Het Rood van Liefde, Dood en Duivel museaal verenigd


voor het Musiom in Amersfoort

De kleur rood staat voor heel veel. Liefde sowieso. Maar ook voor schaamrood, hartstocht, dood, duivel. En wat dacht je van communisme, macht, bloed, rode oortjes. Daarbij aangetekend dat de volgorde van al die woorden volstrekt willekeurig is en dat er nog veel meer aan rood is op te hangen. Dit om te voorkomen dat iemand rood van verontwaardiging gaat beweren dat ik hier toch echt door het rooie lint ga. Duidelijk dus een thema voor een expositie, dat rood. Je kunt er als kunstenaar alle kanten mee op.

Greek Tragedy, mixed media op alu-dibond, 150-100cm

Dat gebeurt dan ook in de expositie ‘What about red?’ in het Musiom in Amersfoort. Met daarin van mij onder andere bovenstaand kunstwerk ‘Greek Tragedy’. Straks meer daarover. Eerst dat Musiom (https://musiom.art/ ).

Ik schreef al eens eerder over dit nog net geen twee jaar jonge museum dat zich richt op de top van de Nederlandse kunstenaars grofweg geboren in de periode 1950-60. Vaak kunstenaars die zich niet in een of andere kunststroming hebben laten drukken. Die het lef hadden geheel hun eigen kunstgang te gaan, onafhankelijk van museale trends.  Maar die daardoor dan ook meer in galerieën te vinden waren en zijn dan in die musea. Diversiteit in onafhankelijkheid, daarmee kun je deze groep van kunstenaars ’t best typeren. Nu krijgen ze hun verdiende podium in het Musiom. Als Briljanten Kunstenaar van 2016 met ook schilderijen in de kerncollectie van dit museum mag ik dat best zeggen. Toch?

Toos van Holstein, Energy, olieverf op linnen, 160-120 cm, deel van de museumcollectie

Initiatiefnemers Herold Broertjens en medekunstbroeder Hans Vanhorck hebben een van oorsprong 20e eeuws kerkgebouw aan de rand van het oude Amersfoort laten ombouwen tot een heerlijk intiem museum. In heel korte tijd kregen ze ook voor elkaar dat het Musiom vrij toegankelijk is met de Museumkaart. Met ook nog de toestemming om aan het Musiom een galerie te koppelen waarvan de opbrengst ten goede komt aan de ontwikkeling van het museum. Absoluut een Nederlands record in ons ingewikkelde en regelrijke bureaucratische cultuur en museumsysteem. Want daarin geldt, om die bekende lijfspreuk van de belastingdienst maar eens te parafraseren, leuker kunnen we ’t niet maken, wel ingewikkelder. Petje af dus.

Nu de nieuwe expositie ‘What about red?’ die afgelopen weekeinde startte. Jammer genoeg zonder echte opening. Want ja, dat coronavirus! Welke gevoelskleur zou je trouwens aan dat virus toekennen? Rood misschien?

deel van de expositie ‘What about red’

Twaalf kunstenaars doen mee. Waaronder ik dus, met drie kunstwerken. Zoals dat ‘Greek Tragedy’. Dat moest er absoluut bij! Want wie had er in die oude Griekse tragedies over oorlog en liefde het meest te lijden? Wie bleven er achter als de mannen ten strijde trokken of op avontuur gingen in Homerus’ Ilias en Odyssee? En wie moesten ’t lijdelijk en lijfelijk verwerken als man of zoon sneuvelde? En wie herrees altijd weer als sterke Feniks uit de grauwe as? De vrouw, de echtgenote, de moeder! Die gedachte heb ik geprobeerd over te brengen in deze mix van kunsttechnieken op de alu-dibondplaat. Met in gedachten deze woorden van maestro Henri Matisse. ‘Waar die kleur rood in mijn werk vandaan komt, ik weet het gewoon niet. De dingen die ik schilder moeten ook écht worden wat ze in hun diepste essentie zijn. Dat lukt pas als ik die dingen met elkaar in contact laat komen. Dat doe ik dankzij de kleur rood.’ Nou, daar kan ik me dus wel in vinden.

uitleg aan Marianne, vrijwilligster bij het Musiom, en Herold Broertjens over mijn bedoelingen achter ‘Greek Tragedy’

Net zoals bij mijn rood beschilderde aluminium beeld ‘Star-eyed Alice’. Staat mijn parmantige meisje, mijn kleine alter-ego, daar niet heel listig van onderaf met rode koontjes en rooie oortjes de grote-mensen-wereld te bekijken, te beluisteren en te interpreteren?

Hoe mijn ‘Star-eyed Alice’ daar staat? Ga maar kijken.
deel van de expositie met nog een schilderij van mij, ‘Energy’160-120 cm
deel van de museumgalerie
de beelden-binnenplaats

Je kunt voor ‘What about red?’ terecht in het Musiom van vrijdag t/m zondag. Tot 27 december. In de maand van onze rood-bemantelde Sinterklaas en de ook rood uitgeslagen Kerstman, zijn Amerikaanse na-aper. Één rood accentje mis ik nog wel. De rode loper voor het celebrity-gevoel bij ’t betreden van het museum. Oh ja, en die oude binnenstad van Amersfoort is ook niet te versmaden. Tot volgende week.

TOOS

Kunstkwaliteit is ook maar een mening oftewel het pijnlijk gemis van Charley Toorop


links in Kröller-Müller Museum, rechts in Kunstmuseum Den Haag

Tweemaal trof ik haar de laatste weken en tweemaal keek ze me vorsend aan met haar grote, doordringende ogen. Eerst in het Kröller-Müller Museum op de Hoge Veluwe. Daarna, een week geleden, in het Kunstmuseum Den Haag toen ik de tentoonstelling ‘Breitner vs Israël’ bezocht en nog even doorliep naar andere zalen. Niet dat ik haar letterlijk tegen het lijf liep. Beetje moeilijk bij iemand die in 1955 stierf. Nee, ze staarde me aan vanaf de museummuren. Maar ook één keer trof ik haar juist niet terwijl dat absoluut had gemoeten. Namelijk in het nieuwe boek ‘GREAT  WOMEN ARTISTS’.  Foei, wat een omissie, wat een kneiter van een fout! Charley Toorop (1891-1955), want om haar gaat ‘t, was daarin nergens te bespeuren. Terwijl er toch meer dan 400 beroemde vrouwelijke kunstenaars van de laatste vijf eeuwen in voor zouden komen. Waarover straks meer.

 Dat boek moest ik natuurlijk hebben! Ik schrijf ten slotte niet zomaar regelmatig over vrouwen in de kunst. Een onderwerp dat me zeer na aan het hart ligt. Dus plaatste ik gelijk een bestelling in Engeland. Bleek ineens een paar dagen later dat er ook een Nederlandse vertaling, ‘HET GROTE VROUWEN KUNST BOEK’, op de markt kwam. Maar Engels of Nederlands, over Charley Toorop niets, nothing, rien, niente, nada. En dat terwijl ze in alle belangrijke Nederlandse musea voor moderne kunst hangt. Gewoon zoals ’t behoort bij zo’n kunsticoon, bij die grande dame in de Nederlandse kunstwereld van de eerste helft van de 20e eeuw. Want reken maar dat ze dat was.

Even kort door de bocht. Dochter van de beroemde schilder Jan Toorop. Opgroeiend in de avant-gardistische kringen rond haar vader waarbij de kunst met de paplepel werd ingegoten. Al jong bevriend met Piet Mondriaan, daardoor bezoeken aan Parijs met zelfs een tentoonstelling in die stad. Een turbulent leven met veel verhuizingen en  veel mannen na een mislukt, vijf jaar durend huwelijk waaruit drie kinderen werden geboren. Maar altijd met de drang naar schilderen, dat was het ultieme. Zonder academie weliswaar, maar met de kennis van haar vader en over de vloer komende schildersvrienden ontwikkelde ze een geheel eigen stijl. Al zoekende kwam ze uit bij Vincent van Gogh waardoor ze ook net als hij een poosje ging wonen in de Borinage, de mijnstreek in Wallonië.

Arbeiders uit de Borinage 1923, houtskool op papier, Boijmans van Beuningen, Rotterdam
Twee vrouwen uit de Borinage 1922, Gemeentemuseum Helmond

Dichter bij huis vond ze inspiratie in de boerengemeenschap van Westkapelle op Walcheren. Dat spreekt mij als ZeBra, Zeeuwse Brabander, natuurlijk wel aan. Heel wat zomers verkeerde ze er omdat haar roemrijke vader dan het middelpunt was van de nu zo bekende Domburgse kunstenaarskolonie. Met o.a. Mondriaan, Henri le Fauconnier en Jacoba van Heemskerck. Maar de sociaal bewogen en eigenzinnige Charley verkeerde liever enkele kilometers verderop. Bij de boeren in Westkapelle.

Boeren (1930), Centraal Museum Utrecht
Boerengezin in Zeeland 1927, Stedelijk Museum Amsterdam
Muzikanten en dansende boeren 1927, Kröller-Müller museum

Uiteindelijk kwam ze in het voornamelijk mannelijke kunstbolwerk tot die heel persoonlijke stijl die bij geen enkele kunststroming hoort maar die je overal direct herkent.

Medusa kiest zee 1939-41, Kröller-Müller Museum
Zelfportret met haar drie kinderen (1929), Groninger Museum
De maaltijd der vrienden 1932-33, Boijmans van Beuningen

video Maaltijd der vrienden

Zelfportret tegen palet 1934, Kröller-Müller Museum
Portretgroep van H.P.Bremmer en zijn vrouw met kunstenaars uit hun tijd 1936-38, Kröller-Müller
Zelfportret 1943-44, Kröller-Müller
Oude bloeiende appelboom (1949), Kröller-Müller
‘Drie generaties’, met haar al overleden vader als bronzen kop en schilderszoon Edgar Fernhout 1941-50, Boijmans van Beuningen
Charley Toorop voor dat beroemde schilderij ‘Drie generaties’

Misschien is dat wel de reden dat ze niet in ‘GREAT WOMAN ARTISTS’ voorkomt en die al genoemde, expressionistisch schilderende Jacoba van Heemskerck wel.  Net zoals trouwens Artemisia Gentileschi, Sofonisba Anguisola, Judith Leyster, Clara Peeters en Rachel Ruysch. Vrouwen waarover ik al herhaaldelijk schreef. En waarbij aan sommigen door curatoren van het Mauritshuis korte video’s zijn gewijd in het kader van dat nieuwe boek.

 

Maar over die namen heeft dan ook de geschiedenis geoordeeld. Die hebben het schiftingsproces van tijd en kwaliteit ruimschoots doorstaan. Wat je niet kunt zeggen van een aantal in de uitgave voorkomende kunstenaars van pas zo’n 30, 40 jaar oud. Eigenlijk een grote schande voor zo’n salontafelboek van een paar kilo met teveel Angelsaksische pretenties . Een paar voorbeelden.

werk van Tschabalala Self (geb. 1990 New York)
werk van Amalia Ulman (geb. 1989 Buenos Aires)

Zouden die echt over een halve eeuw nog bij de grote vrouwelijke kunstenaars horen? Ik mag toch echt hopen van niet. Dat ze daarbij dan ook nog ‘mijn’ Leonor Fini (zie deze blogaflevering ) geen bladzijde gunnen ten koste van dit ‘gedoe’, maakt ’t alleen nog maar erger.

Ik verwacht dat Karin Haanappel het beter gaat doen. Karin Haanappel? Ja, de kunsthistoricus die zich in Nederland zeer beijvert voor de positie van de vrouw in de kunst. Met lezingen, seminars, optredens voor radio en tv,enz. En met boeken. Kijk maar eens bij https://www.haanappelart.com/.

Volgend jaar moet haar ‘Herstory of art’ uitkomen. Een geheel herziene versie van de 1e druk uit 2012 die nergens meer is te krijgen. Een Nederlandse uitgave trouwens, ondanks de titel. Maar die is natuurlijk te mooi om niet te gebruiken. En Karin, zorg dat Charley Toorop erin voorkomt. Owee als dat niet het geval is! Want dan moeten we toch eens ernstig met elkaar praten. Tot volgende week.

TOOS

Kunstpassie en geld, er zijn slechter combinaties denkbaar!


het toegangspad naar Kröller-Müller Museum

Als je dan toch in de zomermaanden corona-gedwongen in Nederland blijft verblijven, is de Hoge Veluwe voor een uitstap beslist niet de slechtste plek om te vertoeven. Zeker niet onder de lommerrijke bomen daar als erboven een hittegolf heerst. En nog zekerder niet als je dat combineert met een bezoek aan het geweldige Kröller-Müller Museum. Dat ultieme resultaat van een volstrekt uit de hand gelopen drang van Helene Kröller-Müller  en haar man Anton om een grote privé-kunstcollectie op te bouwen en die te showen in een geheel eigen museum in een geheel eigen park.

een heel klein stukje van het gigantische beeldenpark van Kröller-Müller

In feite had ik eigenlijk weer naar mijn atelier in Nice gewild. De stad die ik in maart vroegtijdig ‘ontvluchtte’ vanwege de dreiging van allerlei grenssluitingen. Ik heb daaraan hier nog een blog gewijd. De stad trouwens die nu ‘coronarood’ is verklaard, de stad waar je nu ook van de burgemeester overal op straat zo’n adembenemend masker over mond en neus dient te trekken en de stad waar afgelopen weekeinde de Tour de France startte.  Met alle onvermijdelijke poespas van dien natuurlijk. Dus heb ik mijn Nice-verlangen maar stevig onder druk gezet. Nu effe nog niet, niet echt verstandig!

beelden van Marino Marini en Giacometti in het museum

Maar in Nederland stonden nog wel allerlei vrienden- en zakenafspraken in de Covid-19 wacht. Dus draaide levensgezel  als alternatieve werkvakantie een logistiek verantwoorde Tour des Pays-Bas in elkaar. Met daarin ook een etappe door het Nationale Park ‘De Hoge Veluwe’. Want van vrienden hadden we vorig jaar als heel lief cadeau toegangskaarten gekregen voor dat park. Voor de auto en voor twee personen. Tel daarbij op de gratis toegang tot het Kröller-Müller vanwege onze Rembrandtkaarten en de teller blijft op 0 staan. Zo komt Jan Splinter toch maar mooi door de winter! Of de hittegolf. Want moet je je even voorstellen. Om bij het Kröller-Müller te komen moet je de toegangspoort naar het Nationale Park door. Twee volwassenen, één auto, bijna € 30. Daarna het museum € 22 als je geen museumkaart of Rembrandtkaart hebt.  Kassa!

in een installatie in het museum

Maar daardoor kan het park als particuliere stichting zonder al te veel subsidie toch blijven draaien. Want ooit door de puissant rijk geworden zakenman Anton Kröller bij elkaar gekochte lappen Veluwe vormen nu ons grootste Nationale Park. Geen rijksbezit maar een particulier park. En vooral door Helene bij elkaar gekochte kunst vult nu haar in 1938 geopende museum. En wat voor één! Een gigantisch grote beeldentuin van 25 hectare met zo’n 200 sculpturen. Met een museumgebouw dat letterlijk als kern de grootste particuliere collectie Van Gogh’s  bevat. Zo’n 90 schilderijen en 180 tekeningen.

