog wel een paar meer. Dus waarom niet eens heel hovaardig die combineren met bekende museumstukken van echt beroemde kunstenaars?

Toos van Holstein, Beatrice (olieverf)

Hier een van mijn interpretaties van Dante’s onbereikbare en vroeg gestorven liefde Beatrice als hij haar uiteindelijk mag aanschouwen in het Paradijs samen met het beroemde schilderij ‘Dante and Beatrice’ uit 1883 van de Engelsman Henry Holiday (1839-1927). Waarop Beatrice straal voorbij loopt aan Dante bij de Ponte di Santa Trinita in Florence. Holiday baseerde zijn olieverf trouwens op Dante’s autobiografische boek ‘La Vita Nuova’ uit 1294.

Dante wordt op zijn reis door Hel en Purgatorium (Louteringsberg) vergezeld door de Romeinse schrijver Vergilius, zeer bewonderd door Dante. Edgar Degas(1834-1917) maakte in 1858 een schilderij over hun ontmoeting bij de ingang van de Hel. In mijn interpretatie zijn ze al een poosje samen op stap.

Edgar Degas, Dante en Vergilius bij de ingang van de Hel
Toos van Holstein, Dante en Vergilius in het Purgatorioum (olieverf)

Salvador Dali, ja, vanzelfsprekend ook hij, heeft zich helemaal uitgeleefd op de Divina Commedia. Met zo’n 100 aquarellen die hij daarvoor in de jaren 50 van de vorige eeuw maakte. Hier één over het Paradijs in combinatie met mijn olieverfschilderij ‘Dante en Beatrice’, ook in Paradijselijke uitvoering natuurlijk.

Salvador Dali
Toos van Holstein, Dante en Beatrice (olieverf)

En ook nog even dat prachtige schilderij van Bronzino (1503-1572): Dante afgebeeld met zijn Divina Commedia met op de achtergrond de zeven ommegangen hoge Louteringsberg. Eén voor elke hoofdzonde. Mijn olieverf Purgatorium laat wat meer te raden over.

Toos van Holstein, Purgatorium (olieverf)

Of het aantal etappes in deze Tour de Dante nog groter wordt? Dat zou zomaar kunnen. In 2017 nam mijn Franse galerie Quadrige (Nice) deel aan de Triënnale Mondiale de l’Estampes in Chamalières, een voorstad van Clairmont-Ferrand. Met het exposeren van onder andere mijn zeefdrukken voor de Divina Commedia.

toch niet de minste namen bij die Triënnale Mondiale de l’Estampes : Braque, Chagall, Miro, en dus ook Toos van Holstein, maar die ontbreekt nog op deze affiche

En zoals ’t er nu naar uitziet, gaat dat komende september/oktober opnieuw gebeuren. In Perugia, de prachtige middeleeuwse hoofdstad van de Italiaanse provincie Umbria. Dat wordt dan allicht een etappe Middelburg-Perugia. Tot volgende week.

TOOS

Dance macabre van de vrouwelijke surrealisten


deel van ‘De Tranen van Eros’

Vorige week noemde ik ze al even vanwege de expositie ‘De Tranen van Eros’ in het Centraal Museum te Utrecht. Salvador Dalí, Max Ernst, René Magritte. Welke kunstliefhebber kent ze niet. Overal ter wereld kom je ze tegen als de grote surrealisten. Juan Miró, Yves Tanguy,  Paul Delvaux en Man Ray kun je er trouwens ook makkelijk aan toevoegen. Allemaal doken ze wel op in mijn academie-studieboeken. Maar vrouwelijke kunstenaars als Leonora Carrington, Leonor Fini, Dorothea Tanning, Dora Maar, Lee Miller, Meret Oppenheim en Eileen Agar? Wie zei je? Nou, die dus! Ooit van gehoord? Die kans was tot voor enkele jaren niet echt groot. Frida Kahlo vergeet ik dan maar even.

Leonora Carrington, Assurbanipal Abluting Harpies (1958), Centraal Museum Utrecht

Lang namelijk zijn ze weggestopt geweest in de surrealistische kunstwereld waar mannen de grote trom roerden. Met als aanvoerder André Breton. Dichter, schrijver  en vanaf 1924 theoreticus achter de denkwereld van het surrealisme. En dat terwijl juist de vrouw door de surrealisten op een hoog voetstuk werd geplaatst. Maar dan niet als kunstenaar. Want de Gelijkheid uit het Franse credo ‘Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap’ ging daar in Parijs blijkbaar toch wat te ver. Maar de Vrijheid en Broederschap in de vorm van muze, inspiratiebron en liefdespartner? Geen probleem. Als je ’t over wisselende contacten hebt, dan daar wel. De zeventiger jaren parenclubs verbleken er ernstig bij.