’t Is beslist hard weken geweest voor Helene om die collectie bij elkaar te krijgen. Ga maar na. In 15 jaar kochten zij en Anton bijna 11.500 kunstwerken. Gemiddeld dik 750 per jaar. Oftewel zo’n twee kunstwerken per dag. Dat is doorpezen! Maar met een goeie neus en goeie adviseurs heb je dan ook wat. Iets waar we nu met z’n allen uitgebreid van kunnen genieten.

enkele van de vele Van Gogh’s
Van Gogh, detail van ‘De groene wijngaard'(1888)

Dat deed ik dus in die afgelopen on-Nederlandse hittegolf. Ook al met code rood. Net als Nice, maar dan anders. Om bijvoorbeeld de na een aantal jaren restauratie net weer geopende Jardin d’email ‘ van Jean Dubuffet uit 1974 weer te bewonderen. Niet meer aangekocht door Helene zelf trouwens. Die was toen al heel wat jaartjes dood. Maar wel uitgegroeid tot een favoriete trekpleister voor jong en oud.

Kijk ook nog maar eens naar deze filmpjes

 

Het Aldo van Eyck paviljoen vind ik ook zo’n hoogtepunt. Prachtig zoals daar beelden van allerlei kunstenaars  helemaal tot hun recht komen in allerlei doorkijken. Zeker als dan de zon via het glazen dak ook nog een intrigerend strepenpatroon te voorschijn tovert op de muren.

Maar overal verspreid in het park vind je sculpturen. Van gedateerd aandoend tot modern.

bij een brons van Maillol
bij een kunstwerk van Jan Fabre

Arno van der Mark, The library ????
zeg ’t maar!
Giuseppe Penone. een in brons gegoten boom met daaronder bladeren en takjes van brons, typisch iets wat het bos hier hard nodig had

 Zodanig modern soms dat ik toch even op mijn hoofd moest krabben met dat karakteristieke gebaar van Stan Laurel in de slapstickfilms met zijn maatje Oliver Hardy. Maar hoe dan ook, eens in de zoveel jaar een dagje Kröller-Müller is geen slechte gewoonte. Tot volgende week.

TOOS

To steendruk or not to steendruk, that’s the question


in het Nederlands Steendrukmuseum in Valkenswaard

 Een paar weken geleden zat ik in het Nederlands Steendrukmuseum in Valkenswaard te praten met de directeur Maarten Kentgens. Om twee vliegen in één klap te slaan. Want al een hele poos loop ik rond met het idee om weer eens een paar steendrukken te maken op de grote pers in het museum, waarover straks meer. En er loopt nu een prachtige expositie over een van de bekendste steendrukkunstenaars ter wereld, Alfonse Mucha (1860-1939). Wie kent ze niet? De affiches die de grondslag legden voor de Art Nouveau in Parijs.

Heel wat kamers werden ermee versierd toen in de jaren 1960/70 het Nederlandse bedrijf Verkerke Reproducties begon met de verkoop van goedkope kunstposters. Over de hele wereld vond je ze, de Verkerke-posters. Zo herinnerde levensgezel zich direct dat hij op zijn Leidse studentenkamer een paar Mucha’s had hangen en dat die mogelijk nog ergens op zolder stonden. En ja hoor, daar vond hij ze! Verstopt in een hoekje. Destijds zelf opgeplakt op spaanplaat, nu behoorlijk verbleekt en ook niet echt meer geweldig toonbaar. Kijk maar.

Dan hangen de oorspronkelijke litho’s van Mucha er in het Steendrukmuseum heel wat frisser bij (nog tot 27 september met misschien een verlenging). Indrukwekkend zijn ze, en groot, heel groot! Ik zag gelijk mezelf al voorover gebogen staan tekenen op zo’n grote, in de pers liggende steen. Om spontaan rugpijn van te krijgen. Maar als je weet hoe de rond 1800 door Alois Senefelder ontwikkelde techniek van het steendrukken in elkaar zit, zie je ook direct het meesterschap van Mucha. Niet voor niets werd hij al heel snel beroemd met zijn eerste litho’s.

Met de Franse Sarah Bernhardt (1862-1923) als onderwerp. De beroemdste toneelspeelster van haar tijd, de femme fatale met vele minnaars, de vrouw die altijd opnieuw meer uitgaf dan ze aan francs verdiende en de doorzetster die op oudere leeftijd nog een aantal jaren doorspeelde nadat er bij haar een been had moeten worden afgezet.

Een aantal van Mucha’s steendrukken met daarop Bernhardt in diverse van haar vele hoofdrollen, zelfs ook als man, hangen in Valkenswaard. Wereldiconen van de steendruktechniek zijn dat. Sarah hield er zelf ook altijd een aantal achter om ze later aan verzamelaars te verkopen. Een leuk spaarpotje  als ze weer eens in geldnood zat.

een aantal steendrukken met Sarah Bernhardt als onderwerp
Sarah in de mannelijke hoofdrol van Lorenzo de Medici in het stuk Lorenzaccio (1896)

Maar er hangt veel meer van Mucha. Echte reclameposters bijvoorbeeld. Want vooral daarvoor werden die steendrukken gebruikt. Hoe moest je namelijk anders reproduceren op grote schaal en op groot formaat? Daarom golfde in het begin van de 19e eeuw de steendruktechniek als een revolutie over Europa. Eindelijk een manier om muziekbladen vol noten te reproduceren in plaats van ze altijd maar weer met de hand te moeten schrijven! Eindelijk een manier om in grotere oplage kranten van tekeningen te voorzien! En ook een manier waarmee kunstenaars uit de voeten konden om de prachtigste kleurenlitho’s te creëren. Zoals die beroemde afbeeldingen van Toulouse-Lautrec en ook Mucha. Maar ook een techniek die spijtig genoeg wat in het verdomhoekje van de kunst terecht is gekomen. Voor velen te ingewikkeld, te moeilijk! Maar ik hou ervan!

dav
dav

Op de academie had ik wel wat ervaring opgedaan met het steendrukken, maar dat was niet echt om over naar huis te schrijven. Veel te zwaar om te sjouwen, die stenen. Meer iets voor échte mannen. Maar later ben ik er verslingerd aan geraakt. Door mijn ervaringen bij meestersteendrukker Ernst Hanke in Zwitserland. Waar ik weer terecht kwam door mijn kunstbroeder Poen de Wijs waarover ik hier vorige week nog schreef (vergeet je niet om hem te tippen voor de Galerie der Onsterfelijken?).

Sindsdien heb ik er al aardig wat gecreëerd. Eerst bij Ernst, later in Rudolf Broulim’s steendrukatelier in Ekeren bij Antwerpen en een paar jaar geleden met Gertjan Forrer op die gigantische lithopers in het Steendrukmuseum.

peinzend bij die grote pers in het Steendrukmuseum
enkele jaren geleden voorovergebogen aan het werk in die pers
meestersteendrukker Gertjan Forrer legt mijn steen in de pers voor de 1e drukgang van een nieuwe litho

Dat laatste wil ik graag nog eens herhalen. Want bij mijn galerie Quadrige in Nice heb ik nog een afspraak lopen voor een expositie waar een paar speciale, nog te maken steendrukken aan zijn gekoppeld. Vandaar dus mijn afspraak met directeur Maarten Kentgens. Dit steendrukverhaal krijgt dus beslist een vervolg. Oh ja, dat mijn litho’ in de collectie van het Steendrukmuseum zijn opgenomen, ligt natuurlijk voor de hand. Tot volgende week.

TOOS

Waarom je eerst moet overlijden om onsterfelijk te worden


Eigenlijk is ’t heel tegenstrijdig. Als we ’t hebben over iemand die vanwege haar of zijn daden als onsterfelijk betiteld wordt, heeft die persoon normaalgesproken al het tijdelijke voor het eeuwige gewisseld. Neem nou bijvoorbeeld de Galerie der Onsterfelijken op de verkiezingslijst voor de Kunstenaar van het Jaar 2021. Die Galerie vind je na doorscrollen direct onder de lijst van de 90 genomineerden waarin ook mijn naam te vinden is. Over die verkiezing berichtte ik enkele weken geleden hier. Maar nu wil ik graag aandacht geven aan iemand anders. Namelijk aan Poen de Wijs. Ik zie de vraagtekens al verschijnen. Dus daar gaat ie. Want ik wil meehelpen Poen onsterfelijk te krijgen.

Poen de Wijs, zelfportret, olieverfschilderij

Als er één kenmerk is dat kunstenaars als Rembrandt, Vermeer, Van Gogh en Mondriaan in die Galerie der Onsterfelijken verbindt, is ’t toch wel dat ze dood zijn. Kijk maar bij https://kunstenaarvanhetjaar.nl/verkiezing2021/ronde2/

Maar er moet vanzelfsprekend nog wel iets meer zijn dan alleen dat om in die Galerie der Onsterfelijken te mogen verkeren. Zoiets als kwaliteit, bijzonderheid, kundigheid, originaliteit, publieksacceptatie en nog zo wat. De eeuwen hebben daarin natuurlijk al veel voorwerk verricht. Maar hoe gaat dat met nog niet zo lang geleden overleden kunstenaars? Kunnen die ook Onsterfelijk worden? Zoals bijvoorbeeld mijn te vroeg overleden schildersvriend Poen de Wijs (1948-2014)? Voor mij en veel anderen behorend bij de absolute top van de Nederlandse realistische schilderkunst en lithografie in de afgelopen vier decennia. Waarom? Kijk maar eens bij https://penseeltoets.nl/ . En bij deze video.

Misschien ken je wel de uitspraak over prostaatkanker ‘de meeste mannen gaan er méé dood en niet áán dood’. Voor Poen gold dat spijtig genoeg niet. Zijn in volle bloei staande kunstcarrière werd door die kanker veel te vroeg afgebroken. Een carrière die echt begon met de platenhoezen van de muziekgroep Flairck. Bij ouderen zou die naam een behoorlijk luide bel kunnen doen rinkelen. Met misschien daardoor een aha-erlebnis zijn van ‘oh, waren die hoezen door Poen de Wijs ontworpen’. Ja dus! Prachtige, bijzondere aquarellen waren dat, gecreëerd op een geheel eigen wijze.

Pas later, nadat ik levensgezel had ontmoet, leerde ik Poen persoonlijk kennen. Hij en levensgezel waren namelijk goeie vrienden. Ik heb heel wat uurtjes met hem en zijn vrouw Marion van Nieuwpoort, ook schilder, doorgebracht. Pratend over kunst, de techniek, de kunstwereld en de galerieën waarmee we samenwerkten. Daaruit bleek dat hij dezelfde opleiding had gedaan als ik, de opleiding MO-B, maar dan aan de Koninklijke Academie van Den Haag. En dat hij daardoor, net als ik, een gedegen academie-ondergrond had. Zoiets schept een band. Zeker ook omdat hij graag zijn kennis en fabelachtige fijnschildertechniek wilde delen met anderen. Door Poen kwam ik ook terecht in Zwitserland bij meestersteendrukker Ernst Hanke.

Poen de Wijs, olieverfschilderij

Poen’s carrière ontwikkelde zich zeer voorspoedig. Hij kon heel goed leven van zijn kunst en voelde zich het gelukkigst  op zijn zolderatelier in Den Haag. De prachtigste realistische schilderijen zijn daar ontstaan. Die ook allemaal via galerieën als Steltman in Amsterdam, De Twee Pauwen in Den Haag en Bonnard in Nuenen hun weg vonden naar een ruime kring van liefhebbers.

En toen kwam die kanker! En kwamen er ten slotte ook geen nieuwe meesterwerken meer.

Een groep fans van Poen de Wijs vindt nu dat het tijd is om hem opgenomen te zien worden in die Galerie der Onsterfelijken. Naast bijvoorbeeld Carel Willink en Jopie Huisman. Gezien zijn fabelachtige techniek en geheel eigen verbeeldingswereld hoort hij daar gewoon thuis. Maar hoe dat te doen? Onderaan die  Galerie staat een vakje waarin je zelf een suggestie kunt doen voor een nieuwe Onsterfelijke met daarnaast zelfs nog de mogelijkheid voor een motivatie daarvan. Maar dat hoeft natuurlijk niet.

Poen de Wijs, acrylschilderij

Als we nu eens met heel velen de naam van Poen de Wijs gaan invullen? Wat zou ’t mooi zijn als hij dan komend jaar staat te prijken onder de Onsterfelijken! Ook omdat er voor het eerst na zijn dood een museale tentoonstelling over hem komt. In Museum Musiom in Amersfoort. Op dus naar https://kunstenaarvanhetjaar.nl/verkiezing2021/ronde2/ .

Poen aan het werk in zijn atelier

Nog een lange documentaire? Kijk maar.

Tot volgende week.

TOOS

Niet Alice maar Leonor Fini in Wonderland


Had je me voor de lente van 1994 gevraagd naar ene kunstenaar Leonor Fini, dan had ik vragend terug moeten kijken. Maar zou je dat nu doen, in augustus 2020? Dan komt er een uitgebreid persoonlijk verhaal. Beginnend bij Sophie Kerfanto, restaurant Abacadabra en de Fondation Maeght in Saint-Paul-de-Vence om dan via Pierre Cottalorda in Nice en Lichtstad Parijs door te gaan naar Neil Zukerman in New York. Met die Leonor Fini als rode draad. Begin juli noemde ik haar al eens in een blogaflevering over vrouwelijke surrealisten. Lees eventueel maar hier.

het kunststadje Saint-Paul-de-Vence met op de achtergrond de kust van de Côte d’Azur

Maar dat persoonlijke verhaal dus. In de lente van 1994 raakte ik volstrekt onverwacht verzeild in het middeleeuwse kunststadje Saint-Paul-de-Vence aan de Côte d’Azur. Noordwestelijk van Nice. Hoe ik daar terecht kwam en waarom ik er uiteindelijk drie maanden verbleef? Dat is een bijzonder, maar ander verhaal.

Ik zie me er gelijk weer zitten, op de zolder boven restaurant Abacadabra aan de Rue Grande waar eigenaar Sophie Kerfanto de scepter zwaaide en zelf op de 1e etage woonde. Een zolder die ik als slaapplek en atelier had kunnen inrichten. Met een prachtig uitzicht op de vallei aan de westkant van Saint-Paul. En met in het restaurant  een dik boek over ene Leonor Fini. Een in 1907 geboren vrouwelijke kunstenaar met werk dat me direct intrigeerde. Echt een heel eigen, sterke en overduidelijk vrouwelijke wereld.

Leonor Fini, olieverfschilderij
Leonor Fini

Dicht bij Saint-Paul ligt de Fondation Maeght, een heel bekend particulier museum voor hedendaagse kunst met een focus op de tweede helft van de 20e eeuw. Bleken ze daar een grote bibliotheek te hebben met ook een aantal boeken over Leonor Fini! Ik heb er in mijn drie maanden Saint-Paul aardig wat uurtjes doorgebracht als ik me wilde ontspannen na uren geconcentreerd schilderen op mijn steeds warmer wordende zolder. Om me bijvoorbeeld te laven aan het avontuurlijke leven van Fini. Een ravissante, zeer eigenzinnige vrouw die verkeerde in de bruisende kringen van de surrealisten in Parijs, die vaak extravagant gekleed ging, die haar liefdesleven verrijkte met zowel mannen als vrouwen en die er daarbij ook nog zo’n twintig Perzische katten op nahield.

rechts Leonor met links de wereldberoemde filmster Brigitte Bardot
Leonor met een van haar katten
Leonor Fini, olieverfschilderij
links Jean-Paul en rechts zijn compagnon Pierre Cottalorda

In die Saint-Paul tijd kwam levensgezel ook een week aanvliegen opdat we samen konden rondtoeren aan de Côte. Om onder andere musea en galerieën te bezoeken. Wie weet was er een galerie te vinden voor mijn schilderijen. Op de laatste dag van die week ontdekten we Galerie Qvadrige in Nice. De galerie van Jean-Paul Aureglia met wie ik nu al jaren samenwerk. Maar je begrijpt ’t al, dat is een ander verhaal. Wel van belang is dat Jean-Paul een veel oudere compagnon had, Pierre Cottalorda. Een gedistingeerde, oer-Franse heer die veel van kunst wist en die, zo bleek na verloop van tijd, nog had samengewerkt met o.a. Matisse, Salvador Dali en André Masson. En met ……. Leonor Fini! Zeg maar eens dat toeval niet bestaat. Vandaar dat ik nu dan ook in het bezit ben van een aantal steendrukken van Leonor. Want die waren via Pierre eigendom van Qvadrige.

Leonor Fini, steendruk
enkele olieverven van Leonor Fini

Een jaar later zag ik in een Parijse galerie voor het eerst ‘live’ olieverfschilderijen van haar. In wat waarschijnlijk de laatste expositie tijdens haar leven is geweest. Want ze overleed in 1996. Ik was al verknocht aan haar werk maar toen was ik gelijk helemaal verkocht. Wat een vrouw, wat een karakter, wat een kunstenaar! En wat een durf! Een kunstenaar die vond dat je het illustreren van de in 1954 gepubliceerde, hoogst gedurfde erotische roman ‘Histoire d’O’ niet aan mannen kon overlaten maar dat ook als vrouw moest doen. De vrouw die vond dat ook zij de als pornografisch betitelde boeken ‘De 120 dagen van Sodom’ en ‘Justine’ van Markies de Sade (1740-1814) moest illustreren. En laat ik nu zo’n maand geleden enkele van die steendruk-illustraties tegenkomen op de expositie ‘De Tranen van Eros’ in het Centraal Museum in Utrecht. Met de aanduiding dat deze waren uitgeleend door de CFM Gallery in New York. Waarvan ik dan weer eigenaar Neil Zukerman ken bij wie levensgezel en ik zo’n drie jaar geleden in zijn Manhattans appartement zaten te praten over …… Leonor Fini. Maar dat verhaal komt nog.

steendruk van Leonor Fini bij de uitgave van Histoire d’O, uitgeleend door de CFM Gallery in New York voor de expositie ‘De Tranen van Eros’
steendruk van Leonor Fini bij de Nederlandse vertaling van Justine van Marquis de Sade
enkele losse steendrukken bij die boeken op de expositie ‘De Tranen van Eros’ in het Centraal Museum te Utrecht

Oh ja, in die aflevering van begin juli schreef ik over een schilderij van Leonor dat toen nog op de veiling moest komen. Verkocht voor bijna 1 miljoen dollar!

Leonor Fini, dat schilderij van bijna 1 miljoen!

Tot volgende week.

TOOS

Je in Scheveningen laten teleporteren naar het Franse Antibes? Geen probleem!


Begin maart ‘ontvluchtte’ ik mijn atelier in Nice om te voorkomen dat ik tegen plots gesloten grenzen zou aanbotsen. Achteraf gezien keurig op tijd. Ik heb daaraan destijds ook nog een blog gewijd. Lees maar. Alhoewel ik er nu graag weer heen zou gaan, laat ik toch het verstand nog maar even prevaleren boven die wens. Een voornemen waarin ik me door de buitenlandse corona-berichtgeving van de laatste tijd niet geheel en al onbevestigd voel.  Maar een paar weken geleden werd ik vanuit Scheveningen toch ineens geteleporteerd naar de Côte d’Azur. Naar Antibes om wat preciezer te zijn. Of, om ’t nog wat verder te preciseren, naar het Musée Picasso daar, op de dag van 13 oktober 2019. Hoe dat zit?

uitzicht vanuit Museum Beelden aan Zee op het Scheveningse strand met in de verte voor anker liggende, lege cruiseschepen

Om de paar jaar kom ik wel in dat Musée Picasso. Niet echt meer voor de vaste Picasso-collectie want die ken ik nu wel, maar vooral voor de speciale exposities. Ik laat dan nooit na ook het grote terras te betreden met een prachtige uitzicht op de baai van Antibes. En met een paar intrigerende beelden op de balustrade.

Bronzen die daar al decennia lang  in alle rust de terrasbezoekers staan te bekijken. Gecreëerd door ene Germaine Richier (1902-1959).  Rauwe mensfiguren waarvan de lichaamsverhoudingen nou niet direct kloppen maar te gelijkertijd toch harmoniëren. Om dat te bereiken moet je als kunstenaar echt weten wat je doet. Zorgen dat ’t klopt als ’t niet klopt.

Aan zoiets kunnen kunstcritici kleinletterig heel grote pagina’s wijden waarbij je dan, zo is mijn ervaring, aan het eind vaak niet goed meer weet wat je nu eigenlijk hebt gelezen. Best een gave trouwens, zulke ingewikkelde en niet grijpbare  kunstbeschrijverij kunnen produceren. Eén die ik echt niet bezit. Daarom houd ik ’t maar bij die kort door de bocht formulering:  je ziet dat ’t niet klopt en toch klopt ‘t. Dat is alleen de echte grote kunstenaars gegeven. Zoals Giacometti met zijn veel te lang uitgerekte figuren en Botero met zijn bolle rolmopmensen.

links werk van Giacometti, rechts van Botero

Germaine Richier hoort daar voor mij ook bij. Toen er vorig jaar een uitgebreide expositie met haar werkwas in dat Musée Picasso moest ik er uit nieuwsgierigheid dus wel heen. Op die 13e oktober van hierboven.

op 13 oktober 2019 op dat terras tussen twee grote beelden van Richier

Daarbij kom ik in dat museum al jaren steeds hetzelfde probleem tegen. Je mag bij de vaste collectie zoveel fotograferen als je maar wilt, maar bij de tijdelijke? Pas maar op! De blik van de er rond warende cerberussen is zodanig dat je de camera zo ver mogelijk wegstopt in een heel diepe zak of tas. Ze stralen uit dat je subiet in de boeien wordt geslagen bij overtreding. Om daarna de rest van je leven op water en brood te slijten ergens in een diepe kerker van dat middeleeuwse kasteel waarin het museum is gehuisvest. Heel jammer natuurlijk, zeker omdat ik door de tentoonstelling blij werd verrast.

Dus toen ik las dat het Schevenings museum Beelden aan Zee in samenwerking met dat Musée Picasso van Antibes een tentoonstelling over Germaine Richier in elkaar had gezet, was ’t duidelijk. Op naar Scheveningen, naar ‘Mensbeeld-Mensbeest’.

Aldus geschiedde een paar weken geleden. En daar mag altijd wel uitgebreid worden gefotografeerd. Zodat levensgezel er onderstaande foto van mij kon nemen.

in Scheveningen staand voor een grote foto van dat terras in Antibes

Begrijp je nu die opmerking over de teleportatie? Daar stond ik in Scheveningen toch zomaar op dat terras in Antibes. Zoiets als ‘beam me up, Scotty’, de bekende kreet uit de sf tv-serie Star Trek. En ook kon hij me opnieuw op de foto zetten tussen de twee grote beelden die vorig jaar tijdelijk op dat Antibens terras stonden en nu in die grote ruimte van ‘Beelden aan Zee’.

Bevreemdend eigenlijk, dat je dezelfde kunst in het ene museum niet mag fotograferen en in het andere wel. Daarom nu maar een selectie uit Scheveningen. Waar de tentoonstelling ook duidelijk uitgebreider is dan die in Antibes.

Met beelden waaraan je kunt aflezen hoe Richier heeft geworsteld en gevochten met, gehamerd en gebeiteld op, getrokken en geduwd heeft aan haar materiaal. Om een bevreemdend, fascinerend en geheel eigen oevre te creëren van mensfiguren en ook een soort dierlijke aliens, afkomstig uit een horror-achtige wereld. Waarbij ze dus heel goed wist wat ze deed en liet kloppen wat niet klopte. Nog te zien tot 6 september. Gaan, wat mij betreft. Bekijk ook maar eens deze video over haar.

Tot volgende week.

TOOS

Kamerverkiezingen pas volgend jaar, maar Kunstenaar van het Jaar 2021 verkiezing nu al


Ik maak ’t me eerst even lekker makkelijk met het kopiëren en plakken van een deel uit mijn Nieuwsbrief van begin juli. Want zo’n 6 à 7 keer per jaar verstuur ik die aan heel veel e-mailadressen in binnen en buitenland als er van mijn persoonlijk kunstfront iets te melden valt. Over exposities, kunstmanifestaties en andersoortig nieuws waarbij ik betrokken ben. Zoals dus bij onderstaande copy/paste alinea blijkt.

aan het werk in mijn atelier

“Verkiezing Kunstenaar van het Jaar 2021

Al heel wat jaartjes is ’t op 1 juli vaste prik in de inbox voor mijn e-mail: het bericht dat ik weer hoor bij de 90 genomineerden voor de verkiezing van Kunstenaar van het Jaar. Toch is ’t elk jaar spannend. Want zoals dat dan heet ‘resultaten uit het verleden zijn geen garantie voor de toekomst’. Maar daar was ie! En dat gaf opnieuw een heel tevreden gevoel. In de ogen van een kunstpanel van zo’n honderd kunstkenners/professionals vanuit heel Nederland te mogen horen bij de 90 uitverkorenen voelt elke keer als een eer en als een erkenning. Nu maar hopen dat er veel gestemd wordt via https://kunstenaarvanhetjaar.nl/verkiezing2021/ronde2/. En als dat op mij is, waardeer ik dat natuurlijk zeer!”

de pagina waarop jouw voorkeur voor de Kunstenaar van het Jaar 2021 kan worden aangegeven

Nou, dat is duidelijk. Het verkiezingscircus voor de Kunstenaar van het Jaar is weer begonnen. En opnieuw mag ik daarin een rol spelen. Vanaf 2003 is deze kunsthappening steeds professioneler, uitgebreider en belangrijker geworden. Ik weet nog goed dat een groot aantal belangstellenden zich in 2003 had verzameld in een te krappe en alsmaar snikheter wordende zaal ergens in Amsterdam. Daar hield initiator David Polak zijn geesteskind ten doop. Ik was daar omdat ik op een of andere manier bij de acht genomineerde kunstenaars terecht was gekomen waaruit die avond de aanwezigen de Kunstenaar van het Jaar gingen kiezen. Dat ik ’t niet ging worden, was me direct al duidelijk. Want wie liep er namelijk ook rond? De oude Corneille! Speciaal hiervoor uit zijn woonplaats Parijs overgekomen. En wie werd de verkozene? Inderdaad, Corneille. Maar ik zat toch mooi bij die acht.

in 2005 op het podium toen ik 2e werd bij de verkiezing van Kunstenaar van het Jaar, met links initiator David Polak

Sindsdien zijn er heel veel kunstenaars gekomen en gegaan bij de 90 die nu al weer vele jaren op een heel andere manier worden genomineerd dan destijds bij de start. Namelijk door dat kunstpanel uit die Nieuwsbriefalinea. Museumdirecteuren, kunstcritici, verzamelaars, curatoren en nog zo wat kunstkenners. Niet onaardig dus dat ik bij al dat komen en gaan toch steeds standvastig blijk. Zo vroeg ik levensgezel heel vriendelijk of hij de genomineerdenlijst van 2005, toen ik tweede werd,  eens wilde vergelijken met die van nu. In dat soort zaken ben ik namelijk niet zo goed, dat weet hij. Ruim meer dan 60 namen bleken verdwenen te zijn. Van óf overleden óf van de lijst gekukelde kunstenaars. Anderen bleven, maar dan ook niet de minsten. Internationaal gevierden als schilder Marlene Dumas, fotograven Rineke Dijkstra en Erwin Olaf, beeldhouwers Folkert de Jong en Mark Manders. Oh ja, en natuurlijk de 80-jarige krasse knar, onverbiddelijke bestsellerschrijver en schilder Jan Cremer. Wie heeft vroeger niet met rode oortjes de delen 1, 2 en 3 van ‘Ik Jan Cremer’ gelezen!  Niet onaardig dus dat ik mijn naam in dat gezelschap mag zien staan.

mijn raamaffiche over de nominatie op de grote glazen deur van mijn atelier

Nu is het publiek aan zet om uit de 90 genomineerden een volgende groep van 20 te kiezen. Die worden dan met nog 5 nieuwe wildcards opnieuw aan het panel voorgeschoteld. Opdat uiteindelijk een groep van 8 ontstaat waaruit het publiek ten slotte de Kunstenaar van het Jaar 2021 aanwijst. Je ziet, een verkiezingscircus van vele ronden.