Lee Miller, foto van Leonora Carrington en Max Ernst (1937), in 2018 gefotografeerd in
Madrid

Toch ging het die vrouwen wel degelijk om de gelijkheid. Zo blijkt in die voorbeeldige expositie in Utrecht. Carrington vond het, ondanks haar liefdesrelatie met de veel oudere Max Ernst, maar onzin als muze te worden gezien. ‘Ik had geen tijd om iemands muze te zijn, ik had het te druk met rebelleren tegen mijn familie en leren om kunstenaar te zijn.’ Dat haar olieverven de laatste jaren voor een paar miljoen over de veilingtoonbank gaan, zal ze toen niet hebben kunnen bedenken.

Leonora Carrington, Oink (They Shall Behold Thine Eyes) (1959), Centraal Museum Utrecht

Ook is daar de mij uit het hart gegrepen uitspraak van Dorothea Tanning. Een groot voorstander van gelijkheid die de benaming ‘vrouwelijke kunstenaar’ ver van zich wierp. ‘Het is net zo’n contradictio in terminis als ‘mannelijke kunstenaar’ of ‘olifanten-kunstenaar’. Je bent misschien een vrouw en je kunt een kunstenaar zijn; maar de één is een gegeven en de ander ben je.’ Zelf noem ik me ook altijd een kunstenaar en geen kunstenares. Dat laatste verfoei ik echt. Maar vaak heb ik ’t in mijn blog voor alle duidelijkheid nog over ‘vrouwelijke kunstenaar’ omdat menigeen bij ‘kunstenaar’ meestal toch automatisch een man voor zich ziet.

Dorothea Tanning, Asleep in the Deep (1947), Centraal Museum Utrecht

Leonor Fini, la Bergère des Sphinx (1941), Centraal Museum Utrecht

En Leonor Fini? Die zag zichzelf als autonome vrouw met volledige zeggenschap over zichzelf. Dat blijkt ook wel uit haar leven. Maar dat is een toekomstig verhaal. Binnenkort in dit theater, zogezegd. Met dan daarin misschien ook gelijk het veilingresultaat van onderstaand schilderij. Begin juli bij Sotheby voor een schatting tegen de $600.000. Schijntje toch?

Leonor Fini, La terrasse

In ieder geval had Leonor een pesthekel aan André Breton vanwege zijn ideeën over de vrouw als muze. Ze weigerde zichzelf daardoor dan ook als surrealist te zien. Macho Dalí vond wel van haar dat ze als kunstenaar ‘beter was dan de meeste anderen, maar talent zit nu eenmaal in de ballen’. Ach ja! Hij zag de figuurlijke ballen bij haar niet.

Leonor Fini

Zo ging dat dus. De mannen speelden graag haantje de voorste en kunstrecensenten, toen natuurlijk allemaal mannen, gingen daarin gretig mee. Maar gelukkig is daarin sinds de jaren 80 langzaam aan verandering gekomen. Nu zijn al die vrouwelijke surrealisten na hun dood bezig met een gezamenlijke opmars. Een soort surrealistische dance macabre. Want ga maar na.

Begin 2017 waren Leonora Carrington, Leonor Fini, Dorothea Tanning al, zij het schaars, vertegenwoordigd op een expositie over surrealisme in Museum Boijmans van Beuningen.

Leonora Carrington, Are You Really Syrious, (1953), Museum Boijmans

Dorothea Tanning, Voltage (1942), Boijmans

Leonor Fini, Due Donne (1939), Museum Boijmans

Toen ik in 2018 het Juan Míro Museum in Barcelona bezocht, werd ik blij verrast door een speciale expositie over  de Amerikaanse vrouwelijke fotograaf Lee Miller en het surrealisme in Engeland.

Eileen Agar, Quadriga (1935), ook in Madrid

In 2019 was er een grote tentoonstelling over de Amerikaanse Dorothea Tanning in het bekende Tate Modern in Londen en een over Française Leonor Fini in New York. Nu nog net loopt er in Frankfurt ‘Fantastische Frauen’ met daarin veel van de namen van hierboven. Vanaf augustus te zien in Denemarken. En tot september in Utrecht dus ‘De Tranen van Eros’.

Meret Oppenheim, ontwerpen uit 1935-40, pas uitgevoerd in 2003, Centraal Museum Utrecht

Daarbij heb ik ’t ook nog niet eens gehad over de aandacht in die expositie voor het LHBTI-gehalte van de surrealistische gemeenschap destijds. Lesbisch, homosexueel, bisexueel, transgender en interseksueel, ze liepen als kunststroming duidelijk heel ver voor de troepen uit. Maar Bob Dylan zong lang geleden al The Times They Are a-Changin’. Tot volgende week.