Maar voor deze ronde kun je naar https://kunstenaarvanhetjaar.nl/verkiezing2021/ronde2/. Nog tot 15 september. Ik ben er natuurlijk weer heel erg nieuwsgierig of ik opnieuw bij die laatste 25 beland.

Overigens, mijn Nieuwsbrief staat helemaal los van dit blog TOOS&ART. Mocht je er belangstelling voor hebben, stuur dan even een mailtje naar toosvanholstein@xs4all.nl. Die laatste van begin juli is in z’n geheel te lezen op mijn website www.toosvanholstein.nl onder de knop Nieuwsbrief. Tot volgende week.

TOOS

Een typerend MeToo-slachtoffer, kunstenaar Artemisia Gentileschi, maar wel al uit de 17e eeuw


Je vingers ingeklemd in een martelwerktuig om, letterlijk, uit je te persen dat jij, het slachtoffer, bij je aanklacht voor verkrachting de waarheid en niets dan de waarheid hebt verteld.  Dezelfde vingers die ook jouw volstrekt onmisbare gereedschap vormen. Je bent namelijk de supergetalenteerde dochter van de in Rome gevestigde kunstenaar Orazio Gentileschi en als assistent werkzaam in je vaders atelier. We schrijven 1612 en die dochter is de 17-jarige Artemisia Gentileschi. Vorige week schreef ik al over haar.

Artemisia, De onthoofding van Holofernes (1620)

Kijk je met die kennis naar bovenstaand schilderij van Artemisia, dan is de inhoud daarvan met wat simpele psychologie van de koude grond misschien wel aardig te duiden. Want die verkrachting had inderdaad  plaatsgevonden. De uiteindelijk veroordeelde dader? Kunstenaar Agostino Tassi, bij wie Artemisia toen in de leer was. Zeven maanden, inclusief marteling, duurde het proces dat vader Orazio had aangespannen tegen Tassi. En een wonder geschiedde, hij won! Omdat de rechtbankannalen van dit proces grotendeels bewaard zijn gebleven, kon onderstaand filmpje gemaakt worden. Met daarin letterlijk overgenomen teksten.

Maar de naam van Artemisia als vrouw was natuurlijk sterk bezoedeld. Logisch toch? Roddels te over van ‘waar rook is, is vuur. Rome kon ze als opkomend kunstenaar voorlopig wel vergeten. In het geheim getrouwd met een tweederangs schilder vertrok ze naar dat andere grote Italiaanse kunstcentrum, Florence. Daar kon ze ten minste met een schone lei beginnen. Want de social media werkten destijds toch wat trager dan tegenwoordig en programma’s als Showtime lieten nog wat eeuwen op zich wachten.

En Tassi? Die bleek zelfs al een eerdere verkrachtings en mogelijk moordgeschiedenis te hebben? Hij kreeg twee jaar, kwam na acht maanden al vrij en pakte gewoon zonder probleem zijn werk als kunstenaar weer op.

fresco van Tassi in een villa in Rome

In Florence bleef het talent van Artemisia zogezegd niet onopgemerkt. Ze presteerde ’t zelfs om in 1616 als eerste vrouw ooit te worden opgenomen in de prestigieuze Accademia delle Arti del Disegno. Een soort Rotary avant la lettre van de beroemdste Florentijnse kunstenaars. Absoluut een gigantische prestatie voor een vrouw toentertijd. Maar ze had dan ook de gave zich soepel te

Artemisia, Zelfportret met luit

kunnen bewegen in de hoogste culturele en literaire kringen. Naast natuurlijk ook nog haar schildersgave waarmee ze heel wat opdrachten in die hoogste kringen verwierf. Opdrachten die als onderwerp regelmatig sterke vrouwen hadden. Zoals dus Judith uit dat schilderij hierboven. Waar ze met zichtbare afschuw maar ook duidelijke standvastigheid met hulp van haar dienstmeid generaal Holofernes letterlijk een kop kleiner maakt. Overigens wel een verhaal uit het Oude Testament dat destijds behoorlijk populair was. Van lekker heftige dramatiek in de beeldende kunst was men toen niet echt vies. Koppen mochten rollen, geen probleem. Dat gebeurde ten slotte ook nog met regelmaat in het echt op het schavot. Hebben we in Nederland niet ons eigen verhaal van Johan van Oldebarnevelt? Misschien moet ik toch nog maar eens een blogaflevering maken met de verzameling foto’s van schilderijen uit de 16e en 17e eeuw met afgehakte hoofden die ik op mijn harde schijf heb staan.

Dat populaire thema van Judith en Holofernes heeft Artemisia dus nog een paar keer gebruikt voor haar opdrachtgevers.

de dienstmeid van Judith verbergt het hoofd van Holofernes in een mand
Juditn en haar diensmeid (met het hoofd in de mand) verlaten het legerkamp van Holofernes

Maar David met het hoofd van de door hem gedode reusachtige Goliath, nog zo’n verhaaltje uit de reeks ‘voor het slapen gaan’ in het Oude Testament, was vanzelfsprekend ook niet te versmaden.

David met het hoofd van de verslagen Goliath
een recent ontdekt schilderij van Artemisia met daarop David en het hoofd van Goliath aan zijn voet

Net zoals het verhaal over de stoutmoedige Jaël die een tentharing slaat door het hoofd van de aan haar voeten slapende Sisera, ook alweer een generaal. Echte oudtestamentische horror.

Nog een paar voorbeelden van moedige vrouwen? Wat dacht je van Cleopatra die volgens de overlevering voor de dood door een giftige slangenbeet kiest. Liever dat dan zich volledig over te geven aan de Romeinse keizer Octavianus.

Cleopatra laat zich bijten door de slang
het dode lichaam van Cleopatra wordt ontdekt

Of Lucretia. Dochter van een belangrijke Romeinse familie die in 510 v.C. wordt verkracht door een koningszoon, haar ontering opbiecht aan vader en echtgenoot om daarna met een mes zelfmoord te plegen. Niet zo vreemd, denk ik dan, dat dit verhaal Artemisia heeft aangesproken.

De verkrachting van Lucrezia
een vorig jaar ontdekt schilderij van Artemisia met daarop Lucrezia die zich van het leven berooft
het thema van Lucrezia nog een keer

Overal waar ze kwam liet ze wel een aantal speciale vrouwen achter. In Rome waar ze als gescheiden en dus alleenstaande vrouw vanuit Florence weer terugkwam, in Venetië, in Napels en zelfs in Londen. Waar nu, zo leerde ik uit een reactie op Facebook, die Artemisia-expositie toch vanaf 3 oktobernog door lijkt te gaan. IJs en corona dienende denk ik dan tegenwoordig maar. Maar voor die tijd kom ik hier vast nog wel een keer op haar terug. Artemisia is, met haar leven en haar kunst, te fascinerend om dat niet te doen. Tot volgende week.

TOOS

Twee supersterren die me door de neus werden geboord


Normaal gesproken zou ik nu net terug zijn uit Londen. Maar ja, dat minuscule pluizige bolletje met die nare grijparmpjes! Dat greep, en grijpt nog steeds, wereldwijd zodanig heftig in dat mijn reis naar de Britse hoofdstad een ‘no go’ werd.  Net zoals de bezoeken daar aan tentoonstellingen over twee kunstenaarsiconen, Artemisia Gentileschi en Angelica Kauffman. Op dat alles had ik me toch zeer verheugd.  Niet alleen vanwege mijn eerste keer met de trein door de Kanaaltunnel, maar zeker ook vanwege mijn schildersheld Artemisia. Dat alles is dus een typisch gevalletje van jammer geworden.

de National Gallery in Londen waar ik dus niet heen kon

Misschien denk je nu ‘maar Toos, je moet in deze tijd toch niet naar dat met code oranje geoormerkte  Engeland willen?’ Een terechte gedachte. Echter, die reis was al geboekt begin februari toen er nog niks aan de hand leek. Zelfs ons aller RIVM bekeek dat bolletje nog slechts met een onderzoekende blik en ’t zou ook nog een hele poos duren voordat het hoofd van Jaap van Dissel niet van het televisiescherm was weg te branden. Niks aan de hand dus, toen. Behalve dan dat er in de eerste helft van juli twee prachtige exposities van twee beroemde vrouwelijke kunstenaars elkaar mooi overlapten. Die over de 17e eeuwse Artemisia Gentileschi (1593-1653) in The National Gallery stond op aflopen en die over de 18e eeuwse Angelica Kauffman (1741-1807) in de Royal Academy was net gestart. Echt reden om weer eens naar Londen af te reizen. Want daar was ik al te lang niet geweest. Sinds 2006 niet meer. Toen ik daar in de City in de Dutch Church, op een steenworp afstand van de Bank of England, mijn tentoonstelling ‘Man on his way’ had. Maar that’s another story.

de expositie ‘Artemisia’ in de National Gallery waar ik dus niet heen kon
de expositie ‘Angelica Kauffman’ waar ik dus niet heen kon

Zoals gezegd, een typisch geval van jammer. Allereerst werd mijn treinrit van Rotterdam naar Londen met de Eurostar me door de neus geboord. Geannuleerd. En ook had ik als ongewenste vreemdeling nog even in quarantaine gemoeten terwijl een flinke stoet Londenaars zich al stond te bezatten in de net weer geopende pubs. Daarbij was die tentoonstelling ‘Artemisia’ ook al uitgesteld tot een nader te bepalen en nog steeds in nevelen gehuld tijdstip ergens in de toekomst en was die over Angelica Kauffman zelfs helemaal van de kalender verdwenen. Net zoals dus nu mijn Londense avonturen waarover ik hier graag had verhaald. Maar verhalen over mijn icoon Artemisia wil ik jullie toch niet onthouden.

zelfportret van Artemisia

Juist omdat ze de laatste jaren sterk in het brandpunt van de belangstelling is komen te staan. Onder andere, en dat klinkt misschien wat cynisch maar is niet zo bedoeld, door MeToo.  Want Artemisia is een wel heel duidelijk verkrachtings en MeToo-voorbeeld uit de 17e eeuw. Daarover later meer. Nog andere aanleidingen voor die belangstelling?

Voor het eerst in 27 jaar kocht de beroemde National Gallery voor de eigen collectie weer een schilderij van een vrouw aan. Daarmee werd Artemisia’s ‘Zelfportret als de Heilige Catharina van Alexandrië’ het welgeteld 21e kunstwerk van een vrouw in een collectie van zo’n 2000 stuks. Over een vrouwnodige inhaalslag gesproken! Maar oké, ze betaalden dan wel zo’n 4 miljoen euro!

dat ‘Zelfportret als de Heilige Catharina van Alexandrië’

Daarnaast werd er vorig jaar door de experts een schilderij van haar ontdekt, en gelijk maar geveild voor zo’n 5 miljoen euro, dat al heel lang aan een ander was toegeschreven. Een man natuurlijk, Giovanni Francesco Guerreri.

presentatie van het nieuw ontdekte schilderij ‘David met het hoofd van Goliath’

Die Guerreri was één van de leerlingen in het atelier van Artemisia’s vader. De appel viel zogezegd niet ver van de boom. Want vader Orazio Gentileschi (1563-1639) was een bekend schilder in zijn tijd en werd een navolger van de stijl van Caravaggio. De stijl dus waarmee Artemisia opgroeide. Daarom was ´t ook zo interessant dat ik vorig jaar augustus in Fabriano rondliep op een expositie van Orazio. In Fabriano? Ja, inderdaad, die stad waarbij heel veel kunstenaars gelijk aan papier moeten denken. Omdat het aquarel en steendrukpapier uit Fabriano al eeuwen wereldberoemd is. En het middeleeuwse Gubbio, waar ik vorig jaar zomer exposeerde en keramiek beschilderde, ligt niet ver van dat ook middeleeuwse Fabriano. Dus toen ik las over die expositie met Orazio Gentileschi werd ’t helemaal een moetje om er heen te gaan. Hier wat foto’s daarvan.

de expositie in 2019 in Fabriano met Orazio Gentileschi als centrale figuur
driemaal de Heilige Maria Magdalena, links en rechts van de leerling Guerreri, in het midden van Orazio
Orazio Gentileschi, ‘Maria, Jezus en Jozef tijdens een rustpauze op de vlucht naar Egypte’

En dat MeToo bij Artemisia? En haar kunst? En haar ingewikkelde leven? Oh ja, en Angelica Kauffman? Ik zal maar zeggen, tot volgende week.

TOOS

40 Kunstwerken in de XX-XX Serie in 2020. Logisch toch?


Dit jaar 2020 gaat zeker en vast als een heel bijzonder jaar de geschiedenisboeken in. Daar kun je halverwege dit jaar met aan grote zekerheid grenzende waarschijnlijkheid al wel vergif op innemen. Figuurlijk dan. En dat er ons nog meer verrassingen staan te wachten? Vast wel. Maar voor mij is er hoe dan ook al één grote zekerheid. Zonder de coronapandemie was de titel van deze blogaflevering beslist anders geweest. Want dan was de actie Kunstbezorgd.nl  van het Centrum Beeldende Kunst Zeeland niet op touw gezet en was mijn Corona-serie niet ontstaan.

in mijn atelier aan het werk voor de ‘XX-XX Serie’

Ik schreef er al eerder over. Lees hier maar. Een actie in april opgezet door dat CBK Zeeland. Waarbij professionele Zeeuwse beeldende kunstenaars van allerlei snit, achtergrond, status en kunststroming in de brievenbus passende kunst maakten van maximaal A4-formaat. Met voor alle kunstwerken dezelfde prijs: €100. Gewoon gelijke kunstenaars, gelijke kunstkappen. Ongeacht je prijsniveau in de Nederlandse en eventueel  internationale kunstwereld. Dat idee had helemaal mijn sympathie, ook omdat de opbrengst volledig voor de kunstenaar was. Ik bleek niet de enige sympathisant gezien het aantal deelnemers.

de 1ste van de ‘XX-XX Serie’ die werd verkocht
werkend met die dunne aluminium platen

In mijn atelier had ik nog een stapel dunne aluminiumplaten liggen. Ooit eens verworven via een grote expositie van mij een aantal jaren geleden. Platen heel makkelijk tot A4 grootte te snijden en heel makkelijk te bewerken met allerlei schildersmaterialen. Ik aan de gang. De eerste exemplaren waren binnen de kortste keren verkocht. ’t Was alsof kopers van te voren al met hun vinger bij de Enter-knop zaten. De volgende? Idem dito. Zo bleef ’t maar doorgaan. Floep, floep, weg!

’t Was dus heerlijk werken in de afgelopen coronamaanden. Pure concentratie op dat kleine formaat van 29,7 bij 21 cm, me los makend van de wereld, de angst voor corona wegdrukkend, dagenlang achter elkaar bezig in mijn atelier en levensgezel die de boodschappen deed.

een paar voorbeelden uit de ‘XX-XX Serie’

Uiteindelijk heb ik er zo, zonder dat van te voren te kunnen inschatten, in totaal 40 gemaakt. Allemaal verkocht! Nee, nu lieg ik. Er staat op het moment dat ik dit schrijf, nog één te koop op Kunstbezorgd.nl . Die kon er, samen met de kunstwerken van anderen, nog mooi op voordat 15 juli deze CBK actie stopt. Sla dus nu je slag nog. De afbeelding van dat werk van mij staat ergens rond positie 50. Overigens, er zijn in totaal meer dan 300 kunstwerken verkocht! Formidabel toch?

degene die nog te koop staat (stond?) bij het schrijven van dit blog

Om te stoppen bij dat totaal van 40 vond ik wel symbolisch. Uiteindelijk is het woord quarantaine de laatste tijd heel veel gevallen. En komt dat niet van het Italiaanse quaranta, veertig? Het aantal dagen dat schepen en bemanning tijdens de grote pestepidemie in de 14e eeuw in Italiaanse havens in afzondering moesten blijven liggen. En is het nu toevallig niet het jaar 2020? Zeg maar eens dat dit niks met veertig heeft te maken.

Daarom doop ik die hele serie, die ik eerst de Corona Serie noemde, hierbij officieel om in de XX-XX Serie. Nou vraag ik me toch wel ineens af of op school tegenwoordig de Romeinse cijfers nog worden aangeleerd. Nou weet ik natuurlijk wel dat 2020 eigenlijk MMXX zou moeten zijn, maar ja, XX-XX allitereert veel mooier!

nog enkele

De nummer 40 (of XL, zo je wilt), is officieel in het bezit van het CBK. Want, ook dat was zo sympathiek, als je met de actie mee kon doen, kreeg je gelijk €100 gestort. Zelfs nog zonder enige verkoop. Het CBK verplichtte zich namelijk vooraf al om altijd één kunstwerk van elke deelnemer aan te kopen.

het kunstwerk dat nu in het bezit is van het CBK Zeeland

En nu ga ik tussendoor tijd besteden aan de opzet van een uitgave over mijn XX-XX Serie. Veertig pagina’s misschien? Het lijkt me gewoon heel leuk om daarvan een boekje te maken. Maar dat wordt weer een ander, toekomstig verhaal.

vooruit, nog eentje

Tot volgende week.

TOOS

Dance macabre van de vrouwelijke surrealisten


deel van ‘De Tranen van Eros’

Vorige week noemde ik ze al even vanwege de expositie ‘De Tranen van Eros’ in het Centraal Museum te Utrecht. Salvador Dalí, Max Ernst, René Magritte. Welke kunstliefhebber kent ze niet. Overal ter wereld kom je ze tegen als de grote surrealisten. Juan Miró, Yves Tanguy,  Paul Delvaux en Man Ray kun je er trouwens ook makkelijk aan toevoegen. Allemaal doken ze wel op in mijn academie-studieboeken. Maar vrouwelijke kunstenaars als Leonora Carrington, Leonor Fini, Dorothea Tanning, Dora Maar, Lee Miller, Meret Oppenheim en Eileen Agar? Wie zei je? Nou, die dus! Ooit van gehoord? Die kans was tot voor enkele jaren niet echt groot. Frida Kahlo vergeet ik dan maar even.

Leonora Carrington, Assurbanipal Abluting Harpies (1958), Centraal Museum Utrecht

Lang namelijk zijn ze weggestopt geweest in de surrealistische kunstwereld waar mannen de grote trom roerden. Met als aanvoerder André Breton. Dichter, schrijver  en vanaf 1924 theoreticus achter de denkwereld van het surrealisme. En dat terwijl juist de vrouw door de surrealisten op een hoog voetstuk werd geplaatst. Maar dan niet als kunstenaar. Want de Gelijkheid uit het Franse credo ‘Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap’ ging daar in Parijs blijkbaar toch wat te ver. Maar de Vrijheid en Broederschap in de vorm van muze, inspiratiebron en liefdespartner? Geen probleem. Als je ’t over wisselende contacten hebt, dan daar wel. De zeventiger jaren parenclubs verbleken er ernstig bij.

Lee Miller, foto van Leonora Carrington en Max Ernst (1937), in 2018 gefotografeerd in
Madrid

Toch ging het die vrouwen wel degelijk om de gelijkheid. Zo blijkt in die voorbeeldige expositie in Utrecht. Carrington vond het, ondanks haar liefdesrelatie met de veel oudere Max Ernst, maar onzin als muze te worden gezien. ‘Ik had geen tijd om iemands muze te zijn, ik had het te druk met rebelleren tegen mijn familie en leren om kunstenaar te zijn.’ Dat haar olieverven de laatste jaren voor een paar miljoen over de veilingtoonbank gaan, zal ze toen niet hebben kunnen bedenken.

Leonora Carrington, Oink (They Shall Behold Thine Eyes) (1959), Centraal Museum Utrecht

Ook is daar de mij uit het hart gegrepen uitspraak van Dorothea Tanning. Een groot voorstander van gelijkheid die de benaming ‘vrouwelijke kunstenaar’ ver van zich wierp. ‘Het is net zo’n contradictio in terminis als ‘mannelijke kunstenaar’ of ‘olifanten-kunstenaar’. Je bent misschien een vrouw en je kunt een kunstenaar zijn; maar de één is een gegeven en de ander ben je.’ Zelf noem ik me ook altijd een kunstenaar en geen kunstenares. Dat laatste verfoei ik echt. Maar vaak heb ik ’t in mijn blog voor alle duidelijkheid nog over ‘vrouwelijke kunstenaar’ omdat menigeen bij ‘kunstenaar’ meestal toch automatisch een man voor zich ziet.

Dorothea Tanning, Asleep in the Deep (1947), Centraal Museum Utrecht
Leonor Fini, la Bergère des Sphinx (1941), Centraal Museum Utrecht

En Leonor Fini? Die zag zichzelf als autonome vrouw met volledige zeggenschap over zichzelf. Dat blijkt ook wel uit haar leven. Maar dat is een toekomstig verhaal. Binnenkort in dit theater, zogezegd. Met dan daarin misschien ook gelijk het veilingresultaat van onderstaand schilderij. Begin juli bij Sotheby voor een schatting tegen de $600.000. Schijntje toch?

Leonor Fini, La terrasse

In ieder geval had Leonor een pesthekel aan André Breton vanwege zijn ideeën over de vrouw als muze. Ze weigerde zichzelf daardoor dan ook als surrealist te zien. Macho Dalí vond wel van haar dat ze als kunstenaar ‘beter was dan de meeste anderen, maar talent zit nu eenmaal in de ballen’. Ach ja! Hij zag de figuurlijke ballen bij haar niet.

Leonor Fini

Zo ging dat dus. De mannen speelden graag haantje de voorste en kunstrecensenten, toen natuurlijk allemaal mannen, gingen daarin gretig mee. Maar gelukkig is daarin sinds de jaren 80 langzaam aan verandering gekomen. Nu zijn al die vrouwelijke surrealisten na hun dood bezig met een gezamenlijke opmars. Een soort surrealistische dance macabre. Want ga maar na.

Begin 2017 waren Leonora Carrington, Leonor Fini, Dorothea Tanning al, zij het schaars, vertegenwoordigd op een expositie over surrealisme in Museum Boijmans van Beuningen.

Leonora Carrington, Are You Really Syrious, (1953), Museum Boijmans
Dorothea Tanning, Voltage (1942), Boijmans
Leonor Fini, Due Donne (1939), Museum Boijmans

Toen ik in 2018 het Juan Míro Museum in Barcelona bezocht, werd ik blij verrast door een speciale expositie over  de Amerikaanse vrouwelijke fotograaf Lee Miller en het surrealisme in Engeland.

Eileen Agar, Quadriga (1935), ook in Madrid

In 2019 was er een grote tentoonstelling over de Amerikaanse Dorothea Tanning in het bekende Tate Modern in Londen en een over Française Leonor Fini in New York. Nu nog net loopt er in Frankfurt ‘Fantastische Frauen’ met daarin veel van de namen van hierboven. Vanaf augustus te zien in Denemarken. En tot september in Utrecht dus ‘De Tranen van Eros’.

Meret Oppenheim, ontwerpen uit 1935-40, pas uitgevoerd in 2003, Centraal Museum Utrecht

Daarbij heb ik ’t ook nog niet eens gehad over de aandacht in die expositie voor het LHBTI-gehalte van de surrealistische gemeenschap destijds. Lesbisch, homosexueel, bisexueel, transgender en interseksueel, ze liepen als kunststroming duidelijk heel ver voor de troepen uit. Maar Bob Dylan zong lang geleden al The Times They Are a-Changin’. Tot volgende week.

TOOS

Moesman en de Museumhonger óftewel de Surrealistische Vrouwen zijn Hot


‘Huidhonger’ mag van mij het mooiste nieuwe woord van 2020 worden. Nu al. Want klinkt dat woord niet heel erg veel leuker dan het door de coronaperikelen zo langzamerhand toch wel erg afgesleten ‘knuffelen’?

Voor mij persoonlijk zou ‘museumhonger’ dan trouwens geen slechte keus zijn voor de tweede plek. Maar zoals gezegd, dat is echt persoonlijk. Want honger naar musea na onze intelligente lockdown zal voor een behoorlijk deel van de Nederlandse bevolking toch even wat minder prioriteit hebben. Dat ik al een paar jaar na mijn geboorte behept bleek met een overmatig groot kunstgen? Tja, iedereen heeft wel ergens een handicap.

mijn museumhonger stillend in het Centraal Museum in Utrecht

Mooi dus dat ik mijn museumhonger sinds kort weer mag uitleven. Ik deed hier al verslag van mijn bezoek aan het Rijksmuseum direct na de lockdown opheffing. Met daarin verwerkt een speciale Efteling-ervaring wat rijen en wachten betreft. Dus toen ik vier dagen later de ingang van het Utrechtse Centraal Museum in de verte zag opdoemen, was ik sterk benieuwd naar de logistieke gang van zaken daar. Geen enkel probleem zowaar. Tijdslot oké, pijltje volgen, het nieuwe ritueel van handjes met gel opschonen, het gratis online-ticket tonen in combinatie met de Rembrandtkaart en op naar ‘De Tranen van Eros- Moesman, surrealisme en de seksen’.

klein deel van ‘De tranen van Eros’

Want daarvoor kwam ik. Zeker omdat Nederlands enige echte en bekende surrealist, de Utrechter Joop Moesman, daarin de hoofdrol speelde. Maar meer nog eigenlijk vanwege de speciale aandacht voor vrouwelijke surrealisten. Een in de kunstgeschiedenis weggeschreven groep kunstenaars die nu extra in de lichtspots werd gezet. Die groep is namelijk de laatste paar jaar ineens heel erg hot geworden in de museum en veilingwereld. En terecht! Daarover later meer.

bij een werk van Leonor Fini, een van de vrouwelijke surrealisten en al jaren een favoriet van me
dat zelfportret uit 1922

Eerst Moesman (1909-1988). Een nogal gecompliceerd mens, maar als jongen al een overduidelijk schildertalent. Dat zegt bijgaand zelfportret wel dat hij op 13-jarige leeftijd maakte met een olieverfkistje dat hij voor zijn verjaardag kreeg van zijn vader. Die, van beroep tekenaar en steendrukker, dat talent natuurlijk wel onderkende.