TOOS

Surrealistische realiteit in Boijmans


Salvador Dali, Mae West lippensofa, op “Gek van surrealisme” in Museum Boymans

 

 

Kun je ’t eigenlijk nog wel surrealisme noemen als je een surrealistisch moment hebt tijdens het rondlopen op de grote tentoonstelling “Gek van surrealisme” in het Rotterdamse Museum Boijmans van Beuningen?  Want is zo’n surrealistisch moment daar dan eigenlijk niet normaal?  Ik had ’t toen ik Leonor Fini en André Masson er tegenkwam. Niet in levende lijve trouwens.  Ze zijn al weer wat jaartjes dood en daaruit opstaan is maar weinigen gegeven. Zelfs bij surrealisten. Maar dode kunstenaars leven wel voort in hun schilderijen. En die hingen er wel.

Leonor Fini, Due Donne, 1939

André Masson, Massacre, 1931

Maar waarom had ik nu juist bij die twee dat surrealistische moment? Er hangt ten slotte volop werk van wereldwijd bekende grote kunstkanonnen als Max Ernst, Salvador Dali, Yves Tanguy en René Magritte. Dat komt omdat er voor mij een persoonlijk lijntje loopt naar Fini (1907-1996) en Masson (1896-1987) van wie de namen regelmatig vallen in gesprekken met Jean-Paul Aureglia in zijn galerie Quadrige in Nice. Die galerie, waarmee ik al weer heel wat jaartjes samenwerk, werkte namelijk ooit  onder de naam La Diane Française ook met hen beiden. In de jaren 50 en 60 van de vorige eeuw.

Max Ernst, Le couple, 1923

Yves tanguy, les survenants II, 1942

Dali, Impressions of Africa (detail), 1938

René Magritte, The red model. 1935

Toen richtte Pierre Cottalorda zich met zijn uitgeverij La Diane Française op literaire kunstboeken in kleine oplage, aangekleed met steendrukken of etsen van bekende kunstenaars. Zoals de toen al wereldberoemde Matisse en Dali. En met, daar zijn ze, Leonor Fini en André Masson.

Gaat hier misschien een belletje rinkelen bij regelmatige lezers van dit blog? Want geeft galerie Quadrige ook niet nog steeds zulke boeken uit onder die naam van La Diane Française? En lever ik daaraan niet ook regelmatig mijn bijdrage? Ziehier het lijntje.

 Begin jaren 90 werden de oude Pierre Cottalorda en de veel jongere Jean-Paul Aureglia compagnons in de nieuwe galerie Quadrige waar uitgeverij La Diane Française onderdeel van ging uitmaken. Samen met de inboedel daarvan. Zoals een door Masson zelf geschreven en geïllustreerd boek “Le PLAISIR  de PEINDRE”. Nu een bibliofiele uitgave. En zoals een kunstuitgave van het beruchte en beroemde erotische “L’histoire d’O” waarbij die 50 tinten grijs volstrekt verbleken. Berucht vooral omdat het onder pseudoniem geschreven was door een toen nog onbekende vrouw. Een vrouw die porno schreef? Kon dat zomaar? Opschudding alom! Maar ja, ’t kon dus.

Net zo goed als dat een andere vrouw voor die kunstuitgave nogal erotisch getinte steendrukken maakte. Leonor Fini dus.

????????????????????????????????????

Een behoorlijk onafhankelijk ingesteld typje dat beslist niet bang was voor een opschuddinkje hier en daar. In Frankrijk en Amerika zeer gekend maar in Nederland nooit echt doorgebroken. Toch hangt ze nu maar mooi in Museum Boijmans. De Leonor Fini waarvan ik via galerie Quadrige nog zo’n L’histoire d’O steendruk heb kunnen verwerven. De Leonor ook die regelmatig verkeerde in het gezelschap van Dali en andere surrealistische tijdgenoten. Wat eveneens gold voor André Masson.

Dali bij de paal, Fini rechts van hem

Snap je nu mijn surrealistisch moment? In 1994, toen ik door toeval betrokken raakte bij Quadrige in Nice, had ik toch nooit kunnen bedenken dat een schakel van gebeurtenissen mij in 2017 in Rotterdam blij verrast voor schilderijen van Fini en Masson zou laten stilstaan?

Leonor Fini, The alcove, met Leonora Carrington (zie hieronder) op de voorgrond

Dat stilstaan gebeurde natuurlijk bij meer werken. Want aan Max Ernst kan ik nooit voorbij lopen. Die heeft zo’n intrigerende wereld geschapen dat ik er elke keer weer naar toe wordt getrokken. En  Salvador Dali blijft natuurlijk een trekker van jewelste met zijn iconische gesmolten horloges en olifanten op dunne pootjes. Maar dat naast die mannen ook de vaak wat weggestopte vrouwelijke surrealisten, zoals Leonora Carrington, in de tentoonstelling aan bod komen, vind ik een groot pluspunt . Als lid van het vrouwelijk geslacht mag ik ten slotte best vinden dat vrouwen in de kunst zowel in het verleden als ook nu nog veel te vaak worden ondergewaardeerd en weggeschreven. Daar valt nog een wereld te winnen.

Leonora Carrington, Are you really serious, 1953

Fini links, Carrington rechts

Tot volgende week.

TOOS