Rond 1930 ontdekte Moesman het surrealisme. Een tak van kunstsport die ontstond in het Parijs van 1924 op initiatief van schrijver André Breton. En daarna groot werd gemaakt door onder anderen Salvador Dalí, Max Ernst en René Magritte. Mannen allemaal, die nu niet meer uit de musea zijn weg te denken.

reproductie van ‘Bijeenkomst van vrienden’ van Max Ernst (1922) waarop al veel leden van de toekomstige surrealistengroep van 1924

De dromen in ons onderbewuste, waaronder ook seksuele fantasieën, wilden ze zichtbaar maken om op die manier de geest vrij te maken. Vrouwen speelden daardoor een belangrijke rol bij die mannelijke surrealisten van het eerste uur. Maar dan alleen als muze en inspiratiebron. Dat er ook kunstenaars onder hen waren?  Hoezo? Vrouwen waren toch vooral een object om vaak naakt weer te geven in allerlei onbestaanbare, droomachtige vormen in een verder ook surreële omgeving?

onderdeel van de expositie, Salvador Dalí, La mémoire da la femme-enfant (1929)
Max Ernst, La joie de vivre (1936-37)
René Magritte, La race blanche (1937)

Toen Moesman voor het eerst zwart-wit foto’s van die schilderijen zag, wist hij ‘t. Dit wil ik ook. Onder de noemer van surrealisme kon hij de gecompliceerde gevoelens kwijt waar hij mee zat. Zoals bijvoorbeeld zijn niet altijd even makkelijke verhouding met vrouwen. Een volgens de verhalen nogal dominante moeder, een verloofde die van haar ouders niet met hem mocht trouwen en daarbij nog zijn hang naar sadomasochisme. Nou, dan kon je in het calvinistische Nederland van de jaren 30 je borst wel natmaken voor een schandaaltje hier en een schandaaltje daar als je dat in schilderijen verwerkte. Zoals in 1933. Toen de directie van Amsterdamse Stedelijk Museum bij een tentoonstelling onderstaand schilderij verwijderde.

Moesman, Namiddag (1932)

Want pervers en onsmakelijk! Dat was het oordeel van pers en bestuurlijke instanties. Wat ze in deze amorfe vorm zagen, zei natuurlijk ook direct heel veel over hun eigen onderbewuste. Wat mij betreft dus gewoon touché voor het surrealisme. Maar Moesman ging onverdroten verder op de ingeslagen weg en heeft nog heel wat iconische schilderijen gemaakt die nu onverbrekelijk verbonden zijn met ons Nederlandse kunsterfgoed. Zoals onderstaande werken waarvan bijna iedereen wel eens het beeld ergens heeft opgepikt.

Moesman, Het gerucht (1937), toen ook al een schandaal waardig
Moesman, Ontmoeting (1932)
Moesman, Avonduur (1962), waarin hij tijdens de seksuele revolutie in de jaren 60 iets durfde te tonen van zijn SM gevoelens
Moesman, Oktober (1965)
Moesman, Zelfportret (1935), geschiilderd toen bleek dat hij van haar ouders niet met zijn verloofde mocht trouwen

Moesman heeft dus een heel intrigerend en prachtig fijnschildersoeuvre nagelaten. Nu een kern in de collectie van het Centraal Museum en ook kern van de echt heel mooie, tot 16 augustus verlengde tentoonstelling ‘De tranen van Eros’. Heengaan!

En de surrealistische vrouwelijke kunstenaars die nu over de hele wereld hot aan het worden zijn? Die moeten toch nog even wachten. Maar dat hebben ze al heel lang gedaan, daar kunnen ze wel tegen. Tot volgende week.

TOOS

Aan de binnenkant van mijn Buitenkunst


voorbeeld van mijn Buitenkunst, Music II (tweeluik op aludibond, 160-240 cm)

Van het een komt meestal het ander. Ook in de kunst. Een waarheid natuurlijk als alle koeien samen in een megastal. Want dat ‘het ander’, de kunst op alu-dibond uit mijn ‘The 70-Series’ van 2019 was er mogelijk helemaal niet geweest als dat ‘het een’, mijn Buitenkunst, niet in 2011 was ontstaan. Als onderdeel van mijn grote expositie ‘TOOS-de ontdekkende mens’ in Fort Rammekens bij Vlissingen. Twee weken geleden schreef ik er hier al over. Met de belofte er nog op terug te komen. Want achter de voorkant van die Buitenkunst, eigenlijk dus aan de achter- of binnenkant, zitten heel veel verhalen verborgen. Met parallellen voor de huidige financiële corona-problemen.  Zoals bijvoorbeeld dat ene ‘dingetje’ volgens de leiding van het Vlissingse maritiem muZEEum. Dat moest ik toch nog even weten voordat ik ‘ja’ zou zeggen tegen hun voorstel voor die expositie.

Fort Rammekens in woestere tijden (linksboven de toegang naar Middelburg)
Fort Rammekens nu
Toos van Holstein, steendruk Renaissance, met de grote toegangspoort naar het fort

Dat ‘dingetje’? Het muZEEum zat zelf volop in de financiële problemen en had geen rooie cent beschikbaar voor die tentoonstelling. Die ook geen verkoopexpositie mocht worden. Wel konden ze mij met hun facilitaire dienst gratis bijstaan. Nogal ‘een dingetje’ dus! Maar toch wilde ik dat fort dolgraag met kunstzinnige ideeën naar mijn hand gaan zetten. En ik had geen wonderlamp zoals Aladin waarbij ik even een behulpzame geest kon oproepen. Dus hoe kwam ik aan harde euro’s? Alleen door een stichting op te zetten. Want die was persé nodig om subsidiefondsen aan te kunnen schrijven. Let wel, ’t was 2010/11, die wankele periode van omgevallen banken. Financieel verwarrende tijden zogezegd, net als nu. Maar om heel veel correspondentie van de Stichting “Expo Fort Rammekens” ontzettend kort samen te vatten, het lukte. Het VSB Fonds, het Prins Bernhard Cultuurfonds, de Rabobank Walcheren, het Familiefonds Hurgronje, Stichting Moerman Promotie Vlissingen, Donkigotte en De Zeeuwse Alliantie, allemaal droegen ze een financiële steen bij.

Voor steigerbouw, voor film en fotoprojectoren, voor de film ‘TOOS- the movie’ over mijn werk (zie hier), voor houtconstructies, voor het aludibond met daarop mijn Buitenkunst, voor grote vellen handgeschept papier met inlijstingsmateriaal, voor in kunststof gegoten beelden, voor bouwlampen die alles moesten uitlichten, voor ………… Nou ja, ga maar door.

bezig in het fort bij de net opgebouwde steigers
opname in het fort voor ‘TOOS-the movie’, met de stand-in voor de jonge TOOS
filmopname voor Omroep Zeeland

Maar of alles wat ik voor ogen had was gelukt zonder mijn af en toe reddende engel Jacob?

overleg met Jacob

Tja, Gouwe Ouwe wijlen Jacob. Werkend voor het muZEEum en, zoals hij dat zelf voelde, de Heer van Rammekens. Het prototype van de ruwe bolster met de blanke pit, een man wiens gezicht veel over zijn avontuurlijke leven vertelde, een man die ik in mijn hart sloot. Net zoals hij mij ook. Terwijl ik dit zit te tikken, krijg ik weer dat warme, speciale Jacobgevoel. Hij had zijn eigen werkplaats in het fort waar zijn gouden handjes alles konden maken wat ik voorstelde. En als Heer van Rammekens wist hij ook nog allerlei regels bij dat Rijksmonument blijmoedig op eigen wijze te interpreteren. Zat er ergens geen ophangmateriaal op de juiste plaats in zo’n eeuwenoude muur waar dat toch wel heel erg handig zou zijn? Spijkeren en boren mocht niet volgens die regels. ‘Wijffie’, zei Jacob dan, ‘maak je geen zorgen, ik vind wel een oplossing’. Op maandag was het fort altijd officieel gesloten. Als ik dan op de dinsdag weer kwam kijken, zaten er plotseling toch oude, roestige spijkers en haken in zo’n streng gereguleerde muur die ik er eerst echt niet had gezien. Zonder Jacob had ‘TOOS-de ontdekkende mens’ er anders uitgezien. En dat hij zich voor mij op een speciale ontvangstdag in mijn pand in Middelburg in een echt pak had gehesen? Ik haal me dat zo weer voor de geest in combinatie met dat Jacobgevoel. Maar die Gouwe Ouwe is niet meer, hij is gaan hemelen. Naar een plek met, hoop ik, speciaal voor hem een bruine stamkroeg.

foto’s van de opening en van de kunst in de diverse ruimtes van het fort

de filmzaal met ‘TOOS-the movie’

Wat nog wel is? Mijn Buitenkunst natuurlijk. Die in de jaren na 2011 diverse tuinen in Nederland is gaan opsieren. Want bestand tegen weer, wind en zon. Ik denk dat ik er de komende Kunst en Cultuurroute Middelburg op zondag 5 juli maar wat extra aandacht aan ga geven.

En wat ook nog is? Diverse films op mijn YouTube-kanaal. Zoals een video over de expositie en eentje met die basisschoolklas uit Koudekerke en hun Geheime Tekens.

de klas bezig met hun Geheime Tekens

Oh ja, en natuurlijk dit blog. Want dat is ontstaan in 2011 juist vanwege die tentoonstelling. Maar dat is weer een ander verhaal. Tot volgende week.

TOOS

Caravaggio en zijn Corona-perikelen


Caravaggio, Narcissus (rond 1598), nu in het Rijksmuseum

’t Zou hier nu opnieuw gaan over mijn Buitenkunst, zo verkondigde ik vorige week. Maar ja, ik kan ook niet buiten kunst. Vandaar een onvoorziene interruptie. De musea mochten namelijk weer open op  1 juni en daar wilde ik dus héééél snel gebruik van maken. Samen met levensgezel trouwens. Die ook zowel binnen als buiten niet buiten kunst kan. Dus zat hij ’s morgens 21 mei, de eerste dag dat er weer kaartjes online geregeld konden worden voor het Rijksmuseum, binnen paraat voor zijn pc-scherm. Want we wilden nog snel naar de expositie ‘Caravaggio-Bernini, Barok in Rome’, die  op 7 juni zou eindigen. En ja! Het lukte om met onze Rembrandtpassen twee gratis toegangsbewijzen te scoren voor dinsdag 2 juni. Binnen het tijdslot van 14.15-14.30 uur. Want zo zijn tegenwoordig de regels in het corona-museumspel en zo moet ’t gespeeld worden. Online met een tijdslot en niet anders.

Bernini, Medusa (rond 1640), nu in het Rijksmuseum

Wij lopen dus op 2 juni om 14.14 uur het Rijksmuseum binnen. Dat soort logistiek vernuft laat ik altijd met een gerust hart aan levensgezel over! Kaartjes worden gescand, Rembrandtkaart getoond, handjes ontsmet en doorlopen naar die expositie. Ja, had je dus gedacht! In de grote hal stond al een soortement rij. Want ‘rij’ is tegenwoordig met die 1,5 meter toch wel een wat diffuser en ongeregelder begrip geworden.

 Enigszins in twijfel sluiten we aan. Maar die twijfel verdween snel toen een museummedewerker, laat ik die nr.1 noemen, aan ons een verzoek had. Of we wilden kijken hoe laat ’t nu was en hoe laat we de expositie binnen konden lopen opdat we onze wachttijd aan een aldaar geposteerde andere medewerker  konden doorgeven. Dat was voor hun nuttige informatie. Nou, natuurlijk! Wel begonnen we toen enige figuurlijke nattigheid te voelen. Dat was helemaal het geval toen we zo’n 6 à 7 minuten later en na een aantal meters terreinwinst een nogal nonchalant tegen een muur geplaatst Efteling-achtig bordje tegen kwamen. ‘Vanaf hier een uur’. Hè? Maar een langslopende medewerker, zeg maar nr.2, wist bij navraag te melden dat dit wel ongeveer klopte.

 De diffuse rij met die grote afstandsgaten schoof inderdaad tergend langzaam op. Medewerker nr.3 kwam langs met klapstoeltjes voor wachtenden die knikkende knieën en vervelende voeten begonnen te krijgen. Levensgezel, die een praatje aanknoopte met medewerker 4 die de klapstoeltjes bij inleveren gelijk weer ontsmette, leerde dat het Rijksmuseum eigenlijk ook in een leerproces zat. Want hoeveel bezoekers kan je in zo’n tijdslot binnenlaten en hoe snel stromen die door in de zalen waar maar weer een beperkt aantal mensen te gelijkertijd mag verkeren? In feite waren we proefkonijnen in een logistiek experiment. Dat Eftelingbordje klopte trouwens. Het duurde inderdaad een uur voor we aan medewerker 5 volgens belofte konden vertellen dat het beloofde uur inderdaad een uur was. Zo bleek de Cruyffiaanse uitspraak ‘dat elk nadeel zo ze voordeel heb’ toch weer op te gaan. Want hadden we in de tussentijd niet in alle rust met diverse museumsuppoosten gezellig een praatje kunnen maken? Iets wat er anders nooit zo snel van komt.

één groot voordeel van het beperkte aantal toegelaten bezoekers, je kunt in alle rust kijken
Caravaggio, De doornenkroning 1603
Bernini, buste van Thomas Baker rond 1637

En die expositie? Hier tussendoor heb ik al met foto’s gestrooid. Interessant, maar geen echte topper. Dat komt ook omdat de allerbeste werken van Caravaggio gewoon vast gespijkerd zitten aan kerkmuren in Italië en op Malta. En omdat Bernini alle Rome-bezoekers natuurlijk al helemaal heeft afgebluft met zijn beroemde, grootse barokfonteinen en beeldengroepen. Daar kom je in ’t museum echt niet meer overheen. Wel was voor mij opnieuw duidelijk dat toch maar enkele Caravaggistische schilders in kwaliteit in de buurt komen van hun grote meester. Zelfs al hingen de topwerken van Caravaggio er dus niet.

Orazio Gentileschi (1563-1639) Judith en haar dienstmeid met het hoofd van Holofernes, rond 1608
dochter Artemisia Gentileschi (1593-1654), De extase van Maria Magdalena
Annibale Caracci (1560-1609), De bewening van Christus 1604

Maar toch mooi dat Nederlander  Hendrick ter Brugghen (1588-1629) daar zeker  bij hoort.

Hendrick ter Brugghen, De ongelovige Thomas, 1622
Hendrick ter Brugghen, Jonge vrouw die een luit stemt, 1627

Hoe dan ook, ik liep toch maar lekker rond  in het net weer geopende Rijksmuseum. En dat ’s avonds op de 21e mei, dus nadat levensgezel ’s morgens die tickets had vastgelegd, bekend werd dat de expositie met alle uitlenen erbij verlengd had kunnen worden tot 13 september? Ach, dat is eigen aan deze telkens opnieuw verrassende coronatijden. Nu hebben anderen ook nog de gelegenheid. Bij een, naar ik hoop, beter logistiek ingespeeld Rijksmuseum. En die Buitenkunst van mij? Tot volgende week.

TOOS

Kunst binnen gemaakt voor buiten


Fort Rammekens nu

We schrijven het jaar 10vC, tien voor Corona. In de oude jaartelling dus 2010. Ik loop in februari rond in de donkere krochten van Fort Rammekens bij Ritthem, bij de monding van de Westerschelde. Voor het eerst van m’n leven trouwens. Want als import-Brabander zei Fort Rammekens me toen nog niet zoveel. Helemaal fout natuurlijk, weet ik nu.

mijn Buitenkunst in de ‘etalage’ van mijn atelier aan de Korendijk 56

Dat beeld van destijds kwam weer boven toen het bestuur van onze Kunst en Cultuurroute Middelburg enige maanden geleden voorstelde om te beginnen met een project ‘Van binnen naar buiten’. Want coronatijden. Galerieën en ateliers voornamelijk dicht. Ook op de 1e zondagen van de maand, onze gebruikelijke routedag. Het idee: hang toch de routevlag uit, doe wat met je etalage, zet kunst voor je ramen, zet gewoon toch wat buiten. Op die manier kon een kunstige zondagmiddagwandeling door Middelburg langs gesloten deelnemersdeuren best aangenaam verrassend gemaakt worden. Dat gebeurde dus ook want we vormen met z’n allen een enthousiaste club.

Voor mij was ’t gelijk duidelijk, dat wordt dus mijn Buitenkunst. En daarvoor moet ik weer terug naar de historische grond van Fort Rammekens. Want historisch is die, voor mij nu ook. Gebouwd rond 1550 in opdracht van Maria van Hongarije, landvoogdes van de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden en zuster van Karel V, keizer van het gigantische Habsburgse Rijk. Want de wereldhaven Antwerpen moest worden beschermd tegen vijandige machten.  En de beslist niet onbelangrijke haven van Middelburg werd daardoor ook direct meegenomen. Waar kon dat beter gebeuren dan aan de monding van de Westerschelde.

Fort Rammekens eeuwen geleden met schepen wachtend op goede wind. Naar boven de directe toegang naar Middelburg, naar recht de Westerschelde richting Antwerpen
Willem Hermansz. van Diest, Zicht op de rede van Fort Rammekens bij Vlissingen

Op die historisch heilige grond liep ik dus in 10vC voor het eerst rond. Want de directie van het Vlissingse MuZEEum had me gevraagd of ik er mogelijk voor voelde een grote expositie op te zetten in het fort. Een aantrekkelijk idee. Maar zoals altijd, eerst de locatie bekijken.

Prachtig vond ik ‘t. Duistere krochten, lange donkere gangen, heerlijk verweerde oude muren. Daar kon ik wel wat mee.

een paar foto’s van die gangen en krochten

Maar één dingetje was voor mij gelijk duidelijk, met mijn olieverfschilderijen kon ik ’t daar wel schudden. Kort samengevat: te koud, te vochtig en te zout. Wat wil je ook, een meer open dan dicht fort direct aan het zoute water van de Westerschelde. ’s Avonds gingen dan wel de krochtdeuren en de grote poort dicht, maar verwarming? Niet functioneel. En die expositie zou een half jaar gaan duren. Nou,dan kon je er vergif op innemen dat daarna alle olieverfschilderijen naar de sloop hadden kunnen worden gebracht. Dat soort omstandigheden konden ze echt niet aan. Dus gelijk als bij Tom Poes, kwam het er op neer ‘Toos, verzin een list’. Of eigenlijk heel veel listen. Want ik wilde ’t liefst het hele fort zoveel mogelijk gaan gebruiken. Het moest groots worden.

nog een paar van die foto’s

Al denkende en zoekende kwam ik een techniek tegen die net in opkomst was. Die van het drukken op een voor mij toen nog onbekend materiaal. Alu-dibond. Een plaat van kunststof aan beide zijden bedekt met een laag aluminium waarbij op een van die zijden op het aluminium digitaal een afbeelding kon worden aangebracht. Dat was ‘t! Op die manier kon ik op hoge resolutie ingescande dia’s van mijn schilderijen op het alu-dibond laten overbrengen. Maar in Nederland waren er nog nauwelijks bedrijven die dat én goed én op allerlei grootten konden. Nu doet elke fotozaak ’t voor je, maar 10vC was een andere tijd. Zoekend op internet kwam ik terecht bij het bedrijf ZWF in Bolsward. Die hadden net een nieuwe grote flatbed printer waarmee heel veel mogelijk was. En ach, Bolsward is in ons kleine landje ten slotte niet het eind van de wereld. Het gevolg? Ik werk nog steeds naar volle tevredenheid met ze samen.

ik hang een van de aludibonds op in het fort
vorig jaar in Bolsward, overleg met eigenaar Geoffrey Schippers
van ZWF over een opdracht

Daar dus, in Bolsward, en vooraf in mijn fantasie vond mijn Buitenkunst vorm. In 9vC uitgebreid te aanschouwen in Fort Rammekens en vandaag de dag dus in mijn atelieretalage in het kader van die actie ‘Van binnen naar buiten’. Zolang de coronasluiting duurt. Want ook op de eerste zondag van juni houd ik toch nog maar even mijn deuren dicht. Misschien weer in juli. Maar wel is zeker dat er over die Buitenkunst, dat fort en met kunst versierde tuinen nog veel meer te vertellen is? Daaraan ga ik me de volgende keer opnieuw te buiten.

nog zo’n kunstwerk op alu-dibond

Tot volgende week.

TOOS

Vrijetijds Kunstprofeten, Kunst als fundamentele Levensbehoefte en ‘The 70-Series and More’


expositie ‘The 70-Series and More’ in Vellekoop & Vellekoop Kunsthandel, De Lier

Als ik me weer de beelden van afgelopen Hemelvaartsdag voor de geest haal, zou ik bijna gaan wensen dat ’t in het Pinksterweekeinde af en toe even lekker doorgiet. Want wie kunnen zich nou eigenlijk in deze coronatijden bij hun volle verstand als kuddes lemmingen op de boulevards en stranden willen storten? Een aantal verfrissende buien zouden dat ‘volle verstand’ dan misschien wel goed doen.  Net zoals het besef dat 1,5 meter toch echt niet zo’n  rekbaar begrip is dat je die behoorlijk kunt laten inkrimpen. Zou er nou echt niks anders te verzinnen zijn voor die vrije tijdsbesteding?

Zelf zal ik daar in het Pinksterweekeinde niet zoveel problemen mee hebben. Want juist dan gaat toch nog, na een paar maanden uitstel, mijn nieuwe editie van ‘The 70-Series and More’ echt van start. Bij Vellekoop & Vellekoop Kunsthandel in De Lier, Pastoor van Rooijplein 3. Dus mocht je nog wat vrije tijd over hebben? Van harte welkom. Maar daarover straks meer.

een paar maanden geleden toen het werk voor de expositie werd gebracht

Want over vrije tijd gesproken! De geschiedkundige schellen zijn me onlangs eindelijk van de ogen gevallen. Dankzij het nieuwe college van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant. Mogelijk heb je er over gelezen. VVD, CDA en iets provinciaals hebben met Forum voor Democratie een nieuw college in elkaar geflanst. Gaande dat flansen deden ze een geweldige ontdekking. Namelijk dat kunst en cultuur eigenlijk niks anders voorstellen dan iets dat  wel kon  vallen onder een nieuw te benoemen gedeputeerde voor Vrije Tijd. Wel een bezuinigingsgezinde natuurlijk. Geniaal toch?

Laat ik nou altijd gedacht hebben dat cultuur en kunst intrinsiek waren aan de menselijke geest. Dat ze een onmisbaar onderdeel vormen van ons mens-zijn. Maar volgens dit Brabantse college is ’t  eigenlijk allemaal alleen maar vrijetijdsgedoe. Die tienduizenden jaren oude brokstukken van wat zeer waarschijnlijk een primitieve fluit is geweest? Gewoon een stukje huisvlijt van iemand die toen al teveel vrije tijd had. Een fundamentele behoefte tot het maken en genieten van ritme en muziek? Kom op zeg! Je moet toch iets doen met die overvloed aan vrije tijd tussen jagen en verzamelen door. En die oude grotschilderingen? Waarschijnlijk meer zoiets van ‘wat zal ik vandaag eens gaan doen, oh ja, mijn grot een beetje opleuken’. En die prachtige gotische kathedralen uit de Middeleeuwen? Een uit de hand gelopen vrijetijdshobby natuurlijk. Of Rembrandt? Een typische zondagsschilder. Vergeet trouwens Vincent van Gogh niet. Dankzij de financiële steun van zijn broer Theo had ie natuurlijk veel te veel vrije tijd. Kon ie gelijk lekker een beetje kwasten. Dat ik nou FvD, VVD, CDA en dat iets provinciaals nodig had om dat te ontdekken! Zo zie je maar, als mens en als kunstenaar ben je nooit te oud is om nog wat  te leren van zo’n groep diepe doordenkers. Nu weet ik ten minste weer waar ik als kunstenaar sta in deze maatschappij.

in de galerie

Maar goed, terug naar De Lier (https://www.vellekoopkunsthandel.nl/ ). De opening van mijn ‘The 70-Series and More’ stond gepland op 21 maart. In mijn blog van 12 maart schreef ik daarover. Maar ja, corona. Galerie eigenaar Piet Vellekoop had er zelfs al een film over laten maken die vertoond werd op de WOS, de regionale omroep van het Westland.

filmopname

Dat had natuurlijk niet meer zoveel zin bij een feitelijk gesloten galerie. Piet en ik besloten toen alles maar te laten hangen tot we een duidelijker kijk kregen op de loop der gebeurtenissen. Nu de corona-mist wat aan het optrekken is, wisten we het. De officiële vernissage gaat plaatsvinden in het Pinksterweekeinde. Ooit daalde volgens het Nieuwe Testament met Pinksteren de Heilige Geest neer. Mocht nu, naast af en toe die al genoemde plensbui van hierboven, de kunstgeest dat ook gaan doen over ons als vrije-tijds-mens, dan zou ik dat helemaal niet erg vinden. De expositie hangt, al zeg ik ’t zelf, prachtig. Die anderhalve meter zal geen probleem zijn. En die film draait alweer op de WOS. Net zoals trouwens hieronder via een link met mijn YouTube-kanaal.

overleg met Piet over de inrichting van de expositie

Op mijn Facebook en Instagram pagina’s heb ik de laatste maanden ook de nodige aandacht gegeven aan de 70 kunstwerken uit mijn ‘The 70-Series’. Met als gevolg dat er nu ook al werken op heel andere adressen hangen. Maar 70 moest natuurlijk wel 70 blijven. Kom maar tellen .

De expositie loopt voorlopig van zaterdag 30 mei tot zondag  14 juni elke dag van 1 tot 5 uur. Zelf ben ik op Pinksterzondag en maandag aanwezig. Om bijvoorbeeld kopers van mijn nieuwe boek ‘TOOS VAN HOLSTEIN II, for me art is travelling the mind’ te plezieren met een opdracht erin. Maar ook om het glas te heffen op een goede afloop van alle corona-misère. Tot volgende week.

TOOS

Kunstinitiatieven contra de corona crisis


We leven op dit moment toch maar in bizarre tijden! Want stel nou dat je na een aantal alcoholrijke Brabantse of Limburgse carnavalsdagen eind februari had gehallucineerd dat half mei kapperszaken met wel of niet met mondkapjes bekapte kappers zouden worden overstroomd door langharig tuig. Dan was de kans op een aantal dagen thuisquarantaine beslist groot geweest. Zelf kan ik er trouwens weken over dubben of ik nou wel of niet naar de kapper zal gaan. Dus in deze situatie nog een paar weken langer twijfelen? Voor mij geen probleem.

bezig in mijn atelier, met mijn uitgegroeide haardos

Of stel dat je eind februari na je gebruikelijke skivakantie in Noord-Italië een bezoekje aan je nagelstudio nog maar even liet zitten. Oeps, kardinale fout! Nu blijkt uit de met afspraken vol stromende agenda’s dat in onze welvaartswereld de nagelstudio een eerste levensbehoefte vormt voor velen. Onze grootouders zouden wel heel erg magisch realistisch hebben moeten kunnen dromen om zich dat voor te kunnen stellen. Ik trouwens ook. Want mijn nagels zijn onderdeel van mijn schildersgereedschap. Er lekker mee krassen in de verf of zelfs verf ermee wegkrabben, ik hoef er echt geen kleurpatroontjes op te laten smeren. En het schilderslinnen manicuurt ze vanzelf.

hier is mijn duimnagel er goed voor

Maar de laatste paar weken gebeurt dat toch iets minder. In feite is dat de dikke schuld van het CBK Zeeland, het Centrum Beeldende Kunst in Middelburg. Daar werd in april het initiatief genomen tot de website Kunstbezorgd.nl. Toen schreef ik er al over. Lees maar. Naar aanleiding daarvan startte ik met wat ik maar mijn ‘Corona Serie’ ben gaan noemen. Hieronder een kort filmpje met daarin  voorbeelden ervan. Best makkelijk, zo’n iPad Pro die dat bijna helemaal uit zichzelf even voor je uitzoekt.

Allemaal kunstwerken ter grootte van een in de brievenbus passend A4’tje. Maximaal dus 21,0 bij 29,7 cm. Want dat was één van de voorwaarden bij deze actie. Zoals ook dat je ingeschreven moest zijn als professioneel Zeeuws kunstenaar. En je moest akkoord gaan met de standaardprijs van €100 voor alle kunstwerken. Ongeacht je status als kunstenaar. Ongeacht wel of geen provinciale, landelijke of internationale bekendheid. Ongeacht het kunstcircuit waarin je verkeerde. Ongeacht lage of hoge verkoopprijzen in atelier of galerie en ongeacht het type kunstwerk. Gewoon gelijke kunstenaars, gelijke kunstkappen. Een sympathiek initiatief. Levensgezel en ik hebben daarbij onderling nog wel even over die prijs gediscussieerd. Want €100 was toch eigenlijk wel rijkelijk laag gezien de prijsopbouw van mijn kunst in de loop van mijn kunstcarrière. Maar het regionaal Zeeuwse aspect en de hele opzet gaven de doorslag. Gewoon doen. Maar dan met wat?

werkend aan een kunstwerk uit de ‘Corona Serie’

Nou, om ideeën zit ik meestal niet verlegen. Struinend door de materiaalvoorraad in mijn atelier kwam ik ineens weer die stapel lekker dunne aluminiumplaten tegen. Een aantal jaren geleden gekregen van een vriendelijke drukker. Een ideale ondergrond om op te werken. En ook zodanig groot dat ik er met een scherp mes makkelijk twee keer een A4 uit kon snijden.

Nu zijn er dus al zo’n twintig van die Corona Serie verkocht op Kunstbezorgd.nl. Ik lever de foto’s aan bij het CBK, ze worden geplaatst en binnen de kortste keren zijn ze weg. Veren zat dus in mijn achterwerk. Zittend werken gaat nauwelijks meer.

een van de verkochte mixed media werken uit de ‘Corona Serie’

Daardoor ben ik de laatste weken voornamelijk met die mixed media Corona Serie bezig en kan ik mijn nagels even wat minder manicuren aan mijn olieverven. Wat die mixed media techniek dan wel inhoudt? Tja, dat blijft lekker het geheim van deze kunstenaar. Sommige technieken houd ik gewoon binnen de muren van het atelier ‘Holstein’.

afgelopen maandagmorgen geplaatst op Kunstbezorgd.nl, een paar minuten later verkocht

Zo wellen er in Middelburg meer kunstinitiatieven op ter bestrijding van de beperkende corona omstandigheden. Want ’t is natuurlijk heel jammer dat de april en mei edities van onze onvolprezen Kunst en Cultuurroute niet konden doorgaan. Daarom hebben we nu de actie ‘Kunst van binnen naar buiten’. Lees op https://www.kunstroutemiddelburg.nl/ maar eens wat dat inhoudt. De stad stikt tegenwoordig zowat van de bijbehorende affiches die achter vele ramen zijn geplakt.

in de etalage van mijn atelier

Zelf doe ik er aan mee met mijn ‘BUITENKUNST/KUNST VOOR BUITEN’. Daar schrijf ik vast nog wel een keer iets over. Voor nu moet een foto maar genoeg zijn.

 

Tot volgende week.

TOOS

Gekkenwerk in een gekkenhuis


Normaal gesproken zou ik deze week zijn opgenomen in het gekkenhuis. Het grootste gekkenhuis van Italië. Gubbio namelijk, de stad van de gekken, zoals ze dat in heel Italië weten.  Nou ja, niet het hele jaar door maar wel in de week waarin 15 mei valt. Aanstaande vrijdag dus. Want dan is het hoogtepunt van de Festa dei Ceri, het Feest van de Kaarsen. Kijk eerst maar eens naar onderstaand filmpje van een kleine twee minuten, dan weet je waarover ik ’t heb.

 

Duidelijk toch, die stad van de gekken? De passie, de overgave, de gemeenschapszin, ’t spat er met bloed, zweet en tranen vanaf. Waarom ik nu in Gubbio zou hebben moeten zijn, dat komt zo wel. Waarom ik er nu niet ben, dat mag duidelijk zijn. Corona! Voor het eerst sinds 1160 gaat dit gigantische festijn niet door. Afgezien van nog een paar keer in Eerste en Tweede Wereldoorlog. Noem dat maar eens geen eeuwenoude traditie.

deel van de oude stad van Gubbio

Vorig jaar schreef ik in augustus al een paar keer over Gubbio. Dat is hier, hier en hier terug te lezen. Ik was daar toen om twee redenen. Ik nam er deel aan een tentoonstelling en ging in het kader daarvan ook keramiek beschilderen. Bij maestro Giampietro Rampini in zijn atelier.

overleg met Giampietro in zijn atelier

Die vier weken in Gubbio hadden aardig wat gevolgen. Allereerst de vriendschap met Giampietro, zijn vrouw Roseanna en hun dochter Giulia die nu zelfs studeert aan de kunstacademie in Perugia. Dan mijn liefde voor dat prachtige, authentiek gebleven middeleeuwse Gubbio. Verder een soort gevoel van thuiskomen door de hartelijke bevolking in het oude centrum, met hun leven op straat, met de gehechtheid aan hun woon-quartieri,hun gewoontes en feesten die van generatie op generatie zijn overgeleverd. En, heel belangrijk, de afspraak met Giampietro dat ik eind april dit jaar zou terugkomen om weer opnieuw te komen werken in zijn atelier. Het atelier waar hij zelf de afgelopen paar maanden niet eens mocht komen. Want al reed hij als mantelzorger elke paar dagen vanuit zijn woning in de oude stad naar het moderne, tegen zijn atelier aan gebouwde huis waar zijn moeder woont, meer dan dat mocht niet. Want keramist stond niet op het door de almachtige Italiaanse autoriteit geproduceerde lijstje van essentiële beroepen. Je moeder verzorgen? Allicht! Maar daarna? Snel wegwezen naar je eigen honk. Niks niet stiekem binnendoor naar je atelier om je beroep uit te oefenen. Typisch gevalletje van ‘jede Konsequenz führt zum Teufel’.

winkel met erachter het atelier van Ceramiche Giampietro, met op de 2e etage mijn tijdelijke verblijf en op de 1e de woonetage van ‘mama’

Nu had ik dus opnieuw in dat atelier zullen werken en het Festa dei Ceri kunnen meemaken. Niet natuurlijk door als een gek mee te hollen onder die ‘ceri’ met daarop de heiligen Sant’Ubaldo, San Giorgio en Sant’Antonio. Want dat recht is voorbehouden aan zo’n 400 sterke, goed geconditioneerde mannen die daarvoor elk jaar streng worden geselecteerd. Mannen die maandenlang oefenen om elkaar langs de meer dan vier kilometer lange en honderden meters stijgende route vlekkeloos af te lossen tijdens dat rennen. Dat gaat wel eens fout trouwens. Giampietro heeft daardoor in zijn jonge jaren ooit een knie gebroken. Maar een echte Gubbiaan, en dat is hij, heeft zoiets er voor over.

aan het werk in het atelier

Snap je dat ik dit feest van een aantal dagen graag samen met Giampietro en zijn familie had meegemaakt? Nu dus maar hopen op 2021. Met daarbij in mijn achterhoofd nog wel een ideetje. Want als je goed kijkt in die video van hierboven zie je rond de 50ste seconde dat drie mannen vanaf een verticale stellage omlaag kiepen en daardoor de ‘ceri’ oprichten (zie ook de foto bovenaan). Daarbij gooit elk een met water gevulde kruik de menigte in. Die vallen natuurlijk te pletter, maar reken maar dat de scherven worden gekoesterd door de omstanders. Want als er ergens scherven geluk brengen is ’t hier wel. Elk jaar maakt een andere kunstenaar zes van die kruiken, drie voor het kapot gooien en drie voor in het museum. Stel nou eens dat ……. Begrijp je? Giampietro stelde dat vorig jaar al eens voor. Maar ja, naast de eer is de concurrentie natuurlijk heel groot.

een hoek in het museum met enkele van de kruiken waarover ik hierboven schrijf

Hoe dan ook, vorig jaar mocht ik al meehelpen een groot bord te beschilderen voor het grote wijken-feest in de stad, het tweede grote evenement in de tradities van Gubbio.

de uitreiking van dat bord op de Piazza Grande
op datzelfde plein bezig met ‘la dolce far niente’

In dat museum draait trouwens continu een professionele video over de ‘Ceri’. Echt prachtig omdat je via drone-opnames een geweldig zicht krijgt op én de stad én het feest. Kijken!

Nu dus nog even geen Gubbio voor mij. Maar wie weet! Mogelijk nog september,oktober? Graag! Tot volgende week.

TOOS

Én een dijk van een wijf én one of the boys, Niki de Saint Phalle


Vrijdag de 13e een ongeluksdag? Hoezo! Donderdag 12 maart kom ik aan in Nice, vrijdag 13 maart loop ik daar met mijn Nicoise vrijkaart gratis het Mamac binnen, het museum voor de moderne kunst, en zaterdag 14 maart sluit dat plotsklaps voor onbepaalde tijd. Parijse corona-beslissing! Ik had dus gewoon dikke mazzel op die vrijdag de dertiende. Want ik wilde in de week dat ik in Nice zou zitten hoe dan ook absoluut beslist per se naar dat Mamac. Dat zit zo.

in het Mamac bij een werk van Niki de Saint Phalle
Niki de Saint Phalle

Als ik in Nice ben, ga ik sowieso altijd wel een keer. Voor de speciale tijdelijke tentoonstelling én zeker ook voor de zalen gereserveerd voor de ruime collectie van het museum zelf. Met meestal werk van kunstenaars uit de zogenaamde École de Nice.  Maar die zogenaamde School van Nice komt nog wel eens. Dit keer ging ik gericht voor Niki de Saint Phalle (1930-2002), een vrouwelijke kunstenaar die ik steeds meer ben gaan waarderen. En dan niet zozeer vanwege al haar kleurige, rondborstige, dijïge, reuzengrote en ook kleine Nana’s die je over de hele wereld kunt vinden. Nee, veel meer vanwege de kunst die ze maakte in aanloop naar die aaibare, vrolijke Nana’s. Kunst die ik leerde kennen juist in het Mamac. Want uit die periode waarin ze zich ontwikkelde als feministe, als een vrouw die zich niet weg liet blazen in de kunstwereld van de mannen, als iemand die duidelijk succes wilde hebben, als een dijk van een wijf dus, heeft het Mamac een grote verzameling. Honderd en negentig kunstwerken. Door Niki, Française van geboorte, in 2001 aan het museum geschonken bij een grote overzichtsexpositie van haar.

een kunstwerk uit haar schenking

Maar waarom wilde ik hoe dan ook absoluut beslist per se gaan kijken in die week in maart? Omdat ik niet lang daarvoor een grote tentoonstelling van haar werk had gezien in het Scheveningse ´Beelden aan Zee´. Een prachtig aan de boulevard gelegen en toch verscholen in de duinen gebouwd museum. Met een teleurstellende expositie. In mijn ogen dan. Want heel veel andere bezoekers vermaakten zich uitstekend met al die vrolijke Nana´s en met de gekleurde fantasiekatten, slangen en andersoortige fabeldieren. Die zelfs op carrouselachtige platforms alsmaar aan het ronddraaien waren.

een paar foto’s van de expositie in Beelden aan Zee

een oer-nana, uitgeleend door het Mamac

Juist dat irriteerde me. Net zoals het feit dat ’t vooral om die welbekende Nana´s draaide, letterlijk dus, en veel te weinig over de aangrijpende, intrigerende kunst die ze eerder maakte. Zoals de oer-nana’s en haar schietschilderijen uit de jaren 60/70 waar juist in het Mamac de nadruk op ligt. Zonder kermistoestanden er omheen. Kunst ook met een achtergrond.

in de Niki de Saint Phalle zaal van het Mamac

Geboren in Frankrijk, opgegroeid in de USA, als kind misbruikt door haar vader, van een katholieke school weggestuurd, een paar jaar in een meisjesinternaat, daar het feminisme ontdekt, fotomodel, op 19-jarige leeftijd getrouwd, twee kinderen, naar Frankrijk om daar al snel te scheiden waarbij de kinderen aan de vader worden toegewezen, zonder opleiding met kunst begonnen en juist in de kunstwereld je levenspartner, de opkomende ster Jean Tinguely, tegengekomen. Zoiets vormt natuurlijk je karakter. Ze werd daardoor ook, zoals ik dat interpreteer, one of the boys. Kijk alleen maar naar onderstaande foto’s. Gemaakt toen ze meedeed met een expositie in het Amsterdamse Stedelijk Museum, nog onder leiding van de legendarische directeur Sandberg. Die beelden spreken voor zich.

in Amsterdam, met links van Niki haar levenspartner Jean Tinguely
ook in Amsterdam, met Sandberg zittend op de trap

Of haar oer-nana’s mogelijk uit dat misbruik in haar jeugd voortkomen? Zou heel goed kunnen. Maar zoiets duiden laat ik liever aan de Freuds in onze wereld over. In ieder geval zijn ze uniek.

twee van de oer-nana’s in het Mamac met rechts die uitgeleende van een foto hierboven

Net zoals haar schietschilderijen, de zogenaamde Tirs. Kijk maar eens naar dit filmpje.

Sommigen zullen ’t niks vinden, ik geniet ervan. In het Mamac hangt onderstaande. En op internet kwam ik nog een foto tegen dat ze juist op dit werk aan het schieten is.

Aaibaar zoals de latere Nana’s? Nou nee, niet direct! Dat geldt trouwens ook voor een reeks altaren die ze maakte. Misschien iets vanwege haar niet in dank afgenomen katholieke opvoeding?

zo’n altaar in Beelden aan Zee
een veel groter altaar in het Mamac, met lekker veel pistolen erop

Maar uiteindelijk stroomde door het wereldwijde succes van haar Nana’s de bankrekening zodanig over dat ze in Toscane een droom kon realiseren. Haar nu beroemde Giardino dei Tarocchi, gebaseerd op figuren van Tarotkaarten. Twintig jaar werk zit daarin. Hier vind je een uitgebreide documentaire over die tuin die ooit op NPO2 werd uitgezonden.

Ik moet er nog trouwens steeds heen, echt een lacune in mijn kunstontwikkeling. Maar wie weet lukt dat in het jaar 1 n.C. van onze nieuwe jaartelling. Het jaar 1 na Corona. Tot volgende week.

TOOS

Een kunstinkijkje in de wereld van beeldend kunstenaar TOOS van Holstein: ervaringen, ideeën en ART

%d bloggers liken dit